Feuilleton.
Van 's levenspad
op reis naar een ander Vaderland.
door COR.
III.
Droevige dagen braken nu voor Cor aan, die alleen was achtergebleven. Droevige dagen, nu zij Pietje en Ada beiden moest missen, nu zij weer alleen moest voortgaan. Wéér moest zij alleen voortgaan, want dit was niet voor het eerst het geval. Vóór zij Pietje leerde kennen, ging zij ook eenzaam, gevoelde zij zich immer zoo verlaten. Nog een kind zijnde, waren haar ouders reeds door den dood weggerukt, waarna zij door een tante in huis werd genomen, totdat zij het leven inging om voor zich zelf te zorgen, in eigen onderhoud te voorzien. Lang had zij eenzaam en alleen gedwaald langs 's levenspad, niemand vindende aan wie zij zich kon hechten, aan wie zij zich verbonden gevoelde, wat haar jonge leven zoo somber en droevig maakte. Vroeg reeds ontwaakte in haar hart de begeerte naar den Heere, kon de wereld haar niet meer bekoren, vond zij daarin geen vermaak, wat haar als een vreemdeling deed voortgaan, zonder vrienden. De kennismaking met Pietje was het eerste wat een lichtstraal op haar weg deed vallen, daar zij in haar een vriendin vond met wie zij kon spreken, wie zij alles kon vertellen. In Pietje vond zij een vriendin, die haar verstond en begreep en, nadat Ada zioh bij hen voegde, was haar blijdschap nog grooter, daar zij zich niet meer zoo eenzaam gevoelde, niet meer zoo verlaten voortging. De gelukkigste tijd van haar leven, totdat zij opeens weer alleen achterbleef; Pietje weggedragen naar het graf en Ada op het ziekbed. Weer dwaalde zij, evenals voorheen, eenzaam rond, zocht zij met droefheid vervuld, de plekjes op waar zij menigmaal met Pietje en Ada was geweest, waar zij menigen avond met elkander verkeerden, sprekende over wat in hun hart gevonden werd. Dan herinnerde zij zich de daar gevoerde gesprekken, waarbij zij elkaar tot troost en bemoediging waren, om dan droevig naar huis terug te keeren, verlangend Pietje spoedig naar dat betere Vaderland te mogen volgen, waar nooit geen droefheid wordt gekend, waar zij nimmermeer eenzaam of verlaten zou zijn. Geheel alleen ging zij nu weer over 's levenspad, met niemand, die haar moed insprak wanneer in haar hart de vrees naar boven kwam, nimmer dat betere Vaderland te bereiken, waardoor zij dan zoo moedeloos en neergedrukt was. Vroeger konden Pietje of Ada haar altijd weer moed inspreken, waren haar woorden altijd weer in staat haar op te wekken, maar nu moest zij die beiden missen, alleen voortgaan, waardoor haar pad droeviger was dan ooit te voren. Telkens weer gevoelde zij zich de ongelukkigste van het uiteengerukte drietal, de ongelukkigste, want immers Pietje had het betere Vaderland reeds bereikt en Ada, hoewel op het ziekbed, was bij haar eigen thuis, zag haar ouders en andere huisgenooten om zich heen, met wie zij kon spreken, zich daardoor niet zoo eenzaam gevoelende, maar zij was geheel alleen achtergebleven, zij had niemand meer, zij was geheel verlaten.
Wonderlijk zijn echter 's Heeren wegen en dat mocht ook Cor ondervinden.
Een jonge man, uit Amerika overgekomen om zijn dienstplicht te vervullen, was dien tijd in het stadje geplaatst en maakte kennis met Cor. Direct gevoelden zij zich tot elkaar aangetrokken, daar ook hij geen vermaak in de dingen der wereld kon vinden, ook zijn lust en begeerte uitging naar den Heere. Toen zijn diensttijd ten einde liep, waarna hij weer naar Amerika zou terugkeeren, vroeg hij Cor zijn vrouw te worden en met hem mee te gaan naar de overzijde van den Oceaan. Lang behoefde zij zich niet te bedenken bij het vernemen van die vraag, na een korten bedenktijd stemde zij toe, daar niets haar terughield om haar geboortegrond te verlaten. Met Willem, zoo heette de jongeman, zou zij gelukkig kunnen zijn, omdat zij beiden voortgingen op 's levenspad met hetzelfde doel voor oogen, wat niet bestond in een jagen naar wat de wereld biedt, maar in het vragen en zoeken naar den Heere, in een verlangen, straks als het stervensuur kwam, dat betere Vaderland te betreden waar zij Hem zouden aanschouwen. Die-uit vrije genade naar hen had willen omzien, om daarvoor Hem eindeloos groot te maken .-
Niet lang daarna werden Willem en Cor dan ook in het huwelijk verbonden, om kort daarop de reis naar het verre Amerika te aanvaarden, welke reis voorspoedig volbracht werd.
Nadat de boot de rivier was opgevaren, greep Cor opeens Willem bij den arm, hem wijzende op het prachtige tafereel wat zij zag, namelijk een stad, boven op een berg, gebouwd. In stille verwondering staarden zij eenigen fijd op dat prachtige schouwspel waarna zij elkaar aanzagen en in eikaars oogen lazen dat dezelfde gedachte in hunne harten oprees, want dat gezicht deed hen denken aan wat de apostel Johannes in de Openbaringen over het nieuwe Jeruzalem schrijft. Zoo lang mogelijk bleven zij naar die op een berg gebouwde stad kijken, om dan nu het nieuwe vaderland was bereikt, zij daar behouden aankwamen, met elkaar te bespreken welk een vreugde het zou wezen, straks aan het eind van 's levenspad gekomen zijnde, als de dood hen uit het leven zou wegrukken, dat betere Vaderland te bereiken, daar ingaan, eindeloos verheugd daar verkeerende, waar geen tempel is, omdat de Heere, de Almachtige God en het Lam de tempel is ; waar de zon of de maan niet van noode is om te schijnen, omdat de heerlijkheid Gods het verlicht en het Lam haar kaars is. Op dat betere Vaderland was ook hun oog gericht, nu zij hun nieuwe vaderland bereikten, dat eenmaal te betreden ook daar hun vragen en zoeken, hun hoogste verlangen.
In het huis dat zij betrokken, hingen enkele portretten aan den wand, welke Cor gedurig weer herinnerden aan den korten, maar toch zoo gelukkigen tijd van haar leven toen zij met Fietje en Ada over 's levens pad ging. Eén van Fietje, kort voor haar sterven gemaakt, en een van Ada op haar ziekbed. Dikwijls staat zij daarbij te kijken, menigmaal spreekt zij met haar man over die twee vriendinnen, van welke de eene reeds heengegaan is naar het betere Vaderland, terwijl dé andere het straks ook zal betreden. Dan slaan zij in stille verwachting het oog naar 'boven, bemoedigen elkaar dat ook zij daar eenmaal mogen ingaan, want hoewel zij steeds moeten erkennen dit diep onwaardig te zijn, toch kunnen zij hopen, wetende, dat Christus Jezus gekomen is, juist voor onwaardigen den weg daarheen banend, om hen, die dit niet meer verdienen, daar te doen binnentreden, omdat Hij den zwaren zondenlast op Zich heeft geladen, met Zijn bloed de groote schuld betalende, geijiaakt door het afwijken van den Heere. Op Hem hopend gaan zij ook in hun nieuwe vaderland over 's levenspad als vreemdelingen, die hun heil en hoogst geluk niet van deze aarde verwachten, doch uitziende naar den tijd, waarin de eindpaal wordt bereikt, om dan het eeuwig Huis te mogen ingaan, waar de Heere alle tranen van de oogen zal afwisschen, waar de dood niet meer zal zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite.
Is uw naam reeds geschreven bij hen, die dat betere Vaderland mogen betreden ? Weet gij reeds daar te komen als 's levenspad ten einde is ? Of leeft gij nog voort, lust en vermaak vindende in de zonden ? „Daar zal .niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt", staat er geschreven, dus nooit, nimmer zult gij daar mogen ingaan als gij met zonden vervuld zijt, dan zal uw deel slechts zijn den poel des vuurs geworpen te worde« O , hoor dan heden nog naar de roepstem welke tot u komt, dat gij de wereld zult verlaten, den Heere navolgen. Hem uw Ieven gevende voortgaande met het verlangen straks Hem te ontmoeten, eindeloos bij Hem te zijn. Geen grooter vreugde, dan eenmaal dat betere Vaderland te toetreden, Hem aanschouwende, Die Zijn eigen Zoon overgaf om de schuld voor een zondig volk te betalen. Christus Jezus, de Borg en Middelaar alleen kan u daar doen ingaan, zonder Hem wordt gij eeuwig buitengesloten, slechts met Hem kunt gij daar ingaan. Christus Jezus kwam om voor zondaren den weg te openen, het pad te ontsluiten en daarom ook moogt gij, die gedurig uw zonden voor oogen ziet, die dag aan dag vreest voor eeuwig om te komen, ook op Hem hopen en vertrouwen. Op Hem ziende, voortgaande zult gij nimmer bedrogen uitkomen, doch ervaren, dat Hij ook uw schuld kwam betalen, opdat ook gij dat betere Vaderland kunt ingaan, waar gij Hem moogt loven prijzen. '-
„Ook mijn naam geschreven in het Boek des Levens", welk een voorrecht voor wie dat kunnen zeggen, welk een vreugde voor wie zóó op 's levenspad voortgaat, uitziet' verlangt naar het einde. Welk een voorrecht vreugde en blijdschap met die wetenschap het uur van sterven te zien naderen om als die ure aanbreekt, het betere Vaderland te betreden ; den Heere te ontmoeten, Hem te danken. Die naar een zondig schepsel omziet ; ja. Die zondige schepselen zoo lief had, dat Hij Zijn eigen Zoon niet ontzag doch Deze overgaf om hun schuld te betalen en hun straf te dragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's