Uit het kerkelijk leven.
Het Reglement op de Predikantstractementen.
De richtingskwestie en het Kerkelijk vraagstuk. VII.
In en door het Regl. op de predikantstractementen worden de rechten van de orthodoxen niet geschonden en de rechten van de modernen niet erkend noch bevestigd — de richtingskwestie staat er heelemaal buiten. Met meerderheid noch minderheid" wordt gerekend. Van orthodoxen noch van vrijzinnigen wordt gesproken, 't Is een reglement voor heel de Kerk, voor alle Herv. gemeenten en al de Herv. predikanten. En de Synode heeft met opzet de richtingskwestie er absoluut buiten gehouden. Ze heeft bij de adressen en de moties en de voorstellen van de vrijzinnigen nul op 't .rekwest gegeven. "
We beoordeelen dit nu verder niet.
We constateeren alleen een feit; en wel op grond van 't geen met de daad is voorgevallen en vastgesteld.
Ware het nu, dat het Reglement op allerlei ongereformeerde en dus voor ons onaannemelijke beginselen gebouwd was, dan zouden we moeten adviseeren om zich unaniem tegen de doorwerking van dit Reglement te verzetten. Maar we vinden het in 't minst niet verderfelijk, dat elke gemeente zorgt voor een behoorlijk tractement plus pastorie of vergoeding voor huishuur.
Zie eens, wat de Geref. Kerken doen. Wat weet daar niet elke plaatselijke Kerk veel bijeen te brengen voor Kerk en armen, voor predikant en kerkelijke beambten, voor kerkgebouw en minderbedeelden, voor weduwen en weezen.
ledere plaatselijke gemeente heeft een roeping in deze ; waarbij veel, véél meer . gedaan moet worden, dan wij. Hervormden, tot op heden hebben gedaan.
Dat nu, door den nood gedrongen, door de Synode een minimum voor .het tractement is vastgesteld, vinden we zoo erg niet.
De toestanden zijn er ook naar geweest! En 't is maar een minimum, dat werkelijk geen maximum is !
Dat als algemeene regel is vastgesteld, dat overal een predikant ƒ 2500 tractement zal hebben, benevens een woning, is toch volstrekt zoo vreeselijk niet. Daarom behoeven we geen alarm te blazen tegen het Reglement.
En dat de verhoogingen voor dienstjaren en de kindergelden en straks de pensioenen enz. gemeenschappelijk door al de Kerken geregeld gedragen en betaald worden, is ook zoo kwaad nog niet.
Het is meer dan tijd, dat de hand aan den ploeg geslagen wordt en dat saam gedaan wórdt, wat plaatselijk te moeilijk is om te volbrengen.
Ook daarom is alarm blazen volstrekt niet noodig. Integendeel, laat het „we zijn elkanders leden" maar eens wat meer uitkomen, dan behoeven arme stumperds van emeriti en predikantsweduwen en weezen misschien geen armoe meer te lijden en de kwestie van „dure dominé's" met dienstjaren en kinderen wordt heerlijk opgelost!
En ja — nu zijn er moderne gemeenten ; en er zijn moderne predikanten.
Moeten nu de rechtzinnigen gaan betalen voor de vrijzinnigen, om vrijzinnige gemeenten te helpen en vrijzinnige dominé's uit 't moeras te helpen ?
Natuurlijk is en blijft dit een moeilijk ding, voor de vrijzinnigen en voor de rechtzinnigen. Maar juist, omdat het zoowel voor den een als voor den ander een moeilijkheid is, moeten we wél onderscheiden hoe deze zaak te behandelen is.
Als de vrijzinnigen gaan zeggen : „we geven niet voor de rechtzinnigen" ; en als de orthodoxen dan zeggen : „we geven niet voor de modernen" — dan praten ze beiden glad verkeerd. Dan wordt de kwestie verkeerd gesteld.
We moeten boven het partij-gedoe uit ; we moeten ons leeren opwerken tot de hoogte van een echt kerkelijk standpunt : Hervormde gemeenten moeten elkaar helpen, om zoo de Herv. Kerk te helpen, waar zij in groote moeilijkheden verkeert.
Dat zullen de orthodoxen makkelijker kunnen doen, dan de modernen ; omdat de rechtzinnigen nieer kerkelijk bewustzijn hebben. De vrijzinnigen zijn veel te individualistisch over 't algemeen ; hebben veel meer 't oog op eigen groep, dan op de Kerk in haar geheel.
En ja — dan zijn er, ook onder de Gereformeerden, die zeggen : maar, als we allen betalen, houden we ook vrijzinnige gemeen ten 't hoofd boven water en helpen we er ook toe mee, dat vrijzinnige predikanten in hun ambt blijven.
Laat ons dan eerst eens mogen vragen : krijgen orthodoxe gemeenten en rechtzinnige dominé's dan óok niet van vrijzinnige gemeenten en van moderne genieenteleden?
Is het dus zoo erg, — als we 't nu toch in centen willen uitrekenen— dat de vrijzinnigen duizend gulden voor de orthodoxen geven en de orthodoxen duizend gulden voor de vrijzinnigen ?
Waar dan bij komt, dat als we de neuzen gaan teilen en we rekenen eens dat ieder wat betalen moet voor de Kerk, de neuzentellerij wel eens kon uitmaken, dat het aantal vrijzinnigen (onverschilligen enz. inbegrepen) veel grooter is, dan het aantal positieve belijders. Zoodat wanneer we dan toch de zaak zóó willen voorstellen, n.l. wie er het meeste betaalt — de vrijzinnigen (onverschilligen, atheïsten, materialisten enz. enz. inbegrepen) meer voor de orthodoxen zullen moeten offeren, dan de orthodoxen voor de vrijzinnigen.
We willen hier even inlasschen wat dr. Niemeyer naar aanleiding van den uitslag, van de verkiezing voor gemachtigden te Mid delburg schreef in het Weekbl. voor de Vrijz. Hervormden ; bij welke verkiezing — we maakten er reeds melding van — de vrijzinnigen van 355 tot 359 stemmen verkregen, terwijl de Confessioneelen en ethischen samen 403 tot 406 en de gereformeer den 61 stemmen op zich vereenigden.
„Het aantal stemmen, door de vier groepen te Middelburg uitgebracht" — aldus dr. Niemeyer — „is ongeveer evenredig aan de sterkte dier groepen in de geheele Kerk. Wij zullen niet zeggen, dat de verhouding precies uitkomt, maar in hoofdzaak doet zij dat toch wel. De vrijzinnigen vormen de grootste en de gereformeerden de kleinste groep. En tusschen beide in staan de confessioneelen en ethischen, van wie de confessioneelen het sterkst zijn".
Volgens dezen modernen rekenmeester — die zich ook wel eens heeft vergist in zijn leven — zijn de verhoudingen in de Kerk dus ongeveer gelijk aan de verhoudingen te Middelburg : 350 vrijzinnigen tegenover 200 confessioneelen, 100 ethischen en 60 gereformeerden ; dat is dus ongeveer 50 % vrijzinnigen, 28 % confessioneelen, 14 % ethischen en 8 % gereformeerden.
Wel niet precies — dat zegt dr. N. er nadrukkelijk bij — maar toch ongevee'r Nu is zeker niet 50 % van de gemeenten vrijzinnig ; ook niet 50 % van de predikanften. 't Zal wel wat minder zijn !
Ook kon het wel eens blijken, dat de gereformeerden hóoger komen dan 8 %.
Maar „onze" menschen zullen toch goed doen, het niet zóó zich voor te stellen, dat bijna alles gereformeerd is en er door de gereformeerden dan hier en daar een moderne gemeente en een modern dominé geholpen moet worden.
Want als er een gemeenschappelijke regeling komt, waartoe al de leden der Herv. Kerk dan zullen hebben bij te dragen, zullen er zeer zeker in de steden en in de dorpen nog heel wat vrijzinnigen zijn, die betalen moeten — of moeten bedanken en zich laten schrappen.
De voorstelling alsof alleen orthodoxen zullen betalen en vrijzinnigen er van profiteeren — is niet precies op waarheid gebaseerd. En dus óok niet, dat de vrijzinnige gemeenten straks door de orthodoxen zullen worden op de been gehouden. De massa vrijzinnigen moeten óok betalen, misschien de grootste bijdrage leveren, terwijl de meerderheid der predikantsplaatsen orthodox is.
Vandaar, dat de vrijzinnigen niet weinig benauwd zijn, dat de doorvoering van het Reglement hun het verlies van heel veel vrijzinnig-Hervormden zal bezorgen, wat natuurlijk voor de orthodoxen geen nadeel zal zijn. Dan moeten de orthodoxen alleen wat méér nog betalen straks. Wat zéér goed kan, als zij maar beter leeren verstaan, dat ze rentmeesters zijn over het goed, dat de Heere hun toebetrouwde.
Hierover lazen we een aardig stukje, ontleend aan „De Kerkbode van Zuid-Afrika". Het luidt aldus :
„De leden der Kerk moeten onder den indruk komen, dat zij Gods rentmeesters zijn, en dat van een rentmeester getrouwheid verwacht wordt. Dit beseffen de mees ten niet. Zij hebben nog nooit de Goddelijke stem tot hen persoonlijk hooren spreken :
„Uw zilver en uw goud, dat is mijne ; daartoe uwe beste kinderen". De meeste menschen beschouwen zich meester te zijn van hun goed en hun tijd en hunne krachten. Zij kunnen geven wat zij willen, gaan waar zij willen en doen wat zij willen. Doch dat is toch in den wortel ontzettend verkeerd en opstand tegen God. De groote zendeling Duff zei eens tot zijn volksgenooten : „Als ik rondom mij ^ie, dan ontstaat de vraag bij mij, of er dan niet overvloed van geld in dit land is. Ja er is ; daar is overvloed. Doch hoe weinig daarvan vindt zijn weg in de schatkist des Heeren. De reden is, dat geloovigen de waarheid en den eisch van. het rentmeesterschap nog niet begrepen hebben, dat zij namelijk van eiken stuiver, door hen ontvangen en door hen besteed, eens rekenschap zullen moeten geven, als van elk ijdel woord door hen gesproken. Totdat Gods volk dit verstaat, zullen wij niet genoeg geld hebben voor het werk des Heeren".
Het is zoo : de gedachte, dat wij rentmeesters zijn, moet zich van ons meester maken, anders, komt het nooit permanent met ons recht. Ons geven moet van een vast beginsel, en niet van willekeur of het gevoel van het oogenblik afhankelijk zijn. Wij moeten in de zaak van geven als redelijke wezens ons gedragen, en als vreemdelingen, aan wie het geld toebetrouwd is, om daarmee handeling te doen, tot dat Hij komt, die het ons gegeven heeft. Er moet een beginsel ten grondslag liggen aan ons geven. Wat is in dat beginsel opgenomen ? Daarop geeft P'aulus antwoord in 1 Kor. 16.
1. Wij moeten systematisch geven. „Op elken eersten dag der week legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg". De gemeente, in plaats van te wachten op een gloeiende rede van Paulus, als hij daar kwam, en dan onder invloed van zijne woor den ruim te geven, moest geregeld, week na week, een bedrag opbouwen, dat des Heeren was. Door zulke handeling ontwikkelen wij bij ons nadenken ; nadenken over des Heeren goedheid en trouw, en over Gods aanspraak op onze dankbaarheid. Zoo ook leeren wij zelfverloochening beoefenen, die de ziel is van het ware christelijk leven.
2. Wij moeten proportioneel geven : „Een iegelijk legge weg, naardat hij welvaren verkregen heeft". Er wordt geen vaste proportie neergelegd, een tiende b.v. Het wordt aan het geweten van elkeen overgelaten een antwoord op de vraag te geven : hoeveel zijt gij mijn Heer schuldig ?
3. Wij mogen niet van het eens toegezegde terugnemen. „Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt". Hetgeen wij aan den Heere hebben toegedacht, al weet geen mensch daarvan, is Zijne, en nemen wij daarvan voor ons, zoo ontstelen wij aan Hem.
4. Wij moeten blijmoedig geven : „Een iegelijk doe niet uit dwang ; want God heeft een blijmoedigen gever lief." Als wij ons geven naar beginselen regelen, zooals hierboven aangegeven, en dus een schat hebben, bij ons gedurig weggelegd, zoo zal 't ons geen pijn veroorzaken, als wij geven. Immers het geld is daar om uit te deelen. Dan zullen wij de waarheid van des Heeren woord inzien : „Het is zaliger te geven dan te ontvangen". (Wordt vervolgd.)
Samenstelling van de Synode.
De Synode van dit jaar zal weer samengesteld zijn uit 13 predikanten en 6 ouderlingen of oud-ouderlingen, afgevaardigd' door de Prov. Kerkbesturen en de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken. '
Gelderland zal vertegenwoordigd worden door twee predikanten (dr. van der Beke Callenfels van Warnsveld en dr. Stoel van Bemmel).
Zuid-Holland door één predikant (ds. van der Grient van Maassluis) en één ouderling (A. Sneep van Numansdorp).
Noord-Holland door één-predikant (ds. van Paassen van Haarlem) en één ouderling (G. D. Bom van Amsterdam).
Zeeland door één predikant (dr. Weyland van Veere).
• Utrecht door één predikant (ds. Bongers van Kamerik).
Friesland door één predikant (ds. Flieringa van Scharnegoutum) en éen ouderling (die voor ds. Zoete in de plaats komt ; de naam is ons nog niet bekend).'
Overijsel door één predikant (ds. de Haan van Zwolle) en één ouderling (B. Ruys van Dedemsvaart).
Groningen door twee predikanten (ds. Tammens te Zuidbroek en ds. Franke te Hoogezand).
Noord-Brabant met Limburg door één predikant (dr. Deeleman te Grevenbicht) en één ouderling (mr. Phaff te 's Hertogenbosch).
Drenthe door één predikant (ds. Scholte te Borger) en één ouderling (wiens naam ons nog niet bekend is).
De Waalsche Commissie door één predikant ( ds. Picard te Arnhem).
De twee kerkelijke hoogleeraren die met adviseerende stem zitting hebben, zijn : prof. Aalders te Groningen en prof. van Nes te Leiden.
De verhouding in de Synode zal dit jaar zijn : 12 orthodoxen tegen 7 vrijzinnigen (Groningen, Noord-Brabant met Limburg, Drenthe en de W. C.)
Onze Naam.
Wat kunnen we soms moeten worstelen om den goeden naam voor iets te vinden ! En het is toch van zoo groote beteekenis, dat we den goeden naam machtig worden, want er kan zelfs door een naam zoo groote verwarring komen.
We gebruiken niet zelden het woord orthodox en modern.
Maar wat zeggen die woorden eigenlijk ? Orthodox is de naam van hem, die met de belijdenisschriften zijner Kerk instemt.
Zoo noemde de Grieksche Kerk zich bij voorkeur orthodox, om te zweren bij de theologie van Damascenus en daarbij te blijven staan. Sedert 842 viert de Grieksche Kerk ook elk jaar op den 19den Februari „het feest der orthodoxie, "
De Protestantsche Kerken hebben nimmer zóó dien naam aanvaard.
Zelfs de Roomsche Kerk niet. Waarom niet?
Omdat zij nooit geleerd hebben, dat de Kerken zich, zonder meer, maar bij het bestaande hebben neer te leggen, om daar altijd bij te blijven.
De Gereformeerden hebben instemming met de belijdenisschriften nimmer in dien zin verstaan, dat alle vrijheid van beweging daardoor uitgesloten zou zijn en er van uitbouw en nieuwbouw der confessie geen sprake mocht wezen. Orthodoxie als zoodanig is nooit het hoogste geweest voor de Gereformeerden.
Omdat de belijdenis der Kerk, hoe hoog zij ook stond en nog staat voor de Gereformeerden, toch steeds door hen onder de Schrift wordt geacht te staan en aan de Sctirift toetsbaar en, zoo noodig, naar de Schrift veranderlijk wordt beschouwd.
De belijdenis blijft voor den Gereformeerde steeds voor herziening en uitbreiding vatbaar. En zóó kan ook nooit voor den Gereformeerde orthodoxie als zoodanig het hoogste worden geacht.
„Gereformeerd" is daarom onze naam, dien wij blijven verkiezen boven „orthodox" Maar dat legt ons ook hooge verplichtingen op. 1
Het Calvinisme.
Het Calvinisme, dat de hoogste ontwikkelingsvorm van het godsdienstig-staatkundig beginsel der 16de eeuw genoemd is (door Bakhuizen van den Brink) deed omstreeks 1559 hier te lande zijn intrede en is het geheim geweest van onze vrijmaking van Spanje. Wat het licht voor ons oog, de lucht voor onze longen is, dat is eenmaal het Calvinisme voor ons vaderland geweest; de bron zijner sterkte en van zijn bestaan, waarnaar heel het leven uitging (zooals prof. Van Vloten schreef).
Eendracht, organisatie, ijver voor de Kerk waren de drie groote voordeelen der Calvinistische partij. Daarin moesten alle andere partijen voor haar wijken. (J. C. Naber). Niemand minder dan Groen van Prinsterer getuigde : , ; De Nederlandsche Staat is door de Calvinisten gesticht."
Verschillende richtingen bij elkaar?
Ook van ethische zijde wordt nog al eens beweerd, dat het te betreuren zou zijn, wanneer de vrijzinnigen de Herv. Kerk gingen verlaten. We hebben elkaar zoo noodig, zegt men. We kunnen zooveel van elkaar leeren, beweert men, enz. enz.
Dat werd ook pas weer geschreven in de rubriek „Over de Kerk" in de „Stemmen voor Waarheid en Vrede." Daar staat dit:
»Wij betreuren hun heengaan, omdat... wij dan niets meer van hen leeren kunnen. Want als wij eerlijk zijn, zullen wij moeten toestemmen, dat de omgang met de vrijzinnigen ook voor de orthodoxen dikwi]ls tot zegen is geweest. Een louter orthodoxe Kerk loopt gevaar, in leerheiligheid te versterven en meer en meer te gaan afsnijden, wat maar in eenig op zicht van het geijkte afwijkt.« In „De Nederlander" wordt daar door den redacteur van de rubriek „Kerk-en Geestes leven" als volgt op geantwoord :
»Wat hier 'uiteengezet wordt, is een heldere wedergave van wat men zonder ophouden uit één bepaalden hoek kan hooren zeggen. Wat ook zonder critiek door velen nagesproken wordt. Zonder critiek en... blijkbaar zonder nadenken. Want wie rustig nadenkt, moet zich over het betoog toch wel uitermate verbazen.« Men bedenke dat een ethische aan het woord is.
Hij zegt Ie. : dat als rechtzinnigen en vrijzinnigen niet in één zelfde kerkverband samenwonen, zij van elkander niets meer leeren kunnen en eikaars omgang niet meer genieten.
Het is toch allerzonderlingst. Zij ontmoeten elkaar in de pers, in vereenigingen, in vergadering, in persoonlijken omgang overal. En een-ethische — als regel de Kerk toch niet de hoofdzaak acht — vergeet dit alles en acht een ontmoeting binnen hetzelfde kerkverband onmisbaar !
Hij zegt 2e. : dat de kerkelijke sfeer voor leerheiligheid en versterving behoed moet worden door den invloed der vrijzinnigen. Niet minder zonderling. Alsot vrijzinnigen niet evengoed als rechtzinnigen hun leerheiligheid en versterving en bekrompenheid kunnen beleven! Wij dachten, dat „het ethisch beginsel" deze kwade kansen overwinnen moest; vnl. zijn overtuigd, dat het hier een grootsche roeping heeft. Is het niet wonderlijk, dat een ethische het van iets totaal anders verwacht ? «
Daar we een dergelijk oordeel als van „De Nederlander" niet zonder instemming gelezen hebben, willen we het ook, zonder meer, in de kolommen van ons Bondsblad vastleggen.
»Het groote bedrog.«
In Duitschland is een boek verschenen van Friedrich Delitzsch te Berlijn, waarin gehandeld wordt over het Oude Testament en wel over de berichten van Israels intocht in Kanaan, de wetgeving en de werkzaamheid der profeten.
Friedrich Delitzsch is een bekend geleerde, die goed thuis is op het gebiedvan Oostersche talen. Uit een streng orthodoxe familie voortgekomen had hij van jongsaf een diepen eerbied voor 't Oude Testament als Gods Woord. Toen zijn wetenschappelijk denken zich ontwikkelde en zijn wetenschappelijke kennis zich vermeerderde, ontwaakten in hem allerlei bezwaren tegen de letterlijke inspiratie der Heilige Schrift en ten slotte kwam hij tot een algeheele verloochening van zijn kindsheidsgeloof.
Dat is een 15-tal jaren geleden nog gebleken uit een lezing die Friedrich Delitzsch gehouden heeft voor den Keizer over B a-b e 1 e n B ij b e 1 ; waarin hij triumfantelijk uitriep „de uitgravers (Ausgraber) van Babel zijn de doodgravers (Todtgraberj van den bijbel", doelende op de opgravingen die in babei geschied waren en die — volgens Friedrich Delitzsch —duidelijk bewezen, dat de Bijbel onzin was ; een meening, die intusschen door tal van geleerden is bestreden en juist in omgekeerden zin is naar voren gebracht. De waarheid van de Schrift werd telkens schitterend bewezen, door vondsten in het Oosten.
Dat Friedrich Delitzsch, die intusschen 70 jaar is geworden, in zijn ongeloofstheorieën helaas ! nog niet is veranderd, blijkt uit een boek nu door hem uitgegeven : Die grosze Tauschung, d. i. : H e t groote bedrog.
In dat boek worden critische beschouwin gen gegeven over het Oude Testament, bizonderlijk over de Godsopenbaring van den Sinaï, het binnendringen van Israël in Kanaan en de werkzaamheid der profeten. En wat is dan zoo ongeveer de inhoud van dit geschrift ?
We ontleenen het aan »de Hervorming«, waar de heer Van Slogteren er aan dé hand van een artikel in de Frankfurter Zeitung, geschreven door prof. Hermann Gunkel uit Giessen, er dit van zegt :
»Het blijkens de inleiding „Sine ira et studio" geschreven geschrift is volgens Gunkel een van toorn en haat overvol „strijdschrift" tegen het Oude Testament. „Met fonkelende oogen en bevende lippen roept de'schrijver, zoo luid hij maar roepen kan, de wereld in : bedrog en nog eens bedrog is het godswoord, waaraan de vromen gelooven ! De 'geschiedschrijving daarin is vol onmogelijkheden, dwaasheden, vol-ook van grove — ook bewuste — pogingen om den argèloozen lezer te bedriegen, vol van de meest heillooze tegenspraken, verontschuldigings-en verdoezelingspogingen, vol uitwassen van een echt oostersche, buitensporige, bijna ziekelijk te noemen phantasie. Zijn wet heeft tot middelpunt een eenig groot bedrog, waardoor de naam van God op grove wijze wordt misbruikt, en bevat over het geheel niets nieuws, dat een bijzondere openbaring waard is of noodig zou hebben. Zijn godsbegrip is het bekrompenste en tevens onwaardigste dat denkbaar is ; hoeveel onredelijks en afschuwelijks is in naam van dezen „Jaho" gesproken en gedaan ! Deze „Jaho" is een „afgod", een , schandgod", de „karikatuur" van een god, achterlijk, ook op zedelijk gebied, niets dan de fictie van de prophetische phantasie ! Geen grooter dwaalgeloof dan dat Israels nationale God iets met onzen „God" te doen zou hebben. Daarom : weg met het Oude Testament ! Weg er mee uit Kerk, school en huisgezin !"
Een totaal verwerpend oordeel over het Oude Testament dus.
Waarbij gelukkig te constateeren valt, dat er andere geleerden zijn, die Delitzsch om dit geschrift ten zeerste bestrijden, betoogende, dat hij absoluut niet wetenschap pelijk te werk is gegaan en — blijkens heel het geschrift — zich heeft laten leiden door zijn anti-semitische gevoelens.
Hij schijnt een Joden-hater te zijn van het ergste soort.
Het bovenbedoeld artikel van prof. Gunkel zegt er dit van :
„Zijn onwetenschappelijke vooringenomenheid toont D. door overal alleen te wijzen op wat hem minderwaardig schijnt. Zoo is b.v. de behandeling van psalmen en profeten in hooige mate gebrekkig.
Ten slotte echter wordt sterk de indruk gewekt, dat anti-semitisme aan schrijvers standpunt niet vreemd is. Want, vooral tegen het eind, brengt hij zijn toorn tegen het Oude Testament over op het volk dat het heeft voortgebracht. Dit volk, aldus Delitzsch, stond van het begin af op een zeer lagen trap van beschaving. Het staatswezen van Juda en Israël deugde heelemaal niet. Een „schandvlek" op den joodschen naam zou het zijn, dat, als Cyrus de naar Babylonië weggevoerde Joden toestaat naar hun vaderland terug te keeren, slechts een klein deel hiervan gebruik maakt; daarmee zou het Jodendom zijn „oereigen karakter" hebben geopenbaard, en zich zelf „het Kaïnsteeken van een vaderlandsloos volk" opgedrukt hebben. Met koenen gedachtensprong gaat dan D. tot het heden over' „het ligt voor de hand dat zulk een opgelegd onvaderlandslievend volk voor alle overige volkeren der aarde een vreeseljjk gevaar beteekent." „Ook het Duitsche volk zal zich bij tijden den slaap uit de oogen moeten wrijven, om in te zien dat het joodsche vraagstuk van alle problemen misschien wel datgene is, dat het dringendst een oplossing noodig heeft."
Het verblijdt ons, dat „de Hervorming' — Weekblad van den Nederlandschen Protestantenbond — bij monde van den heer Van Slogteren z'n oordeel over het geschrift saamvat op deze wijze :
„Een eenzijdig, partijdig en daardoor onwetenschappelijk boekje, dat z'n titel met recht draagt, daar het meer dan het schrift dat het wil bestrijden, zelf in ergerlijke mate een : „grosze Tauschung" is, een symptoom van dat antisemitisme, dat in duitsche hoogleeraars-en studenten leringen naar wij weten, nog maar al te welig tiert."
Hierbij kan en mag dan nog gevoegd worden het oordeel van den bekenden Oud-Testamenticus prof. dr. K. Marti, te Bern die aldus schrijft :
„Het onlangs verschenen boek van Friedrich Delitzsch „Die grosze Tauschung' heeft mij ten zeerste teleur gesteld en ik kan de publicatie daarvan slechts levendig betreuren.
Wat ik voor een groote fout van het boek houd, is de merkwaardige en opvallende miskenning van de wetenschappelijke beschouwing van het Oude Testament. Wie iets weet over het ontstaan van het Oude Testament en het werk van de Oud-Testamentische wetenschap werkelijk gevolgen heeft en kent, kan niet zoo ongegeneerd met de bronnen omspringen of zoo gedachtelóos vertalen als op blz. 114 — en kan óók niet zóó over de verovering van Kanaan oordeelen en moet een geheel anderen voorstelling van de Israëlitische propheten hebben. Slag op slag blijkt uit het boek het gemis aan een werkelijk op de hoogte zijn van de voorstelling die de wetenschappelijke theologie van de. geschiedenis en godsdienst van Israël heeft gegeven.
Mist het boek dus een vaste basis, ook de strekking er van is verkeerd en zijn polemiek tegen het jodendom op grond van het Oude Testament niet gerechtvaardigd De opsiering met antisemitische tendenzen maakt het boek heelemaal ongenietbaar. Bevordering van het tegenwoordige anti semitisme is echter niet zaak en taak van de Oud-Testamentische wetenschap. Der halve betreur ik het boek uit de meest verschillende overwegingen : het strekt nog niet eens tot verhooging van den roem van den schrijver, en dan wekt het totaal verkeerde voorstellingen van de Oud-Testamentische wetenschap."
Afschuwelijke knoeierij.
Bij tientallen tegelijk loopen de vrijzinnig-Hervormden te Utrecht weg, om zich te laten schrappen bij de Hervormden en zich te laten inschrijven bij de Walen. Intusschen loopt het met den overgang wat minder makkelijk dan men zich had voorgesteld! daar de Kerkeraad der Herv. Gemeente Utrecht niet bereid is attestaties af te geven. We kunnen dat begrijpen. Want lieten de vrijz. Hervormden zich in de Herv. gemeente maar schrappen, om dan de Walen toegang te vragen, dan handelt men correct en liep alles vlot. Maar de vrijz. Hervormden een attestatie komen vragen ; terwijl ze niet naar elders vertrekken, en met die attestatie dan naar de Waalsche Gemeente te Utrecht willen gaan, bedankt de Kerkeraad der Herv. Gemeente er vooralsnog beleefd voor, om daarbij de helpende hand te bieden ; en wel op grond van art. 14, onder No. 7 van het Regl. voor de Kerkeraden, dat zegt, dat attestaties moeten worden gegeven op aanvrage van naar elders vertrekkende lidmaten.
Die zich kennelijk van de Herv. Kerk afscheiden, door naar een andere Kerkgemeenschap over te gaan, krijgen geen atttestatie. Die moeten zich maar laten schrappen, daar waar ze wégloopen en ze moeten maar vragen toegelaten te mogen worden! daar waar ze zich bij voegen willen. Intusschen komt het-wel helder uit, tot wat positie de Waalsche Kerk is verlaagd. Want immers, het is reglementair wèl beschreven, dat tot de Waalsche Gemeenl alléén Fransch-sprekenden zullen wordt toegelaten. De Waalsche Gemeente is voor de Walen — en niet voor malcontente Hollanders, die graag er een eigen kerk je op na houden. En wat ziet men nu in Utrecht ? Dat de Waalsche Gemeente zich gaat ontpoppen als een verzameling van vrijzinnig-Hervormden, die gaarne een kerkje in de Kerk zouden willen hebben.
En als de Herv. Kerkeraad dan niet van die practijken gediend is, wordt men boos en vindt, dat die Kerkeraad z'n plicht niet doet.
Wat leven we toch in een wonderlijke wereld en wat gaan de modernen in de Herv. Kerk zich in honderd bochten wringen, om te trachten, het hoofd toch maar boven water te houden.
Waarom neemt men niet royaal afscheid van een kerkgemeenschap waar men zich thuis hoort, om zich te voegen bij gelijkgezinden, naar keus ?
Al die knoeierij is afschuwelijk!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's