De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

8 minuten leestijd

Van 's levenspad

door COR.

Afscheid van dierbare plekjes.

De zaak waar Pieter werkzaam was werd verplaatst, waarna het pand, waarin die gevestigd was, geheel veranderd en verbouwd zou worden en voor het laatst doorkruiste Pieter nog eens dat groote huis, waarin hij langen tijd vertoefde. Het maakte hem zoo droevig dat huis te moeten verlaten, want daaraan waren voor hem vele herinneringen verbonden, welke hij alle weer overdacht, nu hij voor het laatst daarin rondliep. Veel was gebeurd sinds den tijd dat hij daar voor het eerst kw^am, waaraan hij weer terugdacht, nu eens verblijd en dan weer droevig. Daar kwam hij vele jaren geleden als een, die de zonde in al haar volheid diende, om dit thans te verlaten als een, die telkens weer uitriep : „Ach , had ik mij nimmer tot al dat kwade gewend." Daar kwam hij, wijl zij zijne vrienden waren, die het meest de wereld dienden, om dit nu te verlaten als een die door genade mocht zeggen, dat 's Heeren volk zijne vrienden waren, zij wier hart met verlangen en begeerte naar hun Schepper uitging. Daar kwam hij als een wereldzoeker en Godshater, om dit nu te verlaten als een wereldhater en Godzoeker. Vele jaren geleden kwam hij daar voor het eerst en nu moest hij het voor altijd verlaten, doch in dien tijd was zooveel gebeurd, waar menig plekje hem daar aan herinnerde. Daar werd zooveel strijd gestreden, daar werden zooveel tranen geschreid, daar werden zooveel zuchten geslaakt ; maar ook werd hij daar menigmaal vertroost en bemoedigd, als hij zich in stille, verborgen hoekjes neerboog, uitroepende : „Van deze plaats, Heere, waar ik eertijds de zonde diende, nader ik nu met mijn smeeken tot U." Op de plekjes waar hij eertijds de zonde diende, werd hij nu vaak bemoedigd en vertroost als alles donker en bang was voor hem, want daar herdacht hij dan de wondere ontferming des Heeren, die hem deed inzien op welk een zondigen weg hij zich bevond. Dan gedacht hij wat de Heere hem, den zondedienaar van weleer, deed ; durfde hij weer met vrijmoedigheid den Heere aanroepen, zich vastklemmende aan Zijn onfeilbaar Woord.

Het huis met zoovele plekjes, waaraan droevige, maar ook vreugdevolle herinneringen verbonden, moest hij nu verlaten en dat viel hem zoo zwaar. Van een wereldzoeker was hij een Godzoeker geworden in den tijd, welken hij daar vertoefde en zoo gaarne zou hij daar den Heere gevonden hebben, in het huis met al die herinneringen ook nog ervaren dat de Heere tot zijne ziel kwam spreken, dat Hij haar liefhad met een eeuwige liefde, dat zij de Zijne was. ,

Hoe zwaar het scheiden hem echter ook viel, toch bleef hem nog een troost over, namelijk, dat hij niet alleen behoefde te vertrekken, dat de Heere, Die hem den daar doorgebrachten tijd gadesloeg, hem niet alleen zou laten gaan.

De gedachte dat de Heere, Wiens oogen de gansche aarde doorloopen. Die aan alle plaatsen is, met hem zou mede optrekken, was hem tot bemoediging, want ook in hét huis waar hij nu heen ging kon Hij betoonen Dezelfde te zijn, hem doen ervaren ook daar in ontferming en genade op hem neder te zien.

Nog eenmaal wilde hij daar het aangezicht des Heeren zoeken en hij ging naar het plekje vanwaar hij vaak den Heere had aangeroepen, om voor het laatst van daar tot Hem te naderen. In de stille eenzaamheid boog hij zich neer, begon zijn hart voor den Heere uit te storten eerst droevig Hem vertellende hoe zwaar het hem viel vandaar te moeten gaan, doch zijn klagen veranderde spoedig in een juichtoon, een danktoon, toen hij den Heere smeekte met hem op te trekken, want hij bedacht weer het groote wonder dat de Heere naar hem omzag. Een danktoon steeg op uit zijn ziel, dat de Heere Zijn hand nog niet had afgetrokken, hem nog niet aanzichzelf had over gelaten en voor eeuwig doen omkomen. Een danktoon dat de Heere hem niet liet voortgaan op zijn zondig pad, doch leerde vragen en zoeken naar Hem en Zijn dienst. Een danktoon dat hij, die dit huis betrad als een vloeker, het als een bidder mocht verlaten.

Voor-hij heenging verhief hij voor het laatst zijne stem in het huis, waar lang geleden zijne Godslasteringen weerklonken ; geen klaagzang was het echter, die gehoord werd, neen, een jubelklank, een lofzang werd vernomen, want hij zong : '

Prijs den Heer' met blijde galmen, Gij, mijn ziel, hebt rijke stof, 'k Zal zoolang ik leef mijn psalmen, Vroolijk wijden aan Zijn lof ; 'k Zal zoolang ik 't licht geniet. Hem verhoogen in mijn lied.

Daarna' ging hij heen en terwijl hij de deur achter zich sloot, kwam het verlangen in hem op, daar één ding te kunnen achterlaten, namelijk zijn zondige hart, dat hem gedurig weer tot het kwade wilde verleiden. Zijn met zondige lusten en begeerten vervulde hart in het oude huis achter te laten, om het nieuwe te betrekken met een nieuw hart, waarin van oogenblik tot oogenblik de begeerte werd gevonden, dicht bij den Heere te verkeeren. Zijn lof gedurig te vertellen.

Kent gij ook de plekjes, waaraan voor u vele en dierbare herinneringen zijn verbonden, waar de Heere tot u kwam, u staande houdende op den breeden zondenweg, u een oog gaf om de zware schuld te zien tegen Hem bedreven ? Die plekjes kunnen, hoewel zij steeds weer smartelijke herinneringen opwekken, zoo vaak tot troost en bemoediging zijn, want daar wordt alles steeds weer overdacht. Op die plekjes kunt gij voor den Heere nederbuigende, weer herdenken alles wat Hij deed, hoe Hij tot u kwam. toen gij leefdet in de genietingen der zonde, slechts vragende naar wat de wereld bood. Die plekjes kunnen u weer moed geven om voort te gaan op 's levens pad, als alles donker en bang is, als satan u komt vertellen dat uw zonden te veel en te groot zijn, als die u tot wanhoop wil brengen, door u in te fluisteren dat het voor u te laat is, dat de Heere niet meer naar uw smeeken en zuchten zal luisteren, dat gij hem eeuwig zult toebehooren. Die plekjes geven dan weer hoop en verwachting, wanneer gij kunt herdenken dat de Heere daar naar u heeft omgezien, dat Hij u, die nooit naar Hem gevraagd of gezocht zou hebben, kwam opzoeken. Op die plekjes kunt gij dan weer het oog omhoog slaan, u vastklemmende aan wat de Heere deed, wetende, dat Hij nooit het werk Zijner handen laat varen.

Weet gij bij ervaring hoe moeilijk het is voor altoos van die plekjes te moeten scheiden ? Laat dan nochtans de moed u niet ontzinken, want de Heere is aan geen tijd of plaats gebonden, overal kan Hij u gadeslaan. Hoewel het kan zijn dat gij de plekjes moet verlaten waar de Heere u opzocht, toen gij in de zonden leefdet, de herinnering alleen kan u vertroosten, die kan u moed geven tot voortgaan op 's levens pad als de strijd bang en zwaar is, want immers, al kunt gij die plekjes niet meer opzoeken, nooit zult gij die meer kunnrn vergeten, tot het einde van 's levenspad zal de herinnering u bijblijven, dat de Heere daar naar u kwam omzien, dat Hij u ontdekte aan uw zonden en schuld.

Hoe dierbaar die plekjes echter ook zijn hoeveel zoete herinneringen daaraan verbonden, bedenk, dat gij er nimmer grond voor de eeuwigheid van moogt maken. Blijf daarbij niet rusten, want dan zou het kunnen zijn, dat gij straks bedrogen uitkwaamt. Christus Jezus alléén is de grond de Rots waarop gij kunt bouwen, alleen Hem bezittende zult gij straks kunnen sterven. Rust dan ook niet, voor gij Hem gevonden hebt, voor gij weet dat Hij de schuld, welke gij gemaakt hebt en waaraan de Heere u kwam ontdekken, heeft betaald, dat Hij de straf droeg, welke gij waardig waart te ontvangen.

Gij echter, die nog voortleeft, die nog met volle teugen geniet van de zonde, mocht de Heere ook uw oogen openen, opdat ook u van een wereldzoeker en Godshater een wereldhater en Godszoeker wordt, dat ook gij de plekjes leert kennen en liefhebben, waar de Heere u opzocht. Vol droefheid en smart zult gij dan gedurig terugdenken aan het daar bedreven kwaad, maar ook zult gij  weer daar voor den Heere nederknielen, in verwondering wegzinkende, dat Hij naar zulk een diep onwaardige, omzag, met de bede of Hij Zijn werk niet wil laten varen doch voortzetten, u voerende tot den Borg en Middelaar, Christus Jezus, om uit Zijn mond te hooren, dat Hij uw schuld betaalde, uw straf droeg, opdat ook gij eeuwig bij Hem zoudt zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's