De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

29 minuten leestijd

De Volkskerk-idee. III

Ook het Calvinisme zat nog vast aan de volkskerk-idee. Wel werd door de Gereformeerden in de Kerk alle gezag toegekend aan Gods Woord en in de belijdenis en in de Kerkorde werd de handhaving van de tucht in leer en leven vastgelegd en daardoor in beginsel en voor de practijk een scheidingslijn getrokken tusschen Kerk en vofk — maar toch voelde men niet genoegzaam, dat het nu ook uit moest zijn met de volkskerk en dat „een Kerk in het midden van het volksleven" héél iets anders is dan een „Volkskerk".

Thoretisch voelde men het wel en werd het ook in belijdenis en Kerkorde uitgesproken. Maar practisch hield ook het Calvinisme — kind van zijn tijd ! — de idee der Volkskerk vast. Het zou toch zoo aangenaam en zoo heerlijk zijn in Nederland één groote gezuiverde, hervormde, gereformeerde Kerk met héél het volk, althans het protestantsche deel der natie binnen de muren van die Kerk ! En men zocht invloed op politiek beleid; om de Gereformeerde Kerk erkend té zien als Staatskerk, als heerschen de-en leidende Kerk, als Volkskerk.

De belijdenis der Kerk sprak wel van andere dingen. De Kerkorde gaf wel andere beginselen aan. Daar was er rekening mee gehouden, dat Christus de wereld tegenover Zich vindt en de waarheid niet aangenaam is in elks oogen. Daar werd gesproken van Christus als Hoofd der Kerk, Die hoogste autoriteit heeft door Zijn Woord en Geest. De bediening des Woords moest rein bewaard. De sacramenten recht bediend. De tuchtoefening mocht niet ontbreken: . De regeering der Kerk moest ongerept blijven. Maar langs belijdenis en Kerkorde heen, was het toch zoo verleidelijk om invloed te mogen uit­ oefenen op politiek beleid en zóó aan de Kerk een eereplaats te bezorgen ; zóó volk en Kerk toch te vereenigen, onder bescherming van en met hulpe van de Hooge Overheid ! Zóó zou Gods eere uitblinken Maar in de practijk werd van Christus' Koningschap afgedaan.

Van het Woord werd afgedaan. De tucht moest voor een deel nagelaten worden. De sacramentsbediening werd meer door het volk dan door de K e r k beheerscht. Geen rechte lijnen werden meer getrokken in de regeering der Kerk, bij de beroeping van leeraars enz. Want — anders kwam men in botsing met de Overheid ; anders raakte men een groot deel van het volk kwijt. En daarom werd wat toegegeven ; véel toegegeven ; en de grenzen tusschen Kerk en volk, tusschen geloof en ongeloof werden verdoezeld. Zoodat in de 18de eeuw de Gereformeerde Kerk in deze landen feitelijk geen gereformeerde, mdar een gedéformeerde Kerk was ; een Kerk in verval ; een Kerk, die in de zonde leefde, doordat zij niet kloek opkwam voor de vrijheid der Kerk en voor de waarheid, haar toebetrouwd. i

Daar zat ze, als Simson, wiens haarlokken afgesneden waren. De Filistijnen hadden de overhand over haar ; al was er veel, in schijn, naar gereformeerd beginsel ingericht.

Een nationale Synode is na 1619 niet meer gehouden

Waaróm ook in 1816 zoo makkelijk met de Gereformeerde Kerk gedaan kon worden wat Koning Willem I èn zijn raadslieden in den zin hadden.

De Herv. Kerk was niet meer de Kerk in het midden des volks, overgoten met heilige zalfolie des Geestes.

't Was een volkskerk, waarbij de gunste van de Overheid werd geliefd — maar de Kerk raakte weg en het volk had geen geestelijk profijt van haar. Daartegen reageert onze belijdenis. Daar staat de Kerkorde tegenover met andere beginselen.

Belijdenis en Kerkorde willen geen volkskerk. Die willen, dat de Kerk zichzelf zal zijn, vrij en onafhankelijk, onder de heerschappij van Koning Jezus en Gods Woord als hoogste autoriteit; zóó staande in het midden des volks.

De plaatselijke Kerk kan en mag niet zijn — de burgerlijke gemeente.

De Kerk moet daar staan met de van Christus ingestelde ambten, 't Is en 't moet zijn : de vergadering der geloovigen levend bij Gods Woord ; waartoe velen niet zullen kunnen naderen, omdat ze Gods Woord niet eeren en Christus niet eVkennen. Terwijl de Kerk steeds waakzaam-moet wezen tegenover allerlei wind van leer, die door alle tijden heen heeft bedoeld en nog bedoelt : de waarheid Gods tegen te spreken en zoo mogelijk van kracht en van invloed te berooven.

Wee ! de Kerk, als zij niet getrouw bewaart het pand haar toebetrouwd. Wee 1 haar, als nooit, om der waarheid wil, iemand wordt geweigerd, afgesneden of buiten geworpen.

Dan trilt de kompasnaald der waarheid - niet meer. Dan is Christus geen Koning meer. Dan is de Kerk geen Kerk meer.

Heeft de geschiedenis het niet bewezen, dat het zoo gegaan is ; terwijl de toestand op heden allertreurigst moet worden genoemd ?

In 1816 is de kroon op het sloopingswerk der 18de eeuw gezet. 't Viel den Koning niet moeilijk het zóó ver te krijgen. En in 1852 is de toestand principieel niet anders geworden.

De Geref. Kerk is geworden een gereglementeerd religieus genootschap van elk wat wils, tot nut van 't algemeen — alleen (o, wondere loop der historie !) is de oude belijdenis niet weggeworpen.

Dat wilde men wel. Maar dat kón men niet. doordat God het kwam verhinderen. De belijdenis verdween, maar verscheen weer. En deftig en plechtig is telkens wéér verzekerd, dat de belijdenis, vervat in de Drie Formulieren van Eenigheid, niet zou mogen worden geschonden. Men zou niet dulden- men kon gerust zijn ! — dat de confessie de dupe zou worden van de historie. En daarom maakte men een Kerk voor iedereeh, met den Koning als beschermheer. En de belijdenis zette men op sterk water in een gesloten flesch, die onder No. 9 in de archiefkast altijd zou te vinden zijn.

Later onder No. 11, algemeene af deeling. Zoo was de Herv. Kerk een Kerk. En ze was geen Kerk. Genootschap en geen genootschap. Belijdenis en geen belijdenis. Reglementenbundel en oude traditie der confessie. Hier moet de knoop van het kerkelijk probleem ontward.

Want als die twee dingen Kerk en Genootschap, belijdenis en reglementenbundel zoo wonderlijk en dwaas dooreen gemengd b 1 ij v e n dan gaat het wis en zeker naar den ondergang met de Herv. Kerk, waarbij het volksleven van jaar tot jaar méér schade lijden zal.

Wat is alles wonderlijk gegaan ! En naar mate de geschiedenis haar loop heeft gehad zal ook de oplossing van het kerkelijk vraagstuk moeten worden gezocht.

De organisatie van 1816 heeft willen zijn de organisatie van een godsdienstige vereeniging op zoo breed mogelijken grondslag, op den bodem van het dogmatisch indifferentisme (onverschillig voor dogma's zijnde).

Maar er is ook wat bewaard van de aloude Geref. Kerk. Men wilde toch ook tegelijk Kerk blijven. Of beter gezegd : men werd gedwongen daartoe te besluiten De belijdenis moest gehandhaafd. Men zou zor gen voor de bediening des Woords en der sacramenten. Men stelde regels daarvoor, dat orde en ernst bewaard zou.worden en er stichting van zou uitgaan. Men zou er heusch ! voor zorgen, dat de fundamentstukken der belijdenis niet werden ondergraven. Héél de besturen-menigte werd er voor geïnstrueerd. En iegelijk werd de Kerkorde afgeschaft. Een reglemeritenbundel daar gesteld. En heel de wijze van Kerk regeering werd in wezen veranderd, om de Kerk te maken tot een Vereeniging van elk wat wils.

Dat dubbelhartige en tweeslachtige in de tegenwoordige organisatie blijft een curiosum, dat overal duidelijk in 't oog springt en dat dan ook nooit bij besprekingen, die dienen moeten om te vvijzen op het noodzakelijke van reformatie der Kerk, uit het oog verloren mag worden.

Erbarmelijke tweeslachtigheid !

Die zegt, dat de Herv. Kerk sinds 1816 is geworden een Vereeniging van elk wat wils, een religieus Genootschap tot nut van 't algemeen, met een bestuursinrichting waar bij het volk beslist met de helft + 1, zonder . dat Gods Woord hoogste gezag wordt toegéschreven en zonder dat de belijdenis in waarde gehouden wordt, — die dat zegt, die heeft gelijk.

Maar die zegt, dat de Herv. Kerk toch ook nog haar belijdenis heeft en haar dienst des Woords en der sacramenten en ook nog Kerk gebleven is — die heeft óók gelijk. De twee lijnen van Kerk en van Genootschap zijn overal te zien. En hier ligt de knoop die ontward moet worden.

De Geref. Kerk moet uit het gereglementeerd religieus Genootschap, dat voor elk wat wils heeft, losgemaakt worden en voor de Gereformeerde plaatselijke Kerken moet weer een eigen levenssfeer geschapen worden, opdat de Geref. Kerk naast het Genootschap en het Genootschap naast de Geref. Kerk leven kan, waarbij ieder die voor het Genootschap voelt, in 't Genootschap onderdak zoeke en ieder die voor de Kerk voelt, weer in haar midden leven kan, naar uitwijzen van Gods Woord en de belijdenis.

Door de wonderlijke dooreenmenging van 1816 zitten wij nu met die ellendige toestanden, dat de Herv. Kerk zoowel het een als het ander is ; en staan we nu, na 100 jaar tobben, voor het vraagstuk : hoe krijgen we die wonderlijk door elkaar gemengde twee zaken : Kerk en Genootschap, uit elkaar, om ieder op eigen béenen te zetten en ze naast elkaar te dóen leven ?

Dat de Ned. Herv. Kerk nog Kerk is, daar danken we den Heere voor.

Wonderlijk is het, dat de aloude belijdenis nooit is afgeschaft en dat door alles, èlles heen bewaard is, dat met de belijdenis gerekend moet worden. Honderd bewijzen zijn daarvoor aan te brengen.

Maar dat men altijd gepoogd heeft sinds 1816 om van de Herv. (Geref.) Kerk een genootschap te maken laat zich overal gevoelen, is aan alles te zien. Dat is de zonde van onze vaderen en van ons.

En dat tweeslachtige, die met elkaar in strijd zijnde toestanden — daaraan moet een eind worden gemaakt. Dat verwarde kluwen moet uit elkaar. Maar hoe zal de oplossing gezocht ?

In 1816 is al aanstonds geprotesteerd door degenen die voelden voor de Kerk en voor Gods Woord en voor de belijdenis en voor de ambten. Met schoone woorden en vele beloften zijn ze van Regeeringswege met een kluitje in 't riet gestuurd.

Toen men nóg niet zweeg, zijn de beloften herhaald, dat de belijdenis zou worden gehandhaafd ; daar behoefde men niet voor te vreezen.

Toen men nóg niet gerust was, werd dreigend de vinger opgeheven door de machthebbers der wereld ; en men heeft gezwegen verder, vertrouwend op de vele, ernstig bevestigde beloften, welke van hooger hand waren gedaan.

In 1834 krijgen we de Afscheiding. Toen kwamen er velen óp voor Gods Woord, voof het Koningschap van Christus, voor de ambten, voor de Kerk als Kerk.

Schandelijk werd de belijdenis geschonden en de Goddelijke waarheden ontkend en geloochend, waarbij de liefhebbers van Gods Woord werden benauwd en geplaagd. Een protest, een noodkreet werd gehoord in 1834.

Een heftige strijd is gestreden, om de genoótschappelijke en gereglementeerde Kerk weer te maken tot de Gereformeerde Kerk, met een gereformeerde belijdenis en Kerkorde.

Maar de menschen van het Genootschap hebben de liefhebbers .der Kerk gescholden, vervolgd, beboet, in de gevangenis doen werpen, geschorst, uitgeworpen.

En toen zijn er van de Herv. Kerk uitgegaan, die tot de Herv. Kerk behoorden en die recht hadden op eerlijke, onbekrompen, stellige handhaving der aloude gereform. belijdenis.

De mannen van het Genootschap, die in de Bestuurscolleges verre de meerderheid hadden, hebben toen victorie geblazen. Een overwinning, waarbij het liberalisme zich nog altijd te schamen heeft over practijken, die zoo onliberaal mogelijk waren !

Opgelucht door de aderlating van 1834 zette men de pogingen om van de Geref. Kerk een Vereeniging van elk wat wils te maken voort en men was telkens gereed met forsche grepen radicaal verandering aan te brengen — maar 't bleek, dat in de Kerk nog te veel tegenstand was bij degenen, die van de Kerk geen Genootschap wilden maken, doch haar weer als Kerk wilden hersteld zien.

Dit gaf in 1886 een nieuwe botsing. Want ook nu werd een poging gewaagd om van de Genootschappelijke-Kerk weer méér Kerk te maken en het Genootschap op zij te zetten. Maar ook nu moesten zij, die er recht op hadden, dat de belijdenis zou wor den gehandhaafd, waartoe elk Bestuurscollege geroepen is, zien, dat hun pogen tot Kerkherstel mislukte en ze zijn er uit gegaan, om zich elders een nieuw kerkelijk leven te scheppen.

Zoo is er sinds lang een worsteling tusschen Kerk en Genootschap — waaraan alle partijen in de Herv. Kerk meedoen ; ter eener zijde met name de modernen en velen van de linksch-ethischen, ter andere zijde de confessioneelen en de mannen van den' Geref. Bond ; waarbij tusschen de modernen en de ethischen wel verschillen zijn aan te wijzen, gelijk niet minder tusschen de confessioneelen en de gereformeerden, maar waarbij toch in hoofdzaak links voor een Vereeniging van elk wat wils en rechts voor een belijdende Kerk met haar van Christus ingestelde ambten, gekozen wordt.

De Genootschaps-Kerk is dus nog niet van degenen die voor de rechten der aloude Geref. Kerk wenschen op te komen, af. Integendeel. Hoewel er telkens een aderlating is geweest, groeit het aantal dergenen, die opkomen voor Schrift en belijdenis, en strijden voor de rechten der Kerk. Hun aantal neemt toe in stad en dorp — ook in de Bestuurscolleges.

Het kerkelijk leven bevredigt niet. De geloovigen, die de Schrift hoogst gezag toeschrijven, kunnen geen vrede hebben met de toestanden. En de Kerk, zooals ze nu is, spreekt ook niet tot de massa. De heerlijkheid der Kerk is wég. De volkskerk-idee bleek ook nu weer een illusie. Waarbij de geloovigen, die voor Gods Woord eerbied hebben, 't wel het moeilijkst en het slechtst hebben. Want zij moeten elk oogenblik ervaren, voor zoover zij de Kerk der Vaderen nog niet hebben verlaten, dat de volkskerk het heilig karakter der Kerk steeds heeft willen en moeten schenden, om de groote massa, zoogenaamd, te behouden.

Daarom is er een zuchten bij velen om verlossing.

(Wordt vervolgd).

Nog eens de Synodale voorstellen.

Hoewel we zelf reeds 'n artikel gaven over de Synodale voorstellen, die straks op de Classicale vergaderingen zullen worden besproken (Woensdag 29 Juni a.s.) willen we .hier gaarne overnemen, wat er door ds. H. Bakker van Amsterdam op de jaarvergadering van de Confess. Vereeniging van gezegd is. We knippen een stukje, uit het verslag uit, zooals we dat vonden in „De Geref. Kerk".

De spreker behandelde eerst even vluchtig de voorstellen der Synode, welke van administratieven aard zijn.

Voorstel 1, omtrent den ligger is een verbetering.

Voorstel 2 is een verduidelijking.

Voorstel 4 staat in verband met de waardevermindering van het geld. Hij adviseert tot aanneming van alle drie genoemde voor stellen.

Voorstel 3 is verreweg het belangrijkste.

Daar is iemand die gezegd heeft: de godsvrede van thans is geen vrede. Welnu wij voelen allen dat het niet gaat de kwestie te omzeilen, en moeten haar dus onder de oogen zien. De Kerk zal in haar Synode tot haar recht moeten komen en zoo ligt misschien in de Synode van 45 een eerste stap tot oplossing van de kerkelijke kwestie. Met opzet zegt de spreker dit zeer gereserveerd. Wij weten hoe de historie is. Het is een voorstel van Prof. Slotemaker de Bruijne. De meerderheid van Cl. Besturen en Prov. Besturen was er voor, doch het kwam op de practische uitwerking aan. Deze wordt nu voorgesteld in de wijziging van Art. III V. Alg. Regl.

De "vrijzinnigen zien in dit voorstel een spook. Heeft niet Boer gezegd : Prof. Slotemaker heeft het voorgesteld en dat zegt genoeg.

Zij argumenteeren aldus :

De Synode moet geen vertegenwoordiging zijn — zij willen dus echt de genootschapsgedachte. Zoo'n groote Synode wordt een praatcollege. Het wordt een spreken voor de tribune. Daar zal een zucht tot uitdrijven komen. Er zit wat achter. De vrijzinnigen zullen dus tegenstemmen. Zien zij hier een spook, referent zou willen zeggen : ik zie een luchtopening. Hij noemt de volgende voordeelen :

Ie. de Kerk zal door de luchtopening gemakkelijker ademhalen.

2e. Wij krijgen een zuiverder vertegenwoordiging. Wij behoeven maar te wijzen op de keuze van enke1e stemmen als in de prov. Utrecht, die een Synodelid afvaardigen op dit oogenblik. Met het voorstel vaardigt de classis af.

3e. De grootere gemeenten zullen in de' Synode beter vertegenwoordigd zijn.

4e. Allicht komt er zoo meer vertrouwen in de Synode.

5e. De kans op reorganisatie ontstaat. Luister maar naar tegenstanders als Eilerts de Haan, die den volke waarschuwt en zegt: dan komt de reorganisatie, want dan is er een lichaam, dat haar zal brengen.

Al de genoemde voordeelen wijzen er op dat de belijdeniskwestie niet meer begraven zal kunnen worden onder den administratieven arbeid.

Onze conclusie is alzoo : men verwachte toch niet rechtstreeks van dit voorstel reorganisatie der Kerk. Doch er komt een reorganisatie van de Synode en zoo zal de schroef, welke ons kerkelijk leven vasthoudt, losser komen te zitten.

Een ding is echter heel jammer. Het voorstel is anders ingediend dan het oorspronkelijk bedoeld was door Slotemaker. In het thans ingediende voorstel wordt aan die groote Synode onthouden de besturende en rechtsprekende macht. Het voorstel geeft alleen de wetgevende macht en de rechtspraak komt bij een college van 5 personen. Daarom geeft de referent zijn amendementen, waardoor ook de besturende en rechtsprekende macht komt bij de groote Synode.

Ds. den Hertog vraagt naar de kosten. De voorzitter wijst er met nadruk op dat dit oude argument toch niet mag gelden. Voor de belangen der Kerk moet het geld. er komen. Bovendien kan toch iedere classis zijn eigen afgevaardigde bekostigen.

De vergadering gaat met de voorstellen accoord."

Tegelijk willen we hier de conclusie van het rapport dat door een Commissie van advies aan de Ver. van Vrijzinnige Hervormden is uitgebracht, overnemen.

Deze conclusie luidt :

„Resumeerende, is uwe commissie van oordeel, dat eene grootere Synode overweging verdient; eveneens wat aan die Synode moet worden opgedragen, en wat aan eene Synodale Commissie, maar dat het in elk geval aanbevelenswaardig is, wanneer de rechtspraak aan eene afzonderlijke commissie worde opgedragen, wier leden ook gekozen kunnen worden uit niet-leden der Algemeene Synodale Commissie ; maar dat de commissie dit voorstel der Synode, gelijk het de Kerk is ingezonden, ten sterkste ontraadt èn om den onjuisten opzet èn om de onbevredigende uitwerking".

Afgesprongen.

Te Zutphen was bijna een overeenkomst gesloten tusschen de orthodoxen en de vrijzinnigen in de Herv. gemeente aldaar ; maar op 't laatste oogenblik is het nog afgesprongen. De orthodoxen (ethischen) hebben zich teruggetrokken.

Men had tot deze overeenkomst willen komen-: gedurende 10 jaren zouden de twee richtingen niet in het openbaar tegenover elkaar in 't strijdperk treden. Ieder zou in eigen kring voortgaan naar eigen beginsel te werken en eigen fractie zooveel mogelijk uit te breiden en te versterken, maar men zou niet elk jaar strijd voeren om in het Kiescollege rechtsche of linksche Gemachtigden verkozen té krijgen, daar eik jaar, naar afspraak, zooveel van links en zooveel van rechts zouden worden gecandideerd, met de bedoeling ze zonder stembusstrijd verkozen te krijgen. Ook zouden door het Kiescollege rechtsche en linksche ouderlingen en diakenen worden benoemd, naar afspraak.

Wat een toestand toch, dat in onze Herv. Kerk modern en orthodox samen woont! Is het niet een Koninkrijk dat tegen zich zelf verdeeld is ? Verzwakt men zich zelf niet; verteert men zoo niet eigen kracht ? Is het wonder, dat de Herv. Kerk met het jaar aan invloed op het volk verliest? Is dit nu een Kerk, waar door den een geloochend wordt, dat Jezus uit den dood is opgestaan, terwijl de ander zegt, dat dat het fundamentstuk van het Christelijk geloof is ? Dat men toch niet - wijzer wordt ! Heeft men er dan pleizier in de Herv. Kerk naar den grond te helpen ?

Maar dat maar als tusschen twee haakjes ! Waarbij nog gevoegd zou kunnen worden de opmerking, dat de vrijzinnigen toch zoo'n poovere figuur slaan in het midden van een Kerk, waar ze niet thuis hooren.

Laat Zutphen ook maar eens spreken I Wie is daar meer op z'n plaats, de orthodoxe of de vrijzinnige ? Het kerkgaan bewijst het. De statistiek van kerkelijke bezoeken, onlangs gepubliceerd, bewijst het bovendien. Neen, het element van onze Herv. Kerk is niet het vrijzinnige, dat is het orthodoxe. Dat bewijst stad en dorp I Maar ook dat maar even als tusschen twee haakjes. 

In Zutphen wilde men dus, op initiatief en op verzoek van de vrijzinnigen, tot een overeenkomst komen. En de orthodoxen waren besloten daarop in te gaan. Om in eigen kring vrij te blijven en ook de anderen^ vrij te laten, maar intusschen niet in het openbaar, gedurende 10 jaren, een stembusstrijd te voeren.

Vrijzinnigen en orthodoxen waren van gevoelen, dat geen der, beide partijen iets van haar beginsel vallen liet. Dat ook de eene richting niet verantwoordelijk zou wor den gesteld' voor 't geen door de andere richting wordt gepredikt, geleerd, gewerkt enz. En natuurlijk alleen als men het zóó opvat, zou er van een dergelijke overeenkomst iets kunnen komen.

Maar nu is dr. Niemeyer er in het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden tusschen gekomen en heeft gezegd, dat de orthodoxen in Zutphen gedurende de jaren, dat de overeenkomst zou gelden, voor den toestand in de gemeente en dus ook voor het prediken der vrijzinnigen mede verantwoordelijk waren.

Hoe of iemand, van' het standpunt van dr. Niemeyer, nu zoo iets zeggen kan is ons een raadsel. Maar dat doet er minder toe. 't Is gezegd en geschreven. En de orthodoxen hebben het ter harte genomen en nu .gezegd : maar dan sluiten we de overeenkomst niet!

Zij hadden te voren eerlijk verklaard niet voor evenredige vertegenwoordiging te zijn en niet als voorstanders vart dat ongelukkige stelsel te willen gerekend worden ; ook hadden ze gezegd, niet verantwoordelijk gesteld te willen worden voor de moderne preeken. Ze Wilden alleen, dat voor 10 jaren het zwaard niet in het openbaar zou worden gehanteerd, met verdeeling van plaatsen in het Kiescollege en Kerkeraad, terwijl intusschen iedere partij bleef wat ze is en in eigen kring zou voortgaan zich naar eigen beginselen uit te breiden en te versterken ; meenende zóó in het belang van de gemeente te handelen.

Komt er nu iemand als dr. Niemeyer om te schrijven zooals hij deed — dan is het natuurlijk te begrijpen, dat de orthodoxen te Zutphen aan de moderne tegenpartij vragen : denken jullie er óok zoo over of r\iet ? En het is te verstaan, dat zij in de pers, dat is in het openbaar, een antwoord verlangden. Waren de vrijzinnigen in Zutphen veranderd van gevoelen of niet ?

De modernen in Zutphen hebben gewei g e r d op het verzoek van de orthodoxen in te gaan ; ze wilden geen verklaring in de pers geven. En toen hebbén de orthodoxen gezegd : als jullie dan óok van het gevoelen van dr. Niemeyer zijn, dan bedanken we stichtelijk voor de eer en we sluiten de overeenkomst niet.

Wij zijn dr. Niemeyer dankbaar, dat hij zich zóo in de kaart heeft laten zien. Hij was bang, dat de orthodoxen bij deze overeenkomst meer macht en meer invloed zouden krijgen, dan hem lief is. En daarom ging hij nu, waar men in Zutphen van.rechts en van links, om de wille van de Gemeente, reeds de voorwaarden bepaald had, de modernen wakker schudden en zeggen : wees toch zoo dwaas niet 1 Om tegelijk de, orthodoxen voor een eisch te stellen, 'dien zij nooit kunnen en zullen aanvaarden. Niet één 1

Wij, voor ons, zijn blij dat deze zaak nu van de baan is. En nu niet alleen voor Zutphen, maar over héél de linie. Nooit en nergens kan één orthodox lid onzer Ned. Herv. Kerk op die voorwaarde tot een overeenkomst met de vrijzinnigen komen. Als men de orthodoxen zet voor den eisch : Ge moet u mede verantwoordelijk stellen voor de moderne prediking, dan antwoordt alles wat orthodox is, in koor : dat nooit ! neen nooit! ! Daarin zijn we als broeders één.

Liever een langen strijd, als 't zijn moet, dan op die manier vrede te hebben. En als 't dan moet, dan willen we toch nog wel eens zien wie de sterkste is in de Herv. Kerk. Of zou het niet beter zijn, dat in andere richting een oplossing van het kerkelijk vraagstuk gezocht werd ? Ons dunkt van wel.

Maar als het langs een weg van strijd moet, waarin beslist zal worden er óp of er ónder — welnu, als 't m o e t, dan durven we het aan. Voor ons is het geenszins twijfelachtig wie ten slotte de sterkste zal blijken te zijn.

Niets positiefs.

Wat zotte dingen een mensch toch zeggen kan als hij 'n scheeve zaak rechtpraten wil. Zoo ook dr. Niemeyer, die al maar de menschen wil wijs maken, dat de modernen niet oneerlijk Handelen, als ze als predikant of lidmaat tot de Herv. Kerk toetreden. Voor een gewoon mensch is het zoo klaar als de dag, dat als men verklaart in te stemmen met de belijdenis, dat men dan de fundamentstukken der belijdenis niet mag loochenen. Dat als men belooft het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen, zooals dat door heel onze belijdenis telkens op dezelfde wijze nader wordt verklaard, men dan niet de hoofdwaarheden van dat Evangelie mag verwerpen.

Maar dr. Niemeyer ziet dat anders en dié wil nu de menschen maar wijs maken, dat de Herv. Kerk geen belijdenis heeft; 't is geen eigen Kerk ; 't is slechts een toevluchtsoord voor degenen die niet tot de Roomsche niet tot 'de Luthersche, niet tot de Remonstrantsche Kerk behooren en toch ergens ondergebracht moeten worden. De Herv. Kerk is zelfs niets ; heeft geen eigen historie, geen eigen type, geen eigen belijdenis, 't Wil slechts zijn een vriendelijk toevluchtsoord voor dakloozen, en daar wordt immers niet naar belijdenis of wat ook gevraagd ! Onbeperkte vrijheid !

Gij gelooft het niet, dat zulke dwaze dingen verkondigd worden door een zoo knap man ? Gij gelooft het niet, dat zoo onze Herv, Kerk wordt beleedigd en gedegradeerd tot een vereeniging zonder eigen historie, eigen type, eigen levenssfeer ?

Welnu laten we dan een stukske overnemen uit een artikel uit het , - , Weekblad voor de Vrijz. Hervormden", handelend over „Staatssubsidie voor Kerkgenootschappen" (9 Juni j.L).

Dr. N. meent dat vooral het Herv. Kerkgenootschap wel wat mag hebben van de Regeering. Want dat is nu juist een genootschap zonder weerga. 

Hij zegt dan : „Onze Herv. Kerk is waarlijk niet enkel een vereeniging van menschen, die zich hebben aaneengesloten in het belang van hun eigen godsdienstig leven. Men kan zeggen, dat tot de Hervormde Kerk allen worden gerekend, die zich niet bij een ander Kerkgenootschap hebben gevoegd".

Zóó staat het er. De laatste cursiveering is van ons, om het' nog wat beter te doen uitkomen, dat wat wij onzin en een beleediging voor onze Herv. Kerk noemden, werkelijk zoo geschreven is.

Omdat dr. N. zelf toch ook nóg wel iets er van voelt, dat hij dingen zegt, die te dwaas zijn om alleen te loopen, leutert hij er nog wat bij.

. Hij zegt verder : „Reglementair wordt het natuurlijk niet met deze woorden uitgedrukt, maar practisch komt het er toch op neer. Inderdaad wordt ieder, die zich niet bij een ander Kerkgenootschap heeft aangesloten, als Hervormd beschouwd". (Cursiveering van ons).'

Dr. N. voelde, dat de onzin er met éénmaal zeggen wel niet genoeg in zou gaan; daarom herhaalt hij 't nog maar eens. Nu zal 't wel geloofd worden ! Toch zullen er wel blijven, die 't niet gelooven en die er niet mee dwepen. Dr. N. voelt dat zelf ook wel.

Daarom vervolgt hij : „Men geeft hiervan wel - eens een minder gunstige voorstelling door smalend te zeggen, dat de Herv. Kerk een vergaarbak is van alles en nog wat Laat men vrij smalen. Wij zijn echter van oordeel, dat men dan smaalt op iets hoogs. Naar onze meening strekt het de Herv, Kerk tot groote eer, dat zij niet enkel iets wenscht te zijn voor wie zich als lidmaten bij haar hebben gevoegd, doch ook wil trachten in te werken op onverschilligen en onbelangstellenden, dat zij volkskerk wil zijn in dien verheven zin, dat zij, voor het gehéele volk en dus voor allen, die zich niet zelf van haar hebben afgewend, nuttig wil trachten te zijn. Zij zoekt geen beperking, maar tracht haar beschuttende vleugelen zoo vér mogelijk uit te slaan".

Wat een reeks van verwarrende woorden in een paar zinnen, waarbij de dingen erbarmelijk dooreen gehaspeld worden.

In eens wordt op iets anders overgesprongen n.l. op 't geen de Kerk van Christus tot taak heeft in 't midden des volks. Maar waarbij tegelijk weer gelanceerd wordt, dat de Kerk „geen beperking" zoekt; wat in dit verband zeggen wil : geen belijdenis er op nahoudt en voor ieder, die tot geen ander Kerkgenootschap behoort, een toevlucht is. Een Vereeniging van elk wat wils, tot nut van 't algemeen. Dat is óok een standpunt.

Een volkskerk zonder belijdenis, met onbeperkte vrijheid. En zoo heeft de Roomsche Kerk een eigen stempel ; de Luthersche Kerk een eigen geschiedenis ; de Doopsgezinde Kerk enz. een eigen milieu. Maar de Herv. Kerk heeft niets dan negatiefs. Zij is voor allen die niets zijn. En positiefs heeft zij niets. Een „eigen" Kerk is zij niet. 

Kan men onze Herv. Kerk nog grooter beleediging naar 't hoofd slingeren ? Is dat nu verstandig ?

Door de Ver. voor Christ. Volksonderwijs is op de Algemeene Vergadering van 28 Mei van het vorige jaar te Amersfoort een Commissie benoemd om over het verzoek

tot aansluiting bij den' Schoolraad advies uit te brengen. Dat advies is nu gepubliceerd en het blijkt, dat de meerderheid der Commissie van oordeel is, dat Chr. Volksonderwijs zich niet moet aansluiten. De minderheid der Commissie is van tegenover gesteld gevoelen.

• Hoewel we deze conclusie hadden verwacht, betreuren we het toch, dat dit advies nu gegeven wordt aan de Algem. Vergadering — die, juist nu we dit schrijven te Amsterdam is samen gekomen en na discussie met 39 tegen 4 st. besloten heeft, het advies der Commissie te volgen en dus niet aan te sluiten. Is dat nu verstandig?

De Schoolraad is het lichaam, dat tusschen de Regeering en de scholen is komen staan en op uitnemende wijze de scholen dient bij alles wat verband houdt met de rijkswetgeving. Hierin heeft de Schoolraad ontegenzeggelijk z'n sporen verdiend en is daarbij een lichaam, dat niets kerkelijks heeft, maar zuiver administratief werkt en juist, strikt onpartijdig zijnde, al de scholen zoo 'uitnemend dienen kan, vooral nu het Bureau verplaatst is naar Den Haag en een rechtskundige als mr. Terpstra daar de leiding heeft.

Christelijk Volksonderwijs zal dan nu afzonderlijk blijven staan. Om precies hetzelfde te doen wat de Schoolraad reeds doet. De scholen van adviezen dienen inzake wetsuitlegging, toepassing enz.

Wat indruk maakt dat nu weer op de wereld ? En wat verkwisting van geld, van veel geld, dat zooveel béter gebruikt kan wor­den. Een deel, een groot deel van de contributie moet nu besteed worden voor iets dat totaal overbodig is. Overbodig ? Neen I zoo zeggen de mannen van Christ. Volksonderwijs. Wë moeten als „Hervormden" ons zelf blijven.

Als het gaat over uitlegging van de wet? Als het gaat om administratief een schakel te vormen tussohen de Regeering en de Scholen ?

We moeten eerlijk zeggen, dat we de houding van Z.Ex. den Minister van Onderwijs, dr. de Visser, die de Vergadering van Chr. Volksonderwijs bijwoonde, niet begrijpen, dat hij niet op de ketting gesprongen is.

Leeraart hij zelf niet elk oogenblik, dat de mannen van het Bijz. onderwijs toch zuinig moeten zijn en hun krachten niet versnipperen en hun geld niet noodeloos uitgeven?

't Is jammer ! Maar — zoo is gezegd: het gaat om 't Hervormd karakter der Vereeniging te bewaren.  't Kan zijn. Hoewel 't ons niet duidelijk is, hoe bij samenwerking met den Schoolraad het „Hervormd" karakter van Christ. Volksonderwijs in 't gedrang zou komen.

Men blijft toch overigens een „eigen" Vereeniging, met eigen organisatie, eigen inspectie enz.

Alleen in 't geen de Schoolraad doet kon en moest samenwerking worden gezocht.

Wil men echter — en dat is iets wat we tegelijk nu nog eens zeggen willen — wil men echter een Hervormde Schoolvereeniging zijn, dan moet men het toch wat anders aanleggen, dan Christ. Volksonderwijs tot nu toe gedaan heeft.

Want men kiest steeds welbewust de ethische richting. Wat ethisch is is in Christ. Volksonderwijs aan bod. Ds. van Noort, dr. de Visser, dr. van Gheel Gildemeester enz. enz. zijn daar de mannen. Ook achteraan hinkend anderhalf confessioneel man. Maar dat is niet „Hervormd".

Maar dat is niet „Hervormd". Waar we vooral een streep onder willen zetten, daar.op de jaarvergadering betoogd is, dat de school het voorportaal van de Kerk is.

Door de school naar de. Kerk. En dan de school, de schoolvereeniging met de leiders althans in ethische banen geleid.

Dat is het gevaar van Christ. Volksonderwijs waar alles ethisch is wat de klok slaat.

Men wil wel graag ook onze scholen, onze scholen op geref. grondslag.

En er zijn helaas 1 tal van Herv.-Geref. scholen, die zoo onnoozel zijn om zich bij Volksonderwijs aan te sluiten.

Maar alles wat men krijgt is ethische kost

Wat ook dreigt van de Kweekscholen. ^

En juist, omdat we óók er iets van voelen, dat de school ten nauwste verband houdt met de Kerk, willen we op dat gevaar nog eens wijzen. Jammer, dat de dingen zoo geloopen zijn en zoo voortgaan.

Dan voelen wij ons beter thuis bij de Vereeniging voor Christ. Nationaal Schoolonderwijs, waar Hervormden, Gereformeerden en Lutherschen samenwerken. En waarnaast de Schoolraad staat met een eigen taak.

t Wordt toch moeilijk om te verstaan.

„Wel zeer. terecht noemt de overlevering Jezus' leerlingen, wanneer zij op het eerste Pinksterfeest na Zijn dood optreden als apostelen, vervuld met den heiligen geest" — aldus begint dr. Niemeyer een stukje onder „Allerlei" in het Weekbl. voor de Vrijz. Hervormden.

Wat Gods Woord ons meldt van de uitstorting des H. Geestes op Pinksterfeest is „overlevering". Dat is een legende, , een fabel.

„Men moet hierbij niet denken aan iets wonderdadigs, aan het een of ander, dat van buiten af over of in hen werd uitgestort" — zoo lezen we verder. De mensch heeft den heiligen geest in zich. Die geest is in den mensch uitgevloeid, als de sprank van Gods leven. En nu werden de discipelen, die eerst verbijsterd waren, weer vurig van geest. „Zoolang de Meester leefde, waren zij hem gevolgd, bekoord en getrokken door zijn persoonlijkheid. Hun aanhankelijkheid gold meer zijn persoon dan den inhoud van zijn prediking. Zij lieten zich geheel door hem leiden. Toen hij hun ontviel, verloren zij daarom hun steun, waren zij verbijsterd en radeloos, ten prooi aan twijfel en smart". „Maar als dan na de duisternis het licht daagt, als dan na twijfel en nood een zelfstandig, een eigen geloof opgroeit, dan leeft het ook en is het krachtig". Dat is het „vervuld worden met den H. Geest" !

Hier wordt dus heel het Bijbelsch verhaal van de uitstorting des H. Geestes op het Pinksterfeest onderstboven gestooten. Dat is maar inkleeding, overlevering, legende, fantasie.

Maar wat de dingen nu zoo moeilijk maakt ? Als de apostelen dan gekomen zijn tot een zelfstandig, tot een eigen geloof, gaan ze prediken en gaan ze schrijven. En dat zal dan dr. Niemeyer zeker wel voor waarheid aanvaarden ? Neen ! Want wat'de apostelen dan prediken en schrijven is absoluut bezijden de waarheid. 't Wordt toch moeilijk om te verstaan, waar die discipelen zich zoo hóóg hadden weten op te werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's