De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

5 minuten leestijd

De crisis.

Het was te verwachten, dat het militaire plan van het Kabinet, zooals het in de Dienstplichtwet was ingevoegd geworden, geen meerderheid in de Kamer zou verkrijgen, en dat het gevolg van het Kamervotum zou zijn de aanvrage om ontslag van het heele Ministerie.

En zoo is het ook geschied. Toch was het onmogelijk, dat, welke de politieke gevolgen van het afwijzen der Dienstplichtwet ook waren, de Anti-revolutionairen en Christelijk Historischen anders handelden, dan zij deden.

Door deze fracties was reeds heel wat toegegeven. Zij hadden concessies tot het uiterste gedaan, maar verder mochten zij niet gaan.

Hun standpunt van geen cent meer dan beslist noodzakelijk is : geen cent te veel, maar ook geen cent te weinig, was het juiste.

De mobilisatie van '14 heeft het destijds duidelijk aangetoond, dat, zoolang op de zelfstandigheid en onafhankelijkheid des I^ijks wordt prijsgesteld, m^t de landsverdediging niet mag worden gesold. Intusschen valt het te betreuren, dat de zaken zoo zijn geloopen.

En dit wel om tweeërlei.

Ten eerste scheelde het weinig, of het scheepke was in veilige haven gebracht. Het ging niet meer over de hoeveelheid van de persoonlijke lasten en van de militaire uitgaven, want deze waren in de beide stelsels, waarover het ten slotte liep, gelijk, maar eigenlijk alleen over het groepeeren der beschikbare mannen in de verschillende ónderdeelen van het leger. En thans is men door het verwerpen van artikel 27 der wet verdei van elkander dan te voren.

En ten tweede doen zich door het intreden van de Kabinetscrisis op dit oogenblik meerdere complicaties voor dan alleen de moeilijkheden, welke met het oorlqgsdepar tement ontstonden.

Er zullen dan ook nog heel wat bezwaren ook van anderen aard te overwinnen zijn en nog menige hindernis zijn op te ruimen alvorens de baan vrijkomt om het eindstation van de loopende parlementaire periode te kunnen bereiken.

Hoe het zij, de ministeriëele crisis komt in de gegeven omstandigheden ongelegen.

Misschien zal de oplossing gevonden moe ten worden in een spoediger aan de  orde stellen van de Grondwetsherziening, dan aanvankelijk in het voornemen lag. De nieuwe Kamerverkiezingen zouden dan binnen niet al te langen tijd plaats hebben.

Het Roomschê gevaar.

Er heerscht in den laatsten tijd onder het Protestantsch-Christelijk deel van ons volk een niet geheel onverklaarbare onrust ten aanzien van wat men zou kunnen aanduiden met den naam van het „Roomschê gevaar".

Twee omstandigheden hebben tot deze onrust aanleiding gegeven ; eerstens het gezantschap bij den Paus en ten tweede het voorstel tot herziening van artikel 170 der Grondwet, welke herziening het houden van Roomschê processies ook in de Noordelijke Provincies van ons land zou mogelijk maken.

Ter oorzake van deze twee voorvallen is de actie tegen, om het kort uit te drukken, de Roomschê beweging, gebracht naar het terrein van de politiek..

De vraag mag echter gesteld worden of zij, die de leiding voor het handhaven van het Protestantsche karakter der natie op zich namen, wel goed handelden, met dit te doen.

Het opkomen tegen versterking van de machtspositie van Rome is toch geen Overheidstaak, maar taak van de Kerk.

Zeker de gezantschaps-en de processiekwestie hebben als daden van de Overheid de Roomschê beweging in een nieuwe phase doen komen, maar de eigenlijke oorzaak, waardoor het voor Rome mogelijk wordt, zich opnieuw te oriënteeren, ligt niet in wat de Overheid deed, of voornemens is te doen, maar in de zwakke positie, waarin de belijdende Protestantsche Kerken zich bevinden en in de moeilijkheden, waarin bijzonder onze Kerk verkeert.

Het zou van ongemeen groot belang zijn, zoo eens tot in de onderdeden werd nagegaan aan welke oorzaken het moet worden toegeschreven, dat, terwijl de Roomschê Kerk hare vleugels wijd uitslaat, den Protestantschen Kerken de voldoende kracht ont breekt, om zich tegenover de aanmatigingen van Rome's Kerk te weer te stellen.

Wellicht zou het resultaat van dat onderzoek er toe hebben kunnen leiden, dat de actie geheel anders gevoerd werd, dan deze op dit oogenblik plaats heeft.

Wij zijn tegenstanders èn van het gezant schap bij den Paus èn van het houden van processies. Daarom kunnen wij het zoo gerust zeggen, dat het ons wil voorkomen, dat de wijze, waarop enkele groepen uit de Protestantsoh Christelijke kringen van ons volk bezig zijn zich tegen de machtspositie van Rome te verzetten, die positie eer versterkt dan verzwakt.

De strijd tegen Rome moet in de allereerste plaats een strijd zijn, die met geestelijke wapens wordt gevoerd. Met protesten zonder meer komt men er niet. Daarmede mag misschien voor een oogenblik het gevaar worden afgewend, maar op den langen duur bereikt men er weinig mee. Het protest moet in een daad worden omgezet.

Daarbij hebben wij te beginnen met het voor Gods heilig aangezicht te belijden, dat wij, mitsgaders onze vaderen, hebben gezondigd. Voorts moet het ook in onze Kerk komen tot een terugkeeren tot de Wet en tot de Getuigenis. En verder hebben wij tegenover Rome te toonen, dat ons volk het Protestantsch Christelijk beginsel lief heeft en dat het die liefde in klinkende munt weet waar te maken. Wat bijzonder dit laatste betreft, daarvan verneemt men uit de protestvergaderingen zoo weinig.

De belijdende Protestanten hebben zich te verzetten tegen alles wat het Gereformeerd karakter in de godsdienstoeïeningen zou kunnen te na komen. Zij hebben te weren den. eigengemaakten vormendienst, die ons volk allicht kan brengen in een Roomschê stemming van devotie. Maar daarnaast zullen zij, wil men krachtig tegenover Rome komen te staan, de millioenen moeten offeren, waardoor het aantal kerken zal kunnen worden uitgebreid en het getal predikanten worden vermeerderd, opdat 't Protestantsch beginsel gelegenheid heeft bij ons volk te worden ingedragen.

Dit alleen zijn de geestelijke wapenen, waarvan ons Protestantsch volk moei voorzien zijn, wil het onaer biddend opzien tot God tegen Rome's Kerk den strijd kunnen aanbinden.

Over ons standpunt terzake van de Roomsche beweging op politiek terrein de volgende maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's