De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

»En zij hebben hunne lange, kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn ze voor den troon Gods. Openb. 7 vers 14b en 15a.

IN WITTE KLEEDEREN,

Dat was met recht een hemelsoh gezicht dat Johannes zien mocht : den troon van God omringd door eene schare, die niemand tellen kan, huppelend voor Gods aangezicht met het Lam in het midden, palmtakken in de handen, bekleed met het witte kleed der overwinning.

Heerlijk was het zien, niet minder heerlijk wat hij hoorde. De ontelbare schare zingende bij beurte : de zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit en het Lam. Was het wonder, dat alle Engelen met de ouderlingen nedervielen op hunne aangezichten, het „Amen" uitjubelende op het gezang der-verlosten.

Den hemelkoren werd nog nieuwe luister bijgezet door een nieuwen engelenzang „de lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen."' Dit alles mocht de Apostel hooren en aanschouwen.

Kon het wel anders of de gedachte moest bij hem oprijzen.: wie zouden ze wel zijn en vanwaar zouden ze komen ?

Eén der ouderlingen leest deze gedachte van zijn aangezicht. Ik zal het u zeggen : zij komen uit den druk, zij komen uit de groote verdrukking. Zij zijn bewoners geweest van de aarde, gelijk als gij. Alleen dit heeft er met hen plaats gehad : zij zijn gewasschen in het bloed des Lams en zoo zijn zij thans in de heerlijkheid gekomen, na dat de laatste band door den dood werd verbroken. Ze zijn thans voor den troon in hemelsche kleedij.

Laat ons deze waarheid een oogenblik overdenken. Wat lezen we : „Ze hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams."

Dat is het wit dat alleen in den hemel wordt toegelaten. Dat is het nu enkel 'wat toegang bieidt. Onze hope moet enkel gesteld op Hem. Er wordt geen kleed gewasschen in tranen van verdrukking. Ze worden niet hemelsch door tranen van berouw. Alléén door het bloed van het Lam. Christus, de Eengeborene, stelt door Zijne offerande een gansch schuldig volk volmaakt voor Gods aangezicht.

Ze zijn van het hoofd tot de voeten geheel bekleed, er is geen onrein, niet een enkel vlekske meer aan hen te speuren.

Hoe heerlijk deze bedekking van Christus is, hoe hierdoor alles is veranderd, wordt u wel zeer duidelijk door het gansch niet herkennen dat Johannes deed. Hij wist niet wie ze waren.

We willen eens een vraag stellen. Zouden de gezaligden die voor den troon zijn zichzelf wel herkennen als ze met aardsche oogen zichzelf eens konden gadeslaan ? Gerustelijk neen.

Het is zoo kostelijk opgemerkt : in het leven van een kind des Heeren doen zich telkens van die punten voor. Het begint met de ellende. Als éen zondaar in Gods wet aan zichzelf ontdekt wordt, dan doet hij een tred achterwaarts en spreekt: „Ben 'k dat, Heere? Ben ik zoo zwart ? " En dan komt het Nathan's woord : „die man zijt gij."

Maar als de Heere nu dezen onwaardige genade bewijst, door hem toe te spreken : „zwart zijt ge, maar Mij liefelijk, uw meest zwarte zonden wasch ik rein", zie dan grijpt het 2de wonder plaats in de verlossing.

Dezelfde mensch schrikt nu weer. Daar komt iemand naar voren die toebereid wordt voor de bruiloft.

Zij is geheel verheerlijkt inwendig, hare kleeding is van gouden borduursel. Nu komt het wederom : ben ik dat Heere, deze toebereide bruid in gouden borduursel. Er kleeft niet het minste gebrek meer aan. Dat is nu het grootste wonder.

Neen, zegt de Heere, Ik zal u nog grooter heerlijkheid openbaren, n.l. in de eeuwigheid.

Als een verloste ziel wordt voortgeleid en binnengelaten om onder de schare der lofzingenden hare plaats in te nemen, als zij daar in de kristallijnen zee zich zelve ziet, in het blinkend wit dan is het wederom : „ben ik dat Heere ? "

Zie, dan wordt weer een nieuw lied aangeheven : de zaligheid zij onzen God, Die op den Troon zit en het Lam.

Dat witte gewaad zal boven de stoutste verwachtingen uit klimmen.

Nu vat ge het ook : daarom zijn zij voor den troon Gods. Zij behooren hier thuis. In den reinen hemel passen gereinigde zondaren. Zij behooren bij elkander.-

Dit is de bedoeling. In deze eindbestemming spitst zich alles toe. Het bloed van Christus maakt hen zoo, dat ze in den hemel pas hun plaats vinden.

Nu zijn ze in hun dienst, 't Was op deze wereld nog altijd zoo hoogst gebrekkig, zoo telkens nog het hoofd gewend naar twee zijden.  't Was er nog zoo noodig het zacht vermanend woord : „kom, o dochter en zie en neig uw oor en vergeet uw volk en uws vaders huis, zoo zal de Koning lust hebben aan uwe schoonheid". Nu zal het beter gaan, nu is het een diegen dag en nacht.

Wanneer we hier éen opmerking mogen maken : deze uitdrukking herinnert nog aan de aardsche bedeeling.

Hiermee wordt aangegeven „onafgebroken" of beter nog „ongestoorde dienst". Nu mogen ze zich geven geheel. Daar is niets meer wat tegen houdt.

Het kan een kind des Heeren zoo oprecht leed doen, zoo echt smarten aan de ziel, dat er van' al de goede voornemens ook bij het meest ernstige willen, nog zoo heel weinig terecht komt.

Het blijkt zoo volkomen, dat er in het vleesch geen goed woont. Daar bot geen nieuw leven uit. De vrucht wordt enkel afgelezen van den stam „Christus".

Ziet, nu al het oude is voorbijgegaan, wordt het een volstandig dienen.

Te kunnen wat men wil en niet anders te willen dan wat God verheerlijkt, ziedaar het geheim van het hemelleven. Zij zijn dag en nacht voor den troon Gods.

Wat zou dat beteekenen, lezer ? Het een schijnt me al heerlijker dan het andere.

Voor den troon d.w.z. in de onmiddellijke nabijheid van den Hemelkoning, daar, waar Hij Zijn staf toereikt, waar Hij Zijn schèpter overhandigt, waar Hij het hooren laat: Ik heb u gekocht en vrijgemaakt. Voor eeuwig zijt ge de Mijne. Hier zijt ge veilig. Alle gevaar is hier geweken. Van dezen troon gaat voor u uit niet anders dan enkel genade, geheele zaligheid.

„In Zijn Tempel". " Ook dit moet worden-opgevat in denzelfden zin.

In den hemel is geen nacht meer; toch wordt gezegd „dag en nacht" d.i. onafgebroken. Zoo ook is de uitdrukking „in Zijn Tempel" te verklaren. In den hemel is ook geen tempel meer.

Wat er mee aangeduid wordt is dit: in Gods Tempel ontmoet de zondaar den Allerhoogste. Daar ontvangt hij zijn vrijspraak. Daar heeft hij den allerteedersten omgang met den Heere.

Zoo is het ook in den hemel — ja nog wel een weinig klaarder en heerlijker. Immers in den tempel beneden hing nog een voorhang; was God als verscholen in de donkerheid. Daar zag men het bloed der reiniging niet.

In dezen Tempel is het altijd licht. Daar schijnt de gouden kandelaar juist in het heilige der heilige. iHet bloed van het Lam heeft den voorhang doen scheuren.

De Priester kwam maar in, een enkelen dag, slechts éénmaal. Maar hier immer door, onafgebroken : altijd ziende. Zoo goed is de Heere; zoo , goed was Hij van eeuwigheid.

In het huis des Heeren hier beneden waar gesproken wordt over dat dierbare offer, over die. volkomene ontsluiting, over dien wonderlijken weg waardoor goddeloozen ontvlieden, kan het voor de zoodanigen reeds iets heerlijks zijn.

Hier wordt gehandeld over mijn leven. Hier kan ik'nooit genoeg van opvangen. Hier wordt het verstaan : •

Eén dag is in Uw huis mij meer. Dan duizend daar ik U ontbeer ; 'k Waar liever in mijns Bondsgods woning Een dorpelwachter, dan gewend Aan d'ijdle vreugd in 's boozen tent.

Nu dag en nacht, d.i. ongestoord te mogen hooren op hemelsche wijze hoe God zondaren verlost.

Van de oude Anna lezen we, dat ze niet week 'uit den Tempel, omdat ze haar heil, haren Heiland verwachtte. Ze week niet. Nu, dat wordt hier gevonden.God ontvangt allen lof voor Zijn onuitsprekelijke genade.

Nu mag de vraag niet langer achterwege gelaten : zijt gij ook al met dat blijde vooruitzicht vervuld : straks ga ik deze schoone erfenis mee-deelen met datzelfde volk voor denzelfden troon, gekleed in het hemelsch wit?

Dit 7e hoofdstuk van de Openbaringen ligt als tusschen de oordeelen Gods verscholen.

Klinkt.daarvoor, : wie kan bestaan? vlak daarop : en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksem en aardbeving. Trilt en schokt en beweegt daar de aarde van weedom, 't is hier alles liefelijkheid.

Het eenige, - waarvan ge zeggen kunt : daaraan kleeft bloed, daar staat de dood achter, is van den Zone Gods. Hij heeft niets achtergehouden. Hij heeft niet afgelaten vóór de Zijnen waren verzegeld, vóór hun kleed was gereinigd in Zijn bloed.

Mogen we u hierop wijzen, lezer, als dit offer voor u nog niet mag gelden, 'kan het onmogelijk'schorten aan den Heere. Zijn bereidwilligheid is u bekend. Hij getuigt immers Zelf : den ganschen dag heb ik Mijn handen uitgebreid tot een wederstrevig volk. 

Daar is bij u nog geen lust en begeerte om gezaligd te worden. " Zou daarin geen verandering moeten worden aangebracht. Hij is nog gewillig. Doch eenmaal houdt de tijd van genadig-zijn op.

Och, dat uw harte toch teeder mocht worden. Het Woord des Heeren liegt niet.

En nu geldt : wie kan bestaan als Hij komt. Alleen het bloed des Lams moet u dekken.

Voor Johannes was het eên vertroosting te mogen hooren van deze dingen.

Uit den druk word ik straks ontslagen. Zoudt ge 't niet met me eens zijn, gij, die ook nog zoo vaak bevreesd u afvraagt: wat zal hét worden? dat het, wanneer zulk eene vertroosting wordt geboden, hier nog wel uit te houden is. Laat dan Farao maar lasten opleggen, laat dan de drijvers maar de zweep laten knallen ; Het gaat Egypteland uit. Het einde zal zijn : in Kanaan binnengevallen.

'k Wil u ééne vraag nog stellen voor ik eindig : daar is een volk dat God vreest. Ge herkent hen hieraan : ze hebben hun vaderland hier niet meer. Zij zijn, hier vreemdelingen geworden. De wereld houdt niet van hen en zij niet van de wereld. Over zich zelven zijn ze niet tevreden, verre van dien. Zij verlangen verlost te worden geheel. Zij zien uit naar de vrijmaking. Deze ure breekt aan.

Troost u hiermede, gij, die dit weten moogt, wijl de Geest getuigt met uwen geest, dat ge Christus toebehoort. Het lijden van dezen tegenwoordigen tijd is niet te waardeeren tegen de heerlijkheid die aan u zal geopenbaard worden.

Verblijdt u daarin. Het bruiloftskleed ligt te wachten. Alleen die het dragen zal-moet nog worden ingebracht.

'k Zou u dit willen vragen : Wat kan u nu nog hinderen Straks zijt gij bij Gods kinderen Dan zijt gij eeuwig thuis.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's