De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

14 minuten leestijd

»Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend ; uwe hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en uw rechterhand behoudt mii, « Psalm 138 vers 7.

DE REDDING GEWAARBORGD IN DEN REDDER.

Psalm 138 is een zegelied des geloofs, waarin de dichter de daden des Heeren gedenkt. Een gepast werk voor een kind Gods ! Uit historisch oogpunt bezien, leidt deze Psalm ons naar 2 Samuel 7, waar wij lezen : »En het geschiedde als de koning in zijn huis zat, en de Heere hem rust gegeven had, van al zijne vijanden rondom, zoo zeide de koning töt den profeet Nathan, om een tempel te bouwen.« David wilde den Heere een huis bouwen. En nu kent ge de verdere geschiedenis en Nathan moet aldus, tot David spreken : »Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over mijn volk, over Israël, en Ik ben met u geweest overal waar gij gegaan zijt, en heb alle uwe vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid ; en Ik heb u een grooten naam gemaakt, als den naam der grooten, die op de aarde zijn.«

En nu mag David zich verliezen in die groote daden Gods, zinkt weg in de eeuwige, wondere trouwe Gods, en hoe zou het dan anders kunnen of David heft een lofzang aan ! Immers een gered volk is een geloovig volk en een geloovig volk is een zingend volk ! Zoo is het toch ook in het natuurlijk leven : wat ons goed schijnt, dat prijzen wij ! Zoo handelt zelfs de landbouwer inzake zijn vee ; hij vertelt er de voortreffelijkheid van ! »Een best beest« en hij neemt het dier van alle (kanten óp, met vergenoegd gelaat !

Maar zou dan des Heeren volk, als het iets van de grootheid en goedheid Gods aanschouwt en ervaart, zwijgen ? »Gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen !«

Ja, David gaat aan het zingen : »Ik zal U loven met mijn geheele hart, in de tegenwoordigheid der goden, zal ik U psalmzingen.« David zou Gods lof vertellen, niet slechts voor geringen en onaanzienlijken, maar ook voor de grooten der aarde. Immers een verruimd hart geeft een geopendén en vrijmoedigen mond om Gods werken te vertellen ! Als God groot is, wat zou dan een nietig mensch ! En nu zou David den Heere loven, en zichzelf nederbuigen. Dat toch is de grondtoon van allen. lof. De mensch zich nederbuigen in zijn nietswaar­digheid en ondanks zijn zondig bestaan, den Heere grootmaken vanwege Zijne goedertierenheid en waarheid I Och, lezer, hoe staat het met u in uwe verhouding tegenover zoo'n groot en heerlijk. God ? Zal het goed zijn, als Hij u onderzoeken zal ? Lof voor uw vee en uw hooi en uwe zaken ! en voor wat niet al, maar door uwe blindheid ziet ge Gods daden niet en daarom hoogstens wat lippenlof, geen hartverheerlijking !

David's oog is zóó ontsloten voor de goddelijke vastheid der hulp aan de Kerk bereid, dat hij gerust de toekomst tegengaat. Roemend in ondervonden genade, puttend uit zich openbarende liefde, spreekt hij „Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend.«

Er is dus in Davids leven een heerlijk rustpunt. Wat had het er dikwijls hachelijk voorgestaan in zijn leven, hoe had de macht der zonde zich schrikkelijk geopenbaard, wat hadden de vijanden der ziel zich saamgespannen om hem uit te roeien ! Zeker, maar ook genade had zich geopenbaard en verheerlijkt als eeuwigdurend en onveranderlijk ! David echter is gered, keer 'op keer, en nu zit hij daar in zijn cederen huis verlost van al zijn vijanden. en hij gedenkt de daden des Heeren en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid. Het is voor David als staat hij op een rots midden in de bruisende golven. Ja, evenals we na een tocht door het barre weer, behagelijk neerzitten in onze verwarmde en verhchte woning en de regen hooren kletteren tegen de ramen en den wind hooren loeien, zoo was het hier, doch dan oneindig veel sterker. In Davids herinnering komt op hoe de vijanden raasden, de zonde heerschappij oefende en nu David zit heerlijk in zijn cederen huis 1 Hij staat als op een rots en hoort nog het bruisen der golven en het loeien van den orkaan ! Het kookt en spat. Daar zwom hij nu zoo dikwijls in rond, vol angst en zorgen. Geen wonder, dat Davids ziel met ontroering wordt vervuld.

„Als ik wandel" enz. „A l s" d.w.z. zoo dikwijls als, telkens wanneer, ik wandel in 't midden der benauwdheid.* O, door veel verdrukkingen moeten Gods kinderen ingaan ; veel rampen zijn des vromen lot. Heeft niet de Koning der Kerk met nadruk gesproken : »In de wereld zult gij verdrukking hebben, doch hebt goeden moed, Ik héb de wereld overwonnen." Zij wandelen vaak in benauwdheid, ja in het midden van benauwdheid, zoodat zij er aan alle zijden door worden omgeven. Nu zijn er echter benauwdheden van verschillenden aard. Wat levert de wereld al niet op ; hoe geldt het niet in dit aardsche tranendal wat vader Jacob eenmaal zeide tot Farao : »weinige en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens.« Waar is de mensch, die niet in dezen of genen vorm zorg en kommer kent ? Ieder huis heeft zijn kruis, elk hart zijn smart. Als wij een schoone buitenplaats zien temidden van groenend geboomte, en lachende beemden, waar alles in overvloed aanwezig is en gekocht kan worden, wat een arme naar de wereld niet koopen kan, meen dan niet, lezer, dat binnen die muren geen kruis zou zijn. Hoeveel verborgen leed is er niet I

En de Kerk heeft haar aandeel wel ! Hier sterft een veelbelovende zoon ; daar wordt een dierbaar kind weggerukt van moeders borst. Elders sterft een naastbestaande, die heengaat gelijk hij geboren was, ondanks alle vermaan, en het hart krimpt ineen. Daar is er weer een, die voor het tijde­ lijke nauwelijks weet rond te komen, ziekte onder de kinderen ; of een zoon of dochter die het verkeerde pad opgaat. Hoevelen vaii Gods kinderen hebben persoonlijk met een ziek of zwak lichaam te worstelen en zij zouden soms zoo graag wat beter worden, om zelf wat te kunnen doen voor eigen' levensonderhoud of dat der huisgenooten.

Een ander wordt telkens in zijn verwachtingen teleurgesteld. Wie zal alles optellen? ^

Maar nu kent elk, wien Davids leven niet vreemd bleef, ook nog andere benauwdheden, die dikwijls aan die lUitwendige zorgen 'kracht bijzetten en omgekeerd dezelve kunnen opwekken en verzwaren !

Zou Saulus op den weg naar Damascus geen benauwdheid hebben gekend ? Gewis, gelijk ieder ontdekt zondaar haar kent, wanneer de zonde op de ziel ibrandt ; Godsgemis het harte doet juchten.

Klaagt de dichter niet: »Zoo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij, want er is geen helper.«

Hoe kunnen Gods geboden de ziel belegeren of geestelijke dorheid het hart benauwen ?

Ja, als Gods pijlen in de ziel dalen, Gods hand nederdaalt is er een brullen van het geruisch des harten. En voeg daar nu bij al die. vijanden, die het zoo benauwd, tot stikkens toe benauwd kunnen maken ! »Die mijne ziel zoeken, leggen mij strikken, en die mijn kwaad zoeken spreken verdervingen, en zij overdenken den ganschen dag 'listen.« En als dan dat verderfelijke en listige „ik" van binnen maar altijd opnieuw de ziel zoekt uit te leveren aan den vijand, wordt het een wandelen in het midden der benauwdheid ! Zonde en schuld, Godsgemis ; influisteringen des duivels : er is nooit wat gebeurd ; Gods aangezicht verborgen ! Dan omringen de wateren der ver drukking aan alle zijden.

O, wat een wonder voor David, dat hij niet reeds lang is omgekomen, dat de Heere zoo'n goddeloos en ongeloovig schepsel nog niet aan zijn lot had overgelaten ! Geen wonder dat David zat te zingen, grootmakende de daden des Heeren ! Gelukkig bovendien dat de Heere instaat voor Zijn werk en dat alles moet medewerken ten goede. Hoe leeren zij hunne diepe afhankelijkheid kennen ; hoe leeren zij hun opstandig hart kennen. Job leerde niet in zijn voorspoed, maar in zijn benauwdheid, dat hij nog zoo vloeken kon ! Doch nu wordt in het midden der benauwdheid een roepen geboren om hulpe en redding, »aanzie mijne ellende en mijne moeite. Aanzie mijne vijanden, want zij vermenigvuldigen ; en zij haten mij met een wreveligen haat.«

O, wat leeren zij in deze wegen van druk hun dwaasheid kennen en des Heeren vvijsheid ; wat leeren zïj Gods recht billijken. De beste vruchtschool is des Heeren tuchtschool 1 Natuurlijk niet alsof het wandelen in benauwdheid op zichzelf daartoe zou brengen ! Neen, om de vrucht der gerechtigheld te ontvangen is genade noodig. Om door wegen van druk gelouterd te worden is genade noodig. Het is alles genade. Maar zoo bezien is er zoo 'n noodzakelijkheid voor de benauwdheid der Kerk.

David had er in gewandeld ! Niet een oogenblik dus, maar langer achtereen.

Wat was er onder dat alles met David gebeurd ? Was hij omgekomen ? Hij had het dikwijls gedacht; meermalen zijn goddelooze gedachte uitgesproken ! Maar nu zit hij rustig in zijn cederen huis en terugblikkende op het afgelegde levenspad mag hij juichen : »als i k wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend !"

O, mijn lezer, kent gij deze zaken ook bij zielservaring ? Wij vragen niet of gij wel eens in de war hebt gezeten ; wel eens benauwd zijt geweest, maar of ge den Heere noodig hebt, of ge zaligmakend uw diep bederf hebt leeren kennen ; om genade hebt leeren roepen !

Dat ge toch haast mocht maken om uws levens wil ! Eenmaal zal u anders benauwdheid - en angst overkomen en is het onherroepelijk voor eeuwig te laat.

David staat onder Geestesverlichting stil bij hetgeen de Heere deed in de benauwdheid, en bij de heerlijke vrucht, die hij smaken mocht. Telkens als hij in benauwdheid had gewandeld had de Heere hem levend gemaakt ! Maar, zoo vraagt ge, was David dan niet levend, midden in de benauwdheid. Is dan des Heeren levendmakend werk ook maar één oogenblik te niet te doen ?

Ganschelijk niet I Als God een zondaar levend maakt, wordt dat feit nooit of te nimmer verbroken. Als er een roepen uit de benauwdheid opstijgt tot God is dit een bewijs van leven, doch daarom hebt ge toch den troost nog niet. Hier wordt bedoeld, de vertroostende^werkzaamheid'des Heiligen Geestes.

Zoo bidt ook de dichter van Ps. 119 : „Hoor mijne stem, naar uwe goedertierenheid, maak mij levend, naar uw recht.'_' De Heere kan zoo wonderlijk indalen in het hart zoo verrassend. Welnu, als de Heere de benauwde ziel van haar benauwdheid ontheft; het juk van het kinnebakken oplicht en voeder toereikt ; te drinken geeft van het levend water ; de ziel ontzet van hare vijanden, dan wordt dat genoemd „levend maken". Dan openbaart de Heere zich aan het hart der Zijnen in Christus Jezus, als die alles vervullende God, voor Wien geen ding onmogelijk is. De Heere had hem opgericht in zijn neergebogen staat. De Heere had hem uit zijn gevaarlijken staat gered „gij, die mij vele benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken. En zoo bidt de dichter in Ps. 143 : „o, Heere, maak mij levend, om Uws Naams wil, voer mijne ziel uit de benauwdheid om Uwe gerechtigheid."

Ja, zoo kan de Heere zoo ver van de ziel verwijderd zijn en stijgt het gebed op : Zult gij eeuwiglijk tegen ons toornen zult Gij ons niet weder levend maken? "

En ziet, dan laat de Heere zich niet onbetuigd, maar zal redden keer op keer. Hij is een wonderdoend God, die nooit laat varen de werken Zijner handen. Hij verleent kracht naar kruis. En nu brengt David den Heere eere voor al die uitreddingen. O, lezer, de Heere heeft u ook wel geholpen, in ziekte, zorgen en wat niet al, maar zijt gij er onder verbroken ! We lezen zoo van A c h a b dat hij zich vernederde voor het aangezicht des Heeren ! Hebt g ij dat al gedaan ? !

En gij, die den Heere vreest : „vergeet nooit een van Zijn weldadigheden, vergeet ze niet, 't is God die z' u bewees."

„Uwe hand strekt gij uit tegen den toorn mijner vijanden."

Midden in de benauwdheid openbaart zich de Heere als de genadige ontfermer in Christus. Hij gebiedt de stormen "te zwijgen en bant de duisternis weg. Hij doet opgaan de zonne der gerechtigheid. Hij doet gloren een nieuwen dag. Neen, als het er op aankomt vermag de vorst der duisternis niets. Zeker, hij trekt om als een brieschende leeuw, verschijnt als een engel des lichts, maar als de Heere verschijnt trekt hij terug. De wereld in al haar vijandschap is een nietig ding, waarmee de Heere lacht. Haar toorn beduidt niets tegen de macht Gods. Het verdorven ik, wat zou het tegen de almacht Gods. Neen, als God Zijn hand uitstrekt tegen den toorn Zijner vijanden, moeten ze op de vlucht. Stel u voor, een bende deugnieten, die op een knaapje losstormen. Het kind schreeuwt van angst en wordt zoo ingesloten, dat vluchten uitgesloten is ! Maar daar opeens komt de vader van het kind aangesneld en hij strekt zijn hand uit om zijn kind te omvangen, en reeds het zien van die mannenhand doet de bengels onthutst de gebalde vuisten laten zakken en bedeesd en met schaamte pakken zij zich weg !

Het uitstrekken van die vaderhand heeft dus tweeërlei gevolg. De vijanden laten af en het kind wordt door die vaderhand omvangen, beschermd en geliefkoosd. Zeker, vader zal wel eens zeggen : kind; wat doet gij ook bij die bengels, was ook bij vader gebleven, in huis of vlak bij huis, dat komt nu van die ongehoorzaamheid ! Een bengel zoekt bengels ! Gelukkig, dat de Heere goedertieren over de Zijnen is en nagaat waar ze blijven. Doch nu zijn het lang niet altijd vijanden-"van-buitenaf', de grootste zit van binnen ! Maar de Heere is de Machtige om ook dat verdorven „ik" neer te slaan, alle ongeloof en twijfel te verbannen. Zij moeten allen wegvluchten wanneer de Heere Zijn hand uitstrekt. En diezelfde hand steunt en leidt Gods kinderen !

Genade maakt oprecht en klein ; alleen de Heere en niet David krijgt de eere. Mijn lezer, wie zijn nu uwe vijanden ? Alleen als ge Davids vijanden kent, dit zijn Gods eigen vijanden, is er troost in Gods uitgestrekte hand. Schrik anders vrij, want dan is zij niet uitgestrekt vóór u maar tegen u. Zijt gij zelf nog die vijand Gods, gelijk gij van nature bestaat 1

En gij kinderen Gods, wat moest toch uw oog zijn op die hand, en uw hart uitgestrekt naar den Heere, Hij is toch zoo waardig geprezen te worden.

„En Uwe rechterhand behoudt mij". De hand, die zich tegen den toorn der vijanden uitstrekt is tevens Gods rechterhand, die Gods kinderen beschut. En die rechterhand is zinnebeeld van krachten vermogen.„Uwe hand zal al uwe vijanden vinden, uwe rechterhand zal uwe haters vinden." De hand des Heeren is verhoogd, de rechterhand des Heeren doet krachtige daden, "

En nu staan in die Vaderhand Gods gegraveerd al de namen Zijner kinderen ; het zijn die handen, waar de hel Gods gemeente niet zal uithalen. Zegt de psalmdichter niet van die hand : „lieflijkheden zijn in uwe rechterhand eeuwiglijk". En als nu David mag opzien, ziet hij zijn naam in die hand. Hij zag toch, in de ruimte gezet, niet naar beneden, maar naar boven. En waar die hand Jehova's hand is, de hand des Middelaars, staat in die hand te lezen, dat Sion door recht verlost is ! O, lees maar veel in die hand ! Maar al ziet nu de bekommerde Kerk naar beneden, toch ligt ze onder die Vaderhanden Gods besloten, en ervaart dat die hand behoudt, redt, heil heeft en geeft!

Wat is David toch klein onder dit alles ! De Heere alles !

O, lezer, van die rechterhand zegt Gods Woord ook nog iets anders. „Gods sterke rechterhand doet door haar daan de wereld beven !" en — houdt door haar kracht Gods volk in stand !

En nu was het voor David een rustpunt in zijn leven, de eeuwige rust is voor hiernamaals bewaard, evenwel ziende in die hand van een onveranderlijk Verbondsgod had David ook geen zorg voor de toekomst en roept uit:

De Heere zal het voor mij voleindigen, Uwe goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid ;

en zijne bede klimt op in stille overgave aan den Heere : Laat niet varen de werken uwer handen.

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's