De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

„Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding " Philipp. 3 vers 10a.

HEM KENNEN EN DE KRACHT ZIJNER OPSTANDING.

Over een ruil gaat het in het verband van dezen tekst, en in den tekst zelven. Over een ruil, waarvan gezegd mag worden :  'k Heb alles verloren, Maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben!"

Zoo is het immers gegaan met den apostel Paulus, die het woord van onzen tekst eens schreef aan de gemeente van Philippi.

En hij spreekt dit nog eens met allen nadruk uit tegen de jeugdige gemeente, opdat ze niet zal luisteren naar de dwaalleer, die haar met zulke schoone en verlokkende motieven werd opgedrongen.

Immers, aan de Philippiërs was voorgeschllderd, dat ze weer moesten leven naar de Joodsche wetten, dat ze het dan zooveel gemakkelijker zouden hebben in de samenleving, en ook, dat ze zóó ten opzichte van het Koninkrijk Gods veel meer zouden vermogen.

Maar Paulus doorzag die verleidelijk uitgebeelde leer zoo goed. Hij speurde daarin den geest der eigengerechtigheid ; hij proefde zoo diep de bedoeling; hij voelde het begeeren, om de jeugdige Christenen weer te brengen in den weg van het werkverbond, om ze den rug te doen krommen onder het ijzeren juk der wet.

Daarom roept hij het Philippi's gemeente toe, dat besnijdenis naar de wet, geboorte uit Israël, het behooren tot de zoozeer geeerde secte der Farizeërs, uitwendige wetsgerechtigheid, ijver om die wet te handhaven ten koste van alles, en wat er nog meer moge zijn, dat voor het oog der menschen tot gewin zij, dat dit alles niets waard is, als het gaat om het ééne, het groote : Christus gewinnen en genieten de uitnemendheid Zijner kennisse.

„Al die dingen", eens ook voor Paulus zoo waardevol, het leven van zijn leven, hij rekende ze schade, en achtte ze drek te zijn, opdat hij Christus mocht gewinnen.

We voelen nu wel : het gaat in het tekstverband om een ruil. Maar dan om een ruil, die zich uitstrekt over 'heel zijn .leven ; een ruil waarin hij door Gods .genade mag volharden. Zoo beheerscht de uitdrukking „om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn", ook onzen tekst, en leeren we dus, dat de apostel alles opgaf en „alle dingen" niets achtte, opdat hij Christus zou kennen en de kracht Zijner opstanding ; d.w.z. de voortgaande genieting van Christus en Zijn heil.

Ook in den tekst gaat het dus om denzelfden ruil als in het verband. Is het ook reeds ons deel geworden; door Gods genade ? Leerden we alles, wat ons van nature het leven is, niets achten en prijsgeven om Christus te gewinnen, en zóó steeds meer de volheid van Zijn heil te genieten ?

„Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding "

Wat is nu de inhoud van dat „kennen ? "

Natuurlijk is hiermee niet gedoeld op een verstandelijk inzicht. Niet dus, wat we zouden kunnen noemen een' „weten" ; weten b.v. dat Jezus leed en stierf en is .opgestaan : een weten dus van historische feiten. Voor .zooiets, wat zonder meer dood materiaal is, in elk geval niet heilaanbrengend, geeft een mensch niet alles op. Aan zooiets wagen we niet onze eer, onzen naam onze positie, onzen' persoon !

Trouwens, iets dergelijks noemen we in het gewone leven ook niet een kennen.

Als we iemand kennen, of zeggen te kennen, dan moeten we toch met hem in aanraking zijn geweest. We moeten, wat we noemen „contact" met hem gehad hebben !

In het „kennen" zit een levensaanraking. Dan gaat er over en weer een levensroering uit naar elkander. Men leert elkander kennen, door geschrifte, door spreken, door zien of door hooren.

Zoo nu ook is Ihet „kennen" uit den tekst een .levende kennis ; een kennen, , o zeker, opspruitend uit het geloof in den gekruisten en opgestanen Christus' en in Zijn 'Woord, maar daarom juist een kennen uit eigen innerlijke aanschouwing; een kennen opgaande in den verborgen omgang met Christus, een kennen der echte bevinding !

Nog anders : er wordt hier gedoeld op dien teederen omgang met den Christus, waarvan het huwelijk in zijn uitnemendste openbaring een schaduwbeeld is.

Een „kennen" alzoo, waarin een ziel mag genieten den rijken inhoud van het woord : „Al het Mijne is uwe, en al het uwe is Mijne !"

„Hem kennen" dat is schouwen in het licht dat in Christus uitvloeit van den Almachtige over den zondaar. En in dat licht rijst eigen verlorenheid, eigen zonde, eigen schuld, eigen doemwaardigheid, van nature ons eigendom, zoo groot voor het oog op. Ja, in dat licht — Paulus kan er van .getuigen — wordt het al maar .dieper peilen de ellende van het kranke hart, , een zien met huivering hoe de diepste roerselen van ons hart verdorven zijn.

Maar het is aan den anderen kant ook een opzien naar den Algenoegzamen Zaligmaker, een ontdekken van de weelde van Gods loutere genade in Christus.

O, dat opzien naar den Christus !

Het is een indrinken van de heilsgenieting, die wordt geschonken hier in 't strijdperk aan al degenen, die in donkere omarming van den Christus mochten gelooven de vastheid van het woord : „Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing."

Dan wordt het „kennen" een zioh overgeven aan Hem, een vernieuwd zinken in Zijn wijd geopende armen, een liggen aan het 'Vaderhart Gods.

En dan is het vrede. Een vrede, dien de wereld niet kent, en ons arme hart nooit .kan bevroeden, omdat hij alle peinzen en denken verre te boven gaat.

Is 't wonder, dat Paulus in roerend heimwee uitroept : „alles prijsgegeven, opdat ik Hem kenne ? "

Hebben Ook wij deel gekregen aan dit kennen ?

•Wat is het geheim van dit alles ? De apostel ontdekt het ons even na onzen tekst. Daar staat dat wondere woord : „waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben !"

Natuurlijk, dat woord doelt op zijn ontmoeting met den Christus in den omtrek van Damascus. Toen zonk de bestrijder van Gods gemeente neder voor den Koning dier gemeente met een woord, waarin hij ten einde raad, eigenlijk niets anders vroeg dan: „Heere, hoe moet het nu ? "

O, 't is waar, het gaat bij alle kinderen Gods niet precies zóó. Daar is zulk een rijke schakeering in de wegen, waarlangs God de Zijnen brengt tot een treden op den eenen, levenden en verschen weg, Jezus Christus en Dien gekruist.

Evenwel : bij alle verscheidenheid, is dit de overeenkomst : er is een keer in ons leven gekomen, ook al is het oogenblik, waarop die verandering intrad niet in ieder leven met stipte nauwkeurigheid aan te wijzen !

Maar de „omkeering" moet openbaar zijn geworden ; ze wordt ons bewust, want het leven Gods kan niet in verborgenheid blijven sluimeren.

Wie ten leven gegrepen werd door den Christus, die kan het bij zijn eigen vroomheid en eigenwilligen godsdienst niet langer uithouden. Zijn uiterlijk dienen van den Heere geeft hem geen steun meer. Zelfs bij het zwoegen om in de wegen der wet zijn gerechtigheid op te richten heeft hij geen oogenblik vrede meer. De roepstemmen Gods dringen onweerstaanbaar .op hem aan.

Er wordt openbaar een vlieden van zonde en ongerechtigheid. Hij moet Christus gewinnen ten koste van alles. Alles wat eens zijn verlustiging was, op vrome en onvrome wijze, moet hij prijsgeven.

Want het wordt dan ingevoeld : Christus kennen maar dan tevens de wereld dienen, onze zonde en haar genoegens aan de hand houden, het kan niet samengaan.

Christus kennen en toch met onze vroomheid aan de zaligheid wat toebrengen, en steunen op alles .behalve op Zijn gerechtigheid, het kan niet samengaan. Met dat alles moet een breuke komen. 'Wij .moeten het schade en drek achten, wat ons zou kunnen scheiden van Hem.

Zoo leert de mensch het doodvonnis schrijven op al het zijne, om als een .geheel ontdekte, als een gebrokene in zijn kracht, en wil en neigingen, als een radelooze en reddelooze in zichzelven voor Hem neer te zinken, stamelend : „Heere, hoe nu ? "

Hebben wij aan deze wegen kennis mogen krijgen?

Indien niet, ach vraag het den Heere voortdurend. Hij wil gebeden zijn. Maar ook indien de eerstelingen van deze openbaringen des levens bij ons bevonden mogen worden, zij er tot meerdere doorwerking van wat de Heere in ons wrocht, een smeeken : „opdat ik U kenne !"

„Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding "

De apostel verlangt meer dan het kennen van den Christus, hoe heerlijk het ook zij. Zijn begeeren gaat met dit alles ook uit naar het kennen van de kracht van Christus' opstanding 1

'Wat daarmede door hem bedoeld werd ? De kracht van Christus' opstanding, dat is een woord voor velerlei uitlegging vatbaar.

Dat kan zijn een kracht tot wedergeboorte I Als een zondaar in zijn dood-in zonde en misdaad het eeuwige leven leert kennen, dan komt dit, wijl de Christus in Zijn opstandingskracht hem aangreep en Zijn woord tot de ziel deed uitgaan : „Kom uit uit uw zondegraf. Ik leef en gij zult leven I"

In dien zin de kracht Zijner opstanding te genieten, het is voor u het ééne noodige, o zondaar, die nog van verre staat: Is het reeds uw bede ?

Evenwel, in dezen zin bedoelde Paulus niet de kracht van Christus' opstanding te kennen. 'Want hij was uit den dood tot het leven reeds overgegaan !

„De kracht Zijner opstanding".... dat kan ook beteekenen een kracht der rechtvaardigmaking-. In Zijn verrijzenis is de Christus voor heel de wereld door den Heere God rechtvaardig verklaard. De Rechter der gansche aarde riep het in de opwekking van Zijn Zoon als het ware uit : Hij is onschuldig. Hij komt in alles met de wet overeen en is alzoo rechtvaardig !

Maar dit geldt ook Christus' waarachtige gemeente, in Hem gerekend als 't lichaam in het hoofd : met Hem één, door die wondere vereeniging, reeds in de eeuwigheid gelegd, en in den tijd door haar gekend, ah zij zich mag inleven in de mystieke unie, die er is tusschen Hem en haar.

O, staat naar het kennen van die kracht van Christus' opstanding, zoo gij nog wandelt in zooveel twijfelmoedigheid en bezwaardheid des harten. Want de Christus is voor u, die als een Maria van Magdala klaagt : mijn Heere is weggenomen.

En Hij verrees, opdat gij door Zijn op standing verzekerd zoudt worden van uw rechtvaardigmaking, waartoe Hij werd op gewekt, van Wien gij ondanks alles niet los kunt komen.

Zult gij dit van Hem vragen door den tekst als uw bede voor den troon der genade neer te leggen? '

Evenwel Paulus doelt met de woorden „en de kracht Zijner opstanding" toch nog op iets anders.

Dat blijkt zeer duidelijk uit wat vlak na onzen tekst komt, waar hij spreekt van „de gemeenschap Zijns lijdens. Zijn dood gelijkvormig wordende "

Hierin beluisteren we niet een heimwee naar den marteldood, gelijk sommigen ten onrechte meenden. Hierin klinkt niets anders door dan een verlangen naar wat de Heidelberger noemt: „het afsterven en kruisigen van den ouden mensch !"

Paulus wil zeggen, dat 't moet blijken : een, die Christus kent. Zijn opstandings­ kracht ervaarde, heeft een ander leven dan de wereldling. Dit blijkt in den strijd der voortgaande bekeering ; in den strijd tegen vleesch en bloed ; in den strijd der heiligmaking.

Wie in dien strijd werd ingewikkeld, hem wordt het zoo duidelijk, dat de volgorde bij den Christus een gansch andere is dan bij den christen. Bij den Christus immers is het eerst lijden en sterven en dan het leven der overwinning ; bij den christen daarentegen is het eerst een deelachtig worden van het eeuwig leven, maar dan komt het lijden, het kruisdragen en het gekruisigd worden van den ouden mensch.

Zonde en genade gaan in den levendgemaakte worstelen. Het vleesch begeert tegen den geest. Het wordt gekend : alle uren in gevaar, en toch veilig; allen dag de levensstrijd en toch ondanks nederlaag op nederlaag, .meer dan overwinnaar door Hem !

Dit tegenstrijdige het is niet mogelijk, ais wij niet kennen de kracht van Zijn opstanding.

Zonder die kracht ligt het raderwerk stil. Hét is met de kracht van Christus' opstanding als met den stoom, die uitgaat over een machine. Die stoom brengt voor 't eerst het raderwerk in beweging. Maar zal de machine blijven werken, dan moet de stoom van oogenblik tot oogenblik op haar inwerken.

Zoo moet de kracht van Christus' opstanding, eens den mensch voor 't eerst toegekomen, hem voortdurend bewerken, zal hij in actie blijven.

Voelt gij dat reeds bij uzelven ? Voelt gij het, omdat de zondemacht zoo overweldigend op u toetreedt, satan u slaat met vuisten, gij moedeloos wordt, er inzinking in uw leven komt, de vleugelen uws geloofs geknakt, gebroken neergehangen, en 't u is alsof alles samenspant om uw nederlaag volkomen te maken ?

O, dan verstaat gij het zoo diep, dat Paulus 't uitriep : opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding. En gij roept 't met hem uit. Dat uitroepen 't zij uw smeeken, uw worstelen met God, om door de kracht' van Christus' opstanding te jagen naar de heiligmaking zonder welke niemand den Heere zien zal!

„Opdat ik 'Hem kenne en de kracht Zijner opstanding"

Hebben wij dan nu ten diepste de beteekenis van den tekst gepeild ? Neen, nog één vergezicht, ons hier getoond, moeten wij beschouwen.

Wie Christus kent, volmaakt is in Hem, ziet uit; moet althans de oogenblikken kennen, dat hij uitziet naar het volmaakte, naar de onafgebroken gemeenschapsgenieting met Christus, zijnen Heere ! Die genieting wordt hier te vaak onderbroken. Zonde en ongerechtigheid zijn zoo machtig. De vloek der zonde ook trekt om ons en in ons zoo machtig door. Daarom is deze bedeeling een jammerdal, een bochim. De schepping, het schepsel kreunt onder dien zondevloek. Maar in dat kreunen gaat 't onbewuste heimwee op naar een andere bedeeling. En dat heimwee is in Gods gemeente bewust geworden, en doet verlangend uitroepen : maar wij verwachten naar zijn belofte een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, op de welke gerechtigheid zal wonen.

Te vaak sluimert dat heimwee bij Gods kinderen. Maar als de opstandingskracht van Christus hen weer aangrijpt, dan waakt dat heimwee op en gaat leven het verlangen naar het genieten van het eindresultaat van Christus' opstanding.

Zij vindt immers haar heerlijkste vrucht in de wedergeboorte van hemel en aarde, in de geboortestonde van die nieuwe bedeeling, waarin God zal zijn alles in allen ! Kennen wij dat heimwee naar 's Heeren toekomst ? Is er bij ons een uitzien, een verlangen, een smeeken als bij Paulus, dat wij de kracht van Christus' opstanding zóó mogen genieten, dat wij haar volle ontplooiing mogen kennen, wanneer het zuchten dezer schepping overgaat in het juichende triomflied der nieuwe bedeeling ; als deze smartenwereld getransformeerd wordt in die nieuwe bedeeling, waarvan het staat geschreven : en God zal alle tranen afwisschen ?

Dan is er het heimwee om te kennen de kracht van Christus' opstanding als een kracht tot heerlijkmaking !

Zalig, wie dat kennen ! Zij zullen eens genieten met alle heiligen samen de kracht van Christus' verrijzenis, als zij uit deze velden des doods worden overgezet in de oorden des lichts, om straks in de zalige opstanding ten leven, in de vernieuwde en de verheerlijkte schepping, als gerechtvaardigden en 'geheiligden, en volmaakten, ten volle te smaken de zaligheid, die Hij hun verwierf. Die is de Opstanding en het Leven !

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's