De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

8 minuten leestijd

Van 's levenspad

'k Wil mijn misdaan, die U tergen, Niet verbergen, Ik bedek voor U die niet, 'k Ben vanwege al mijn zonden, Die mij wonden. Vol van kommer en verdriet. Dit vers werd zacht gezongen door een jongeman die op het perron van een klein tusschenstation liep te wachten op den trein, waarmede hij moest vertrekken.

Droevige trekken op zijn gelaat vertelden dat hij door zwaren druk gebogen voortging over 's levenspad, dat hij dit niet opgewekt of verblijd kon betreden, waarvoor wel reden was, want de weg was voor hem vol moeite en druk, met vele tegenspoeden had hij te kampen. Veel zou hij kunnen vertellen van de bezwaren, welke hij gedurig ontmoette, welke hem vaak moedeloos deden voortgaan, doch dat alles werd overtroifen door wat hem thans was overkomen. Eenige maanden geleden had het meisje dat hij beminde, hem op zijne vraag, of zij zijne vrouw wilde worden, geantwoord, dat zij hem gaarne tot levensgezeilin wilde zijn, dat zij ook hem beminde en dat ook haar wensch was met hem verbonden de reis over 's levenspad voort, te zetten.

Blijde, gelukkige dagen waren daarop gevolgd, doch die duurden slechts kort, want spoedig daarop werd zij op het ziekbed neergeworpen.

Thans was hij weer enkele dagen bij haar geweest, had hij met droefheid vervuld aan haar sponde gezeten en nu moest hij weer vertrekken, daar zijn arbeid hem elders riep

Daarom liep hij droevig op het station, wachtende op den trein, welke hem weer ver weg zou voeren van haar, met wie hij wenschte verbonden te zijn en daarom ook kwam die klaagzang hem over de lippen, want al dien tegenspoed en druk zag hij als het gevolg van zijn vroeger leven, wat hij in den dienst der wereld doorbracht. Daarom, dacht hij gedurig weer, kwam de Heere hem nu bezoeken, deed hem dat alles toekomen ; want door zijn leven in de zonde gevoelde hij zich niet meer waardig nog ooit .gelukkig voort te gaan.

De trein kwam aanrollen, om, na even gestopt te hebben, in welken tijd ihij een plaatsje opzocht, de reis weer voort te zetten.

Hij zette zich in een hoekje van de coupé neer en richtte zijn blikken naar buiten, naar , de plaats waar het liefste wat hij op aard bezat, op het ziekbed neerlag. De invallende duisternis belette hem echter die plaats duidelijk te onderscheiden, doch zijn oog werd door iets anders geboeid, namelijk een smalle gouden streep aan den gezichteinder, welke wonderschoon afstak tegen de bewolkte, donkere lucht. Lang bleef hij daar naar staren, terwijl de' lichtende gouden streep steeds mooier uitkwam naarmate de duisternis viel.

De trein, welke intusschen steeds doorgereden was, naderde nu een station en begon zijn vaart reeds te minderen, toen het uitzicht hem opeens werd benomen. De lichtende gouden streep werd aan zijn gezicht onttrokken en 'n geheel ander schouwspel zag hij voor zich, namelijk een groot veld, waarop vele tenten stonden en een menigte zingende en joelende menschen dooreen krioelde, wat geheel verlicht werd door een groot aantal schelle lichten. Het was een kermisterrein, een plaats, waar'de wereld in al haar volheid werd gediend, waar zij hare genietingen bood aan hare dienaren. Spoedig was dit echter weer voorbijgereden, stoomde de trein het station binnen, om na eenig oponthoud weer verder te gaan.

Zoodra de trein het station verlaten had, keek de jongeman uit of die lichtende gouden streep nog zichtbaar was, doch die was nu geheel verdwenen. Daarna zette hij zich gemakkelijk neder en ging overpeinzen wat hij zooeven had gezien, die lichtende gouden streep en het kermisterrein, wat hem was als twee beelden uit zijn eigen leven. Het kermisterrein was het beeld van waar hij vroeger in verkeerde, waar hij vroeger in leefde, want toen ging zijn lust en begeerte uit naar alles wat de wereld bood. Op plaatsen, welke hij zooeven zag, te verkeeren, was zijn vermaak, daar ging vele-lange jaren zijn hart naar uit. Zijn geheeie jonge leven, de dagen zijner jongelingschap had hij doorgebracht in de genietingen der wereld, daarin slechts wilde hij vertoeven, daarin was z'n eenigst en grootst genot, totdat de Heere hem kwam opzoeken, hem staande hield op dien breeden weg des verderfs en in zijn hart een lust en begeerte lag, welke uitging naar Hem en Zijnen dienst.

Die donkere wolk met die lichtende gouden streep, welke hij had aanschouwd, was hem echter een beeld uit zijn tegenwoordige leven, een beeld van waar hij thans in verkeerde, want donker en bang was de weg waarop hij voortging, door "zwaren druk gebogen ging hij daarop voort, doch nu was het hem alsof hij aan het einde van zijn pad ook zulk een lichtende gouden streep kon ontwaren, die hem vertelde, wat straks aan het einde van zijn leven zou komen, dat hij dan het gouden licht van de eeuwige welgelukzaligheid zou aanschouwen. Daar te zullen komen kon hij, 'die vaak vreesde voor eeuwig te zullen omko­men, thans even gelooven en dat deed hem al het bange leed, waaronder hij gebogen ging, even vergeten, dat deed al zijn droefheid verdwijnen.

Inmiddels was de trein zijn woonplaats genaderd, waar hij dien geheel, anders verliet dan hij daarin gestapt was, want had hij geheel moedeloos en droevig daarin plaats genomen, nu kon hij dien bemoedigd en vertroost weer verlaten, kon hij huiswaarts gaan met een danktoon in het hart, dat de Heere door Zijn Geest indachtig had willen maken alles wat Hij hem deed. De Heere deed hem door Zijn Geest weer zien, dat Hij hem uit het midden der wereld gerukt had, dat Hij naar hem omzag toen hij leefde in al haar genietingen, maar méér nog, want die Geest had hem ook weer een oogenblik willen schenken, waarin hij kon gelooven en vertrouwen, dat de Heere Zijn werk aan hem zou voortzetten en voleinden, dat hij straks verwaardigd zou worden om in het gouden licht der eeuwige welgelukzaligheid eindeloos bij den Heere te zijn. Daardoor vertroost en bemoedigd kon. hij nu de reis over 's levenspad weer voortzetten, hoe vol moeite, druk en tegenspoed die ook voor hem mocht zijn, met het oog geslagen op de gouden streep van het eeuwigheidslicht aan het einde van zijn pad. Bemoedigd en vertroost kon hij weer voortgaan met de bede of het kon zijn, dat de Heere, voor Wien het niet te wonderlijk was hem te rukken uit de zonden, waarin hij zoo diep was gezonken, haar, die nu op het ziekbed nederlag, weer op te richten, hen met elkander verbonden de reis over 's levenspad doen voortzetten, het oog gericht op de gouden streep van het eeuwig heidslicht. Hem dankende voor alles wat Hij hun wilde schenken.

Gaat gij ook reeds over 's levenspad met het oog gericht op de gouden streep van het eeuwigheidslicht, of behoort gij nog tot hen, die vermaak vinden in wat de wereld biedt ? Is het uw lust en begeerte nog te vertoeven op het groote kermisterrein der wereld ? Bevindt gij u nog daar, waar nimmer 't eeuwigheidslicht wordt gezien, waar slechts de kunstlichten der wereld en def zonde aanschouwd worden ? Ach, bedenk dan toch, dat straks die lichten gedoofd worden, dat dan een eeuwige nacht aanbreekt, welke eindeloos zal duren, waarin gij dan vol wroeging en berouw zult terugdenken aan den tijd, waarin u werd toegeroepen het oog te richten op de gouden streep van het eeuwigheidslicht, wijl gij dat niet wildet doen.

Óf gaat gij door zwaren druk gebogen voort over 's levenspad, denkende, dat die druk het gevolg is van uw leven dat gij aan de wereld gaaft ? Laat dan uw oog gericht zijn op de gouden streep van het eeuwigheidslicht wat aan het einde van uw levenspad zichtbaar is, laat dat u vertroosten, moed geven tot voortgaan. En zoo gij twijfelt dat licht nimmer te aanschouwen, wanneer gij denkt dat uw zonden te veel en te groot zijn, wanneer gij denkt te diep in de zonden te zijn gevallen, richt dan den blik op Hem, Die de schuld voor een zondig volk betaalde. Richt uw oog dan op Christus Jezus, Die de straf droeg voor onwaardige zondaren ; op Hem het oog gericht houdende, zult gij de lichtende gouden streep van het eeuwigheidslicht aan het einde van 's levenspad ontwaren, ervarende, dat het ook voor " schijnt, dat ook gij straks de eeuwigheid moogt ingaan, in eindelooze verwondering nederzinkende aan de voeten van Hem, Die uit vrije genade op u neerzag, toen gij toefdet in de genietingen der wereld, u daaruit rukkende, voerende op het pad, welks einde werd beschenen door den gouden glans van het eeuwigheidslicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's