De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

»En de Heere zeide : sta op, zalf hem ; want deze is het.« 1 Samuel 16 vers 12.

DAVID, DE MAN NAAR GODS HART.

Als de apostel Paulus op zijn eerste Zendingsreis te Antiochië in Pisidie, In de synagoge een overzicht geeft van verschillende feiten uit Israëls historie, dan zegt hij in een aanhaling van Psalm 89 : »Ik (n.l. God) heb gevonden David, den zoon van Isaï, een man naar mijn hart, die al mijnen wil zal doen.«

Dat is een kostelijk getuigenis. Waaruit blijkt, dat hij een plaats had gekregen in de gedachten Gods, in de eeuwige vredegedachten, die de Heere heeft over Zijn kinderen. En zoo deelde hij in de liefde Gods. Werd hij omringd door de zegeningen Gods. En was zijn hart bij tijden vervuld van oprechte wederliefde tot God.

Deze David, de man naar Gods hart, is echter ook een type van den Heere Jezus, die in bijzonderen zin Vaders hart had en in Vaders liefde deelde en als Zijn geliefde Zoon in het welbehagen des Heeren zich mocht verheugen.

Waar was teederder liefdeband denkbaar dan tusschen die Beiden ?

Hoe vaak is ons dat geopenbaard in het Nieuwe Testament (aan den Jordaan bij den Doop, op den berg der verheerlijking, enz.) en hoe heerlijk klinkt het dan altijd uit Vaders mond : »Deze is mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik mijn welbehagen heb !«

Jezus Christus, de Verlosser Zijns volks, de Beminde des Vaders, Gods Jedidja ; en toch — overgegeven voor de zonden Zijner Kerk, en geschonken als offer der eeuwige liefde aan Zijn duurgekochte Gemeente.

En wat nu het heerlijkste is van alles ?

Wat waar was van David, wat in hooger zin waar is van den Christus Gods, dat is om Zijnentwil nog altijd waar van al het volk des Heeren, dat als „één eenig man naar Gods hart", deelt in het welbe­hagen des Heeren, deelt in de liefde Gods, deelt in de zegeningen van den Almachtige en leeft ter eere van den Naam des Heeren.

Paulus was een uitverkoren vat, Mozes werd wonderlijk bewaard, gered en geleid, Jozef van den Heere bemind en verhoogd, en al 's Heeren volk met de heiligen van den ouden en nieuwen dag, het is een gemeente ten eeuwigen leven verkoren, door liefdetrekking getrokken, door liefdebanden gebonden, door liefdestem geroepen, door lieïdeleiding vertroost.

Kinderen naar Gods hart. Ondanks alles, toch kinderen Gods, beminden des Vaders.

En sla nu hun levensboek maar eens op. Elke bladzijde zal u daarvan spreken. In heel hun leven vindt ge bevestiging van dat ééne, dat bij alles de hoofdzaak is.

Het begint al bij de roeping. Ook bij David.

Samuel kon het maar niet overgeven. Hoe treurde zijn ziel over Sauls zonde en verwerping ; hoewel hij alles wist van het zondig overtreden en het rechtvaardig gericht ; hij kan hem niet loslaten. Maar dan komt de Heere tusschenbeide !  >Hoe lang draagt gij leed over Saul, dien Ik toch verworpen heb ? « »Vul uwen hoorn met olie en ga henen ! Want Ik heb Mij een koning uitgezien.«

Dat zijn groote woorden en groote zaken. In Gods heiligen mond ontzettende woorden, en uitspraak van den hoogsten ernst, de diepste waarheid, een onveranderlijke werkelijkheid.

Dien Ik verworpen heb ! Dien Ik heb uitgezien 1

Kunt ge in die twee woorden niet samenvatten de geschiedenis van het gansche menschelijk geslacht, en valt naar de onverbreekbare eeuwigheidsgedachten Gods straks niet deze menschheid in tweeën uiteen ?

Levensgeschiedenissen van koningen en onderdanen, rijksgrooten en eenvoudigen in één woord gegrepen. Tot een val of tot een opstanding, tot vernedering of tot verhooging. De Sauls en de Davids, ze leven dooreen, als een gemengde menschenmassa, maar God weet het, Hij alleen, wie en wat zij zijn, of ze geroepen zijn, en hoe hun leven en einde is.

Nog sterker, in denzelfden familiekring staan ze op rij naast elkaar, de hooge staturen in aanzien en eeré, en de nederige gestalten, van de menschen verworpen, maar uitverkoren en dierbaar bij God.

En van de laatsten geldt het op Gods tijd : »Zalf ze«, want zij ontvangen de zalving der heiligen, de zalving des Geestes, zij worden uit het volk verhoogd, en hoewel arm naar de wereld, eenvoudig van afkomst bij de wereld niet geacht, nochtans zij deelen in de gunste des Heeren en worden op Zijn tijd verheerlijkt.

De man naar Gods harte. Hij is ook de man naar Gods keuze.

Zalig als de Inwendige roeping Gods valt in een zondaarshart, en de mensch gewaar wordt dat de liefde Gods voor hem is, en de genadegifte Gods tot zijn zaligheid !

Werkt die roeping geen blijdschap in de ziel ? Maakt Gods ontferming dan niet klein en ontsteekt deze Godsstem in het hart geen liefde, ijver en verheerlijking?

Zoo worden ze, soms al jong, geleerd en geleid, getroost en gesterkt, en in Gods onberouwelijke roeping tot zaligheid vinden zij grooten vrede.

En voeg daarbij dat die zalving Gods er eene is die bekwaam maakt om den Heere te dienen. — Bedenk hoe hij hen maakt tot koningen, profeten en priesters, die Zijn lof verkondigen. Zijn Naam ten prijs zich geven tot een levend dankoffer van eere en verheerlijking en Hem dienen ootmoedig en eerbiedig. En gij blikt in het zalige liefdeleven van Gods gunstgenooten, dat al meer zich gewent aan Gods ordinantiën, en »al Zijnen wil« leert doen van harte gaarne.

Zalig de man naar Gods hart, om de eeuwige liefde Gods verheerlijkt aan de ziel

Zalig zijn ze, die geroepen zijn tot de gemeenschap Gods en Zijnen Christus, en die in Zijn dienst vinden lust, troost en vrede. Gezalfden Gods om Zijn Naam te vermelden.

Maar nu gaan wij nog verder I

Als David geroepen en gezalfd is, staat hij aan het begin van een nieuw leven. De overgang is er nog slechts, en wat zal vervolg en einde zijn ?

God de Heere brengt al Zijn beminden en geroepenen ook in Z ij n weg. En die weg is een eigen weg voor allen, voor ieder afzonderlijk een bijzondere weg. 

De weg naar Zijn koningschap leidt door de diepte van vernedering en vervolging, smaad en hoon ; en zoo is het met al de Zijnen ; door de versmading bij de wereld zoeken ze heil bij God alleen.

Is Christus' leven anders geweest ? Was het Zijne niet ééne lange vernedering, van kribbe tot kruis ?

En wat aan het groene hout geschied is, zal dat ook aan het dorre niet geschieden ? Anders kan het nooit.

Wie Zijn kruis niet opneemt en Hem volgt kan Zijn discipel niet zijn. Maar daarom zijn die kruisen ook zoo noodig, leerrijk, nuttig en zalig.

De praktijk der godzaligheid, geleerd in in den weg der verdrukking, doet hen Christus dierbaar achten, en Zijn weldaden in Gods gunst genieten.

Uit de zegeningen Gods leven zij bij den dag en zij het ook vluchtend voor Saul als de gezalfde David, in al die wegen wordt ervaren dat de Heere een hoog Vertrek is ten tijde der benauwdheid. Hoe werden zij toen Zijn hulp gewaar, - in tijden van druk en vervolging 1

Welk een nauw leven met den Heere mochten zij leiden, toen de nood op het hoogst was !

En wanneer werden de schoonste psalmen beter verstaan en gezongen dan toen 's Heeren weg donker was en leidde door de duisternis tot het licht.

Uitverkorenen en beminden zijn ze, als David, de man naar Gods hart.

Geroepen heiligen, door een keuze Gods ten zegen voor hun ziel, en met een roeping Gods tot troost voor hun hart.

Maar daarbij en daardoor dan ook voortgeleide zielen op 's levens weg, die in al Gods leidingen de bewijzen van Zijn eeuwige trouw en onwankelbare liefde mochten zien.

Neen, die wegen Gods kunnen uit het leven van Gods kinderen niet genlist worden.

Gods wegen maken het leven zoo rijk, het hart zoo wijs en gezegend, Gods wegen zijn het, waaroor zij op natuurlijk gebied en bij geestelijke ervaring den Heere als den eenig Onmisbaren Zegenaar leeren kennen in hun leven.

Zijn ze zuurheid, zijn ze zoetheid, altijd zijn ze goed. Noodzakelijke voorbereiding voor de eeuwigheid en zalige zielsvertroosting in dit leven !

Die wegen leiden alle tot de koningskroon en - troon, en hetzij na korter, hetzij na langer tijdsduur, eenmaal beërven zij dat Koninkrijk, waarop alle wegen van al Gods kinderen samenloopen, waarin zij samenkomen.

Staande op de kruispunten, roepen zij elkaar toe : »houd moed, godvruchte schaar !«

Genaderd tot het einde vertroosten zij elkaar met den blijden uitroep: »den strijd gestreden, den loop geëindigd, het geloof behouden, de kroon ontvangen.«

Van vertroosting en verrassingen leggen ze getuigenis af, aan ontmoeting en ervaring zijn ze rijk, van goedertierenheid en recht spreken ze dag bij dag.

De Sauls gaan in-hun weg, naar hun einde.

Maar de uitverkoren, geroepen en geleide Davids langs den weg huns Gods tot de plaats Zijner eeuwige verheerlijking.

Daarom moet ons laatste zijn, vanzelf, David de man geroepen door Gods keuze, geleid in Gods weg, ook gebracht tot Zijne verheerlijking.

Zijn leven van omzwerving na zijn roeping eindigt straks in de verheffing boven al zijne broeders. Want de Heere had lust aan dezen knecht Gods.

Wij willen er later meer van zien in deze stichtelijke overdenkingen als het Gode belieft. Maar bi] de inleiding zij er op gewezen, dat het einde de kroon zette op het werk, of liever, dat de Heere ook hier Zijn eigen werk heerlijk gekroond heeft.

Toen zongen zij : »Saul heeft zijn duizenden, maar David heeft ^ijn tienduizenden verslagen.«

En gelijk de betere David, na een diepen weg van vernedering uitermate verhoogd is en Hem een naam is gegeven boven allen Naam, zoo zal ook 's Heeren Kerk eenmaal deelen in de glorie van den Zone Gods.

Dan zal Hij hun recht uitvoeren, en hun tegenstanders verpletteren ; dan Zijn volk verzamelen en hun deel zal zijn met de gezaligden hierboven.

Zalig toch dat volk dat het geklank kent. Met Hem zullen zij triompheeren, omdat zij door Hem verkoren zijn. In Hem zullen zij zich al den dag verblijden, als die door Hem geroepen zijn.

Tot Hem zal hun lofstem uitgaan om te zingen van de wegen waarin Hij hert geleid heeft. Daarom vegen zij nog wel een traan der stille hope weg in het land der vreemdelingschap, en zingen ze nog wel eens een lied in den nacht van eenzaamheid en donkerheid.

Het komt wel goed, al is het vaak bange. De uitkomst kan niet falen. Eenmaal zal de Heere Zelf zeggen : »dit is de man of de vrouw tot wiens (wier) eere de Koning lust had.«

En daarboven zullen ze blinken als de starren, die hier de verschijning van Christus lief hadden.

O, wat wisselen de rollen dan ! De Sauls storten van den top van eer in eeuwige verwoesting neer, maar de verdrukte Davids zingen *»maar 't is mij goed, mijn zalig lot, nabij te wezen bij mijn God.«

Volk van God, uw weg is van den Heere, en uw wandel zij daarom in de vreeze Zijns Naams.

Hij is de Rotssteen uwer sterkte, uw deel tot in eeuwigheid. Eenmaal zult gij verstaan : »Gij toch. Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht« en steekt gij het hoofd omhoog om eeuwig de eerekroon te dragen.

Onderzoeke een iegelijk dan zichzelf of hij of zij alreeds die zalving Gods deelachtig is. Wat in Gods hart is, dat is ons onbekend. Wat uw weg is, veelszins blijft het verborgen. Wat uw einde is, wie zal het vermogen uit te spreken ?

Maar van uw begin moet gij wetenschap hebben. Uw roeping moet u duidelijk zijn, Gods stem moet hebben geklonken tot en in uw ziel, door Zijn Woord, onder Zijn Woord, in Zijn Woord I

Zijt gij een geroepene ? Van uw jeugd af misschien zachtkens en toch zeker en zalig geleid ?

Of plotseling en onverwachts, met krachtigen Gods-arm omkneld en onweerstaanbare hand gegrepen ?

't Is zoo verschillend. Maar onzeker is het nooit, als het van den Heere is.

En het leven zal het wel uitwijzen, of uw beginsel uit Hem is.

Want hier gaan ze uiteen, op den breeden of op den smallen weg : de grooten, rijken, onverschilligen en roekeloozen ter eener zijde — de armen, en kleine zielen, zeer bemind en zalig getroost ter andere zijde.

Zoekt den Heere en leeft I

Hij zal u leiden aan stille wateren en in grazige weiden.

En hoe de vijand ook aanblaze, in God kan uw ziel stille zijn, gesterkt door de genade uws Gods. Zóó, dat gij zingt:

Dan zingen wij in God verblijd Aan Hem gewijd. Van 's Heeren wegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's