Uit het kerkelijk leven.
Reglement op de Predikantstractementen.
De richtingskwestie en het kerkelijk vraagstuk. IX. (Slot).
Natuurlijk is er èn in de Synode èn buiten dat „hoogste wetgevende" lichaam veel over deze 'kwestie gesproken en is de vraag herhaalde malen gedaan : heeft de Synode het recht om in de zaken van het beheer in te grijpen?
Gewoonlijk is dan geantwoord, en wij gaan daarmee accoord : de Synode heeft een bestuurs-reglement gegeven om den predikanten een behoorlijk tractement te verzekeren ; 't welk de Synode heeft gedaan, omdat in deze zaak groote achterstand was en allernoodzakelijkst moest worden ingegrepen. Er heerschte armoe en gebrek in menige pastorie en het aantal vacaturen neemt sterk toe, terwijl het aantal theol. studenten slinkt.
De Synode heeft het niet voor haar pleizier gedaan. De Synode heeft het niet gedaan om Kerkvoogd te gaan spelen. Maar de Synode — de Classicale Vergaderingen en Prov, Kerkbesturen daarin begrepen — heeft het gedaan, omdat het moest. En zij heeft den weg aangewezen, om aan de middelen te komen.
Vrijwillig, b.v. door het fonds „Aappakken" is het niet gegaan.
Dan moest het gedwongen.
En door een bestuurs-reglement is nu aan de Kerkeraden voorgeschreven, hoe ze hebben te handelen bij de regeling van het minimum-tractement en het vaststellen van den ligger. Waarbij, omdat de Kerkeraad geen bezittingen heeft, en de Kerkvoogdij het lichaam is, dat over de kerkelijke goederen gaat en voor inkomsten en uitgaven zorgt, — waarbij aan de Kerkvoogden gevraagd wordt met het bestuur mee te werken, opdat, zuiver en alleen voor de predikantstractementen, behoorlijk gezorgd kan worden.
Het Beheer moet dus de zaken niet overdragen aan het Bestuur.
Maar g e v r a agd wordt aan het Beheer met het Bestuur te willen meewerken, door een bijdrage naar draagkracht, om de predikantstractementen op peil te brengen.
Het gezag der beheerscolleges is dus bij de regeling van deze allergewichtigste aangelegenheid wel erkend en voldoende verzekerd.
Het is alleen een kwestie van sa m e n-werking van Beheer en Bestuur, waarbij het Beheer vrij blijft inzake het vinden van de middelen, die tot de uitvoering van het reglement noodig zijn.
Door deze regeling heeft het reglement veel gewonnen in vergelijking met 't eerste ontwerp.
Of de Synode dan het Beheer dwingen kan.
Neen ! natuurlijk niet
En de kerkvoogden zijn ook volkomen vrij, om de vragen niet in te vullen. Ook van geen verklaring te teekenen, dat zij zullen instaan voor de bijdrage die gevraagd zal worden, hoewel wij het zeer zouden betreuren indien hier het Beheer — in een zaak die zoo allernoodzakelijkst geregeld moet worden — niet de helpende hand zou willen bieden aan den kerkeraad.
Als de kerkvoogden in de regeling van de predikantstractementen anders willen dan de kerkeraad, hebben zij dit tot nu toe a 1-t ij d nog kunnen doen. Ze hebben betrekkelijk altijd, zooveel ze wilden, kunnen tegenhouden inzake de financiëele regeling, die de kerkeraad zoo gaarne wilde maken. En de kerkeraad stond dan steeds machteloos. En dat zal nu nóg zoo zijn. Daarin is niets veranderd.
Willen de kerkvoogden de vragen dus niet beantwoorden en willen ze niet meewerken in deze kwestie, waarvoor hun medewerking gevraagd wordt (over andere kwesties gaat het nu niet), dan kan niemand hen dwingen. De Synode, het Provinciaal Kerkbestuur, het Class. Bestuur, noch de kerkeraad.
We hebben al zoolang een ongelukkige verhouding gehad inzake Beheer en Bestuur — dat zal nóg wel een poosje zoo blijven.
Maar dan wordt de kerkeraad, dan wordt de Gemeente er nu de dupe van !
Want in geval van vacature zullen de Bestuurscolleges de handopening weigeren en de gevolgen zullen voor de Gemeente zijn.
Hoe wij dus de dingen in deze zien ? Voor een lief ding wilden we, dat door de offervaardigheid der Gemeente het Reglement op de Predikantstractementen niet noodig was geweest '•
't Is en blijft een schande — zoo lang het er is !
Voor een lief ding wilden we, dat er een andere en betere regeling was tusschen beheer en bestuur in onze Herv. Kerk.
Een gereformeerd mensch kan er nooit vrede mee hebben, dat de zaken zijn zooals ze zijn.
Maar nu 't Reglement op de Predikantstractementen er is en spoedig, héél spoedig naar we hopen, door een regeling van de pensioenen gevolgd zal worden — en nu de regeling van beheer en bestuur is zooals deze is, hebben we te erkennen, dat de Synode het zoo voorzichtig mogelijk gedaan heeft en hopen wij, dat alle kerkvoogden zoo spoedig mogelijk zullen verklaren, dat zij gaarne zullen meewerken, dat het Reglement tot uitvoering kan worden gebracht.
Daarin en daarbij verklaart dan geen enkele kerkvoogdij, dat de Synode ook maar e e n i g recht zou hebben tot regeling van het beheer!
Wil men, veiligheidshalve, deze verklaring bij de bereidverklaring, om tot de uitvoering van dit Reglement te willen meewerken, voegen — dan kan men dat doen.
Want als men zich bereid verklaart om te willen meewerken tot uitvoering van d i t Reglement, dan draagt men ingeenen deele het beheer over aan het bestuur; noch verklaart men dan met de daad, dat de Synode recht heeft tot regeling van het beheer.
Men verklaart alleen, — wat de kerkvoogden met elk beroep trouwens nu óók reeds verklaren, — dat men het beroepen op een behoorlijk tractement in onze Herv. Kerk mogelijk wil maken.
Als wij kerkvoogd waren, zouden we dan ook volstrekt geen bezwaar hebben om tot uiting te laten komen, dat beheer en bestuur willen sa m e n w e r k e n en dat het beheer gaarne wil beloven, alles te zullen doen, opdat de dominé's met hun gezin geen armoe behoeven te lijden en de emeriti straks een behoorlijk pensioen zullen hebben en de weduwen en weezen op een fatsoenlijke verzorging kunnen rekenen.
Moet het geld en het goed van de doode menschen niet allereerst daarvoor gebruikt worden ? Is dat in strijd met Gods Woord ?
Misschien is het in strijd met Gods Woord, dat menige Kerk zooveel geld en goed heeft. Dat kon wel eens tégen zoo'n Gemeente getuigen.
En misschien is het dan ook in strijd met Gods Woord, de wijze waarop zoo menige kerkvoogdij de goederen der Kerk beheert.
Maar dat het in strijd is met Gods Woord om het geld van doode menschen en het geld van de levende menschen — en dat laatste, niet het minst! — te gaan gebruiken voor de verzorging van predikantsgezinnen, oude dominé's en predikantsweduwen en - weezen, dat kunnen we met den besten wil van de wereld niet inzien.
En vooral onze Gereformeerde kerkvoogden moeten in deze torenhoog uitsteken boven de anderen !
Of neen — dat zeggen we weer glad verkeerd. Dat „torenhoog uitsteken boven anderen" nemen we terug. Dat past in ons mileu niet.
Maar laten Gereformeerde kerkvoogden dan maar toonen, dat zij niet de minsten willen zijn onder degenen die, met handhaving van eigen rechten, alles willen doen, om het Reglement te doen welslagen."
Dan worden ook de kerkeraden, dan worden ook de Gemeenten straks n i e t de dupe er van.
Of wij dan de regeling willen houden, zoo als deze nu is voorgeschreven in het Reglement ?
Heelemaal niet! We zeiden het reeds, het liefst zien we héél dit Reglement spoedig weer verdwijnen. Als alles flink geregeld is. Eerder niet. Maar dan ook zoo spoedig m o g e 1 ij k.
Ook hadden wij liever inplaats van den Raad van Beheer, een andere bestuursregeiing gezien; en wel classicaal, provinciaal, enz. Dat had meer in de kerkelijke lijn gelegen en zou waarschijnlijk niet minder goed werken en althans veel goedkooper zijn. Anderen, wijzer dan wij, zeggen intusschen, dat dit niet kan, daar er veel te veel aan vast zit. Wat wel mogelijk is. Maar waarbij we toch blijven vragen : laat het dan althans zoo spoedig het kan veranderd worden.
En of we dan de richtingskwestie niet uit het oog verliezen, als we zeggen, dat alle kerkvoogden, ook onze Gereformeerde kerkvoogden, behooren mee te werken ?
Natuurlijk niet! Dat hebben we immers nu al zoo dikwijls gezegd, dat die richtingskwestie er i s. En we willen daar onze volle aandacht aan schenken en blijven schenken. Maar het Reglement op de predikantstractementen heeft die richtingskwestie niet gemaakt En het Reglement op de predikantstractementen komt ook in die richtingskwestie niet de minste wijzlging brengen.
Het Reglement op de predikanfstractementen komt evenwel aan onze portemonnaie. We moeten betalen. In het belang van de Herv. gemeenten en de Herv. dominé's. Honderd jaar en langer hebben we met elkaar verkeerd. En een oplossing, van het kerkelijk probleem is nog niet gevonden. Nu moeten er financiëele, betrekkelijk kleine, offers gebracht worden. Omdat de nood hoog, zéér hoog is geklommen. Overal. In al de gemeenten, door heel het land. En zullen we nu die kleine, financiëele offers niet brengen —omdat het kerkelijk vraagstuk nog niet opgelost is ? Omdat nog bij elkaar wonen, die nu honderd jaar en langer saam verkeerd hebben in één Kerkgemeenschap ? Zullen we nu de Synode de schuld geven van alles en zelf revolutie prediken ?
Laat ons dat niet doen, want het zou hoogst onlogisch zijn; onrechtvaardig ; niet zonder gebrek aan overschatting van ons zelf — terwijl de groote zaak waarom het gaat er niet door zou zijn gebaat, maar wel er door zou worden geschaad.
We kunnen wel zeggen : de Synode had alle modernen en alle ethischen — en wie nog meer ? — al lang uit de Kerk moeten zetten.
Maar als we even nadenken, zullen we dat ook weer terugnemen, omdat het toch eigenlijk te dwaas is om kalm gezegd te kunnen worden.
De Herv. Gemeenten, de Herv. kerkeraden moeten zich hier eens ernstig beraden. Door héél het samenstel van de reglementen is het geknoei inzake de belijdenis in de hand gewerkt. De Classicale vergaderingen zijn zóó ingericht, dat de mond der Kerk tamelijk wel gesloten is en waar ze nog geopend kón worden, heeft de Kerk — hebben de plaatselijke Kerken — gezwegen. Ook was de Synode zóó ingericht dat zij geen vertegenwoordiging van de Kerk was en op de maat die de slinger van de klok aangeeft, heeft zij met 10 tegen 9 en met 9 tegen 10, steeds alles gelaten zooals het was : de Herv. Kerk = de Geref. Kerk = een gereglementeerd Genootschap, van elk wat wils. Die-krachttoer heeft ze verricht. Dan eens naar dezen kant dan weer naar den anderen kant 'n weinig overhellend, maar steeds zóó, dat zij ja en neen tegelijk zei. Waarbij de Herv. Kerk met reuzenschreden is achteruit gegaan en haar invloed voor een groot deel heeft verloren op het volksleven ; terwijl er rechts en links zich velen hebben losgemaakt van haar.
Wat zullen we nu doen? Er den brand in steken ? Laten uiteenspringen ? Revolutie prediken — nu het aan onze portemonnaie komt ? .
Laten we dat niet doen !
Maar laat het kerkelijk vraagstuk nu door alle partijen tegelijk onder de oogen gezien worden, om saam te zoeken naar een aannemelijke oplossing.
Want wij, Gereformeerden, zijn niet het één en het al in de Herv. Kerk. We kunnen dat wel denken en het onszelf en anderen wijs maken, maar dan zal de werkelijkheid ons wel ontnuchteren. En daarom moet een sfeer geschapen worden, dat we saam ons tot de oplossing van het kerkelijk vraagstuk kunnen gaan zetten.
Niet vlak vóór dien tijd den boel in brand steken of in de lucht laten springen. Dat kan tenslotte ieder nog wel, den boel stuk slaan.
Maar een probleem oplossen.; het kerkelijk vraagstuk tot een goed einde brengen — dat hebben we noodig. En dat is ieders werk niet. Dat gebeurt ook niet met één hand omdraaien.
Wij meenen dat daarvoor eerst een sfeer geschapen moet worden.
We moeten eerst een grootere Synode hebben, die meer is de vertegenwoordiging van de Kerk ; waar de Kerk zich kan uitspreken, gerugsteund door de Classicale vergaderingen.
Veel ander werk, rechtspraak enz. kan dan door een ander college worden gedaan, maar de Synode van 45 kan over de kerkelijke aangelegenheden spreken, uitgaande van het historisch gegevene : n.l. de kerkelijke belijdenis, zooals die vertolkt is in onze belijdenisschriften, de Ned. Geloofsbelijdenis, den Heidelb. Catechismus en de Vijf leerregels van Dordt.
Dat is het historisch gegevene. Dat is de wettige, kerkelijke confessie.
Dat moet uitgangspunt en grondslag zijn van alle plannen.
En natuurlijk zal dan niet bij elkaar kunnen en willen blijven, dat nu vereenigd is tegen wet en regel in.
Maar daar moet dan maar eerlijk over gesproken worden. Zóó kan de Geref. Kerk van Nederland weer vrij komen staan op de haar van God gegeven fundamenteele Waarheld, waarmee de eere Gods en, het heil des volks ten nauwste verbonden is.
Neen, de invoering' van het Reglement op de predikantstractementen mag de bom niet worden om alles te laten springen.
We zullen saam alles doen wat in ons vermogen is om de predikantstractementen zoo goed mogelijk gemeenschappelijk te regelen.
Ook voor dominé's, die ons geen 5 cent waard zijn, zullen we, zoo noodig, 10 cent offeren.
Maar het over en weer betalen voor elkaar zal er ons telkens wéér aan herinneren dat bij elkaar woont, dat naar 's Heeren Woord van elkaar gescheiden moet zijn en blijven.
En die herinnering zal ons wakker maken en wakker houden. Om wakker zijnde, de onwaarachtigheid van ons kerkelijk leven helder onder de oogen te zien en elkaar te helpen bij de oplossing van dit allergewichtigst vraagstuk.
Zoo zal het Reglement op de predikantstractementen de crisis verhaasten.
Het zal, zoo God wil, het middel worden, dat we e i n d e 1 ij k komen te doen, wat reeds zoo lang verzuimd is.
Geve de Heere, dat we bewaard worden, om nu in een weg van revolutie den boel te bederven.
Geve Hij ook, dat onze slaap niet voortdure, maar dat de oplossing van het kerkelijk vraagstuk moge worden gezien na niet al te langen tijd nu.
De Volkskerk-idee. II.
DIt Moet gaan om de Kerk en 't moét gaan om het volk. We mogen voor het volk niet onverschillig zijn.
Het volk moet zooveel mogelijk gehouden worden onder den invloed van Gods Woord. De religie moet in het midden des volks zooveel mogelijk bewaard en aangekweekt worden. En de Kerk moet steeds den drang in zich voelen, hierin Gods bevel te gehoorzamen en Gods werk in deze te volbrengen. De Kerk moet zich niet zetten ; moet den drang in zich voelen velen toe te mogen brengen ; alle terrein te mogen zegenen ; het volk met God en Zijn Woord in aanraking te mogen brengen ; Gods deugden alom te mogen verkondigen ; te mogen meewerken tot uitbreiding van Gods Koninkrijk.
Dat is de roeping der Kerk. Dat voelt de Kerk van Christus als een heiligen drang in zich. Dat komt God Zijn Kerk in het harte werken. Dat is ook naar het bevel en het vermaan van Christus, haar belovende . vrees niet, klein kuddeke. Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld !
De Kerk van Christus heeft niet als ideaal : haar talenten, in een zweetdoek geknoopt, weg te bergen in de aarde.
Dat is niet de van God haar ingeschapen natuur !
De Kerk is niet een groepje menschen, waarvan de een zich in dit hoekske en de ander zich in dat hoekske zet, om rustig te lezen in een boekske.
Ja — óók de stille meditatie kent Christus' Kerk ; en Gods verborgen omgang mogen allen die Hem in oprechtheid zoeken, ondervinden.
Maar om dan ook gesterkt in de eenzaamheid uit te trekken tot den arbeid met een heiligen drang des harten getuige te zijn van Christus, overal en alom Zijn Evangelie te verkondigen en de menschen, de volkeren, te maken tot Zijn leerlingen en discipelen, doopende degenen die in Zijnen Naam gelooven. •
De Kerk van Christus zoekt niet zoo klein mogelijk te blijven, zoo weinig mogelijk te bereiken — maar zij zoekt de grootst mogelijke uitbreiding. Zij leeft, als zij welgesteld is, bij de gelijkenis van het mosterd zaad. Zij hoort in de verte al het lied der engelen en der gezaligden : de Koninkrijken zijn geworden onzes Gods en van Zijnen Christus !
Zuurdeeg te zijn, om al de maten meels te doortrekken, daartoe heeft de Heere haar geroepen en verkoren. En zij heeft ook in deze haar roeping en verkiezing vast te maken.
Maar — dan móet ze ook van Christus; zijn. Dan moet ze ook bewaren Zijn Woord, Zijn Evangelie. Dan moet zij ook niets anders wenschen dan Jezus Christus en dien gekruist te verkondigen.
En zóó t e g e n o ve r de wereld staande, niet van de wereld zijnde ; — zóó t e g e n-o ve r allerlei leeringen gesteld, die niet uit, God zijn ; zal zij door Christus in de wereld ingedragen worden, waarbij zij alle leugenleer heeft te wederstaan, ook al zou een engel uit den hemel er mee komen aandragen.
Het is een historische regel, dat hierin gezondigd wordt.
Men gaat zich dan sterk maken, door allerlei, dat buiten God en buiten Christus ligt ; dat strijdt met de duidelijke uitspraken van Gods Woord.
Men zoekt grootheid en macht en eere in allerlei dat van beneden is, met wereldsche redeneeringen, in den grond van de zaak vijandig staande tegenover het ware Evangelie Gods, tot zaligheid geopenbaard.
Op dien historischen regel heeft onze Herv Kerk geen uitzondering gemaakt. Maar zoekende de grootheid en de sterkte die van beneden is, heeft zij verspeeld de genade en de eere en de kracht die van Boven is,
Gods weg is altijd voor Zijn Kerk een weg des geloofs.
Om het in den geloove met Gods Woord, met God Zelf, met Zijnen Christus te wagen — waarbij de Heere Zijn Kerk, klein in krachten en "nietig in zichzelf, staande in het midden van een booze wereld, toeroept: „Wacht op den HEERE, wees sterk en Hij zal uw harte versterken ; ja, wacht op den HEERE."
Door de Herv. Kerk is hier gezondigd, onder den schijn van zeer verdraagzaam, zeer vroom te zijn en veel, héél veel te voelen voor het volk.
De Herv. Kerk heeft een belijdenis ; een welomschreven belijdenis. Dat heeft de Heerè haar nog bewaard. En die belijdenis heeft de Herv. Kerk niet willen afschaffen, hoewel zij daar dikwijls toe aangezet is geworden en ook dikwijls de gelegenheid voor gehad heeft. Steeds heeft zij verzekerd en zij blijft dat verzekeren, dat zij haar belijdenis wenscht te houden en dat die belijdenis moet worden gehandhaafd.
Maar tegelijk heeft zij goedgevonden, dat het met die belijdenis niet al te streng moet worden genomen.
Die hare reglementen overtreedt, die gaat er uit ! — hier wordt de verdraagzame onverbiddelijk streng!
Maar wie met haar belijdenis solt en knoeit ; die haar belijdenis het hart uitsnijdt, die mag rustig blijven ; want in alles zit nog een element van waarheid"; en „we kunnen nog zooveel van elkaar leeren", en „wat is tenslotte de Waarheid? " : ... Hier moet de knoop bij 't kerkelijk vraagstuk ontward.
Er is een valsche verdraagzaamheid in onze Herv. Kerk.
We zijn verdraagzaam tegenover hetgeen vierkant strijdt met Gods Woord, met hetgeen Christus en de Apostelen ons hebben geleerd, met hetgeen in de belijdenis der Kerk is omschreven, met hetgeen de Kerk zelf als haar belijdenis noemt en roemt.
Valsche vredelievendheid. Met onheilige onverschilligheid tegenover de Waarheid Gods. Valsch pogen om te vereenigen wat niet te vereenigen is. Laf verwaarloozen waartoe God geroepen heeft en nog telkens roept, met Zijn Woord als een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad.
Wat God zegt dat gescheiden moet worden, gaan wij vereenigen. En wat vereenigd moest wezen, leeft gescheiden. Hier moet de knoop bij 't kerkelijk vraagstuk ontward Nu gaat het hier oók over de verhouding van Staat en Kerk. De Kerk moet weer haar eigen goed te beheeren krijgen.
We zouden zoo gaarne zien, dat de Staat aan de Kerk teruggaf, wat eens van haar genomen is, terwijl zij verder steeds onder voogdijschap is gehouden.
En we zouden liefst willen, dat royaal hier teruggegeven werd.
Zoo rechtvaardig en zoo mild mogelijk — ook rekening houdend met het feit, dat de geschiedenis van de laatste eeuw oorzaak is geworden van veel verdeeldheid; van scheuring en scheiding.
We vragen dus voor de Kerk haar eigen geld en goed aan de Overheid.
En ook vragen we aan de Overheid voor de Kerk haar eigen rechtspositie in het midden van het volksleven.
Haar geld, ook haar geestelijk recht is veelszins gekort en geroofd door de Overheid.
Dat vragen we bescheidenlijk, maar met veel ernst terug van de Overheid.
Doch ook de Kerk zelf stellen we eischen.
En wel, dat zij niet langer vereenigt, - wai geestelijk gescheiden ligt; opdat zij niet zondige tegen God ; opdat zij Gods Woord geen geweld blijft aandoen ; opdat haar krachten niet langer verteerd worden ; opdat haar invloed op het volksleven niet méér nog afnemen zal.
We moeten hier voelen en erkennen, dat we gezondigd hebben.
Dat we doodgeloopen zijn. Dat we aan den grond zitten. Dat de Kerkschuld groot is en de ellende eigenlijk niet onder woorden kan worden gebracht.
Er moet verandering komen.
Welke?
Ja, dat is de moeilijkheid. Maar als de grondfout zit in niet erkennen van Waarheid, wat God als waarheid geopenbaard heeft en waarin de Geest Gods onderwijst, allen die den Heere dienen en liefhebben; •— als de grondfout is, dat onze Herv. Kerk twee dingen tegelijk wil zijn, twee dingen tegelijk wil doen, die niet vereenigbaar zijn — dan moet de knoop losgemaakt, welke bij elkaar houdt wat niet bij elkaar hoort en inplaats dat we de beginselen verdoezelen, moet ieder beginsel naar waarheid worden voorgelegd om dan uit elkaar te gaan als men niet bij elkaar hoort, opdat de Kerk weer worde en zij : een pilaar en vastigheid der Waarheid, die de wereld tegenover zich vindt, maar Christus boven zich weet; Christus, die Zijn Kerk vermaant geen valsche verdraagzaamheid te betrachten, maar het met Zijn Woord en Waarheid te wagen. •
Dat mag Christus' Kerk ook weten, dat de Waarheid op Gods tijd zal zegevieren en de volkeren zich op Gods bevel zullen leeren buigen voor den Koning van Sion, Wien door den Vader van alle geslachten en volkeren en natiën geschonken zijn een groote menigte van onderdanen, die des Konings heerlijkheid uitmaken.
Die heerlijke belofte ligt er. En wat God beloofd heeft zal Hij ooit doen. De mensch zal dat niet doen ; de Kerk zal dat niet doen ; maar de Heere zal het doen.
De Kerk heeft zich nu geloovig te bewegen in Gods weg. Zij heeft er niet naar te grijpen op eene ongeoorloofde, on-Bijbeische, manier. Want dan ontgaat haar het heil, dat God heeft weggelegd voor die Hem vreezen en die den geloove gehoorzaam zijn. (Hand. 6 vers 7).
En waar nu de doorloopende grondfout is dat volk en Kerk elkaar zoowat moeten dekken ; dat de kerkelijke gemeente zoowat het zelfde moet zijn als de burgerlijke gemeente — daar hebben we wel te bedenken, dat Christus de menigte tegenover Zich vindt en de waarheid overal wordt tegengesproken. Wat ten gevolge heeft, dat als regel ook zal worden gezien, dat de Kerk van Christus, wanneer zij het Woord recht predikt en de Sacramenten bedient naar de instelling van Christus niet héél het volle in zich kan opnemen, daar bij een aanmerkelijk deel des volks de vijandschap tegen Christus en het ongeloof en de leugen overhêerschend is.
Volk en Kerk zijn twee grootheden, die elkaar in den regel niet dekken.
Ook niet al zeggen keizers en koningen dat het m o e t. Ook niet al vaardigen de pausen nog zooveel bevelen uit
Als men met geweld Kerk en volk tot twee gelijksoortige grootheden wil maken, kan het niet anders zijn dan met verzwakking van de Waarheid in de Kerk, door den dienst des Woords en der Sacramenten van karakter te gaan veranderen. En het kan niet anders, of, wanneer het volk binnen de kerk komt, dit zal geschieden zonder dat een groot deei de Waarheid getuigenis geven zal.
Daarom zullen we er vóór alles naar moeten staan, dat de Kerk Gode meer gehoorzaam is dan de menschen, den Woord; -Gods getrouw is, om zóó het Evangelie des Kruises te verkondigen en de deugden Gods groot te maken en den dienst des Heeren aan te prijzen. En wie volharden zal ten einde toe, die zal zalig worden — wat óók geldt voor de Kerk, zich openbarend in de diensten en in de ambten, van Christus ingesteld.
Zóó moeten we een Kerk, een Kerk die des Heeren, d.w.z. die van Christus is, krijgen temidden van het volksleven.
Een echte Kerk, als verkondigster van de Goddelijke Waarheid, die der wereld als dwaasheid voorkomt en die zij van nature als dwaasheid verwerpt ; maar waarbij de Heere beloofd heeft, dat door de dwaasheid der prediking velen zullen zalig worden en dat Hij de wijzen daarmee vangen zal.
De Kerk moet als een vuurtoren staan, op een vaste rots, temidden van het veelbewogen volksleven. Wat héél iets anders is dan een Volkskerk, die de grenzen tusschen waarheid en leugen verdoezelt. Kerk en volk vermengt en met twee aangezichten zich vertoont, naar den eenen kant als Kerk zich voordoend en aan den anderen kant zich aandienend als een religieuse Vereeniging van elk wat wils tot nut van 't algemeen.
O, die ellende van de Volkskerk !
Ook onze Gereformeerde Vaderen zijn in deze op twee gedachten blijven hinken.
De Reformatie heeft de ellende van de Middeleeuwen, de ellende van het optreden van Constantijn den Groote en de ellende van 't optreden van den Paus gezien en gevoeld en beleden. En bij de Hervormers was er éénstemmigheid in de grondgedachte, dat Christus het eenige Hoofd der Kerk is en dat diensvolgens het Woord Gods in de Kerk alleen kan en mag heerschen, niet door dwang, maar door liefde en gehoorzaamheid.
Maar — Luther, die met het pauselijk stelsel brak, droeg een ander beginsel weer in, dat niet minder verkeerd en schadelijk is, n.l. om de Kerk in handen te geven van den Vorst des lands. „Wie regeert, heeft ook de beslissing over den godsdienst" — werd als regel aangenomen. En een Luthersch vorst zorgde er ook voor, dat de bevolking van zijn rijk Luthersch was of werd of bleef. Weer een vermenging van verschillend gezagsoefening. Een vermenging, in beginsel, van wereld en Kerk — hetwelk schijnbaar voor de Kerk voordeelig was ; maar dat op den duur de dood voor de Kerk is geworden.
De Overheid kreeg in de Duitsche landen zoo-goed als alles in kerkelijke zaken te zeggen en het volk zou door wereldlijke machten bij de Kerk gehouden worden ; de leer zou door Overheidszorg worden gestuurd in de goede richting. En zoo was de Kerk haar zelfstandigheid kwijt. In hoogste instantie zou de Overheid zeggen welke Kerk voor het volk het meest geschikt was en door het volk, dat niet van harte geloofde en beleed wat de Kerk voorstond, werd de Kerk geestelijk vermoord.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's