De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

28 minuten leestijd

De Groote Synode.

Als bezwaar tegen de z.g.n. Groote Synode zal op de a.s. Classicale Vergadering o.a. worden ingebracht, dat de classicale ressorten, die ieder een afgevaardigde kiezen zullen, zoo verschillend zijn in grootte ; en daaruit distilleert men dan: dat de Groote Synode toch weer geen „zuivere" vertegenwoordiging der Kerk zou mogen heefen. Nu zouden we toch willen vragen, of het niet de dwaasheid gekroond is indien men een betere vertegenwoordiging van de Kerk wil, het voorgestelde te gaan verwerpen ; daar toch hetgeen nu voorgesteld is ontegenzeggelijk een veel betere vertegenwoordiging der Kerk is, dan wat we nu hebben. Laat het dan nog niet „zuiver" zijn, wat nu wordt voorgesteld, maar het is toch in elk geval veel „zuiverder" dan we nu hebben. En daarom komt het ons onverantwoordelijk en onredelijk voor, als men nu gaat adviseeren — zooals de vrijzinnigen doen — om het voorgestelde mede om deze oorzaak te verwerpen. Het voorgestelde is oneindig veel beter dan wat we nu hebben. En wat beter is gaan we toch niet verwerpen, omdat het nog niet 't beste is ? Want als we hetgeen beter is verwerpen, blijven we met het allerslechtste zitten. En daar bedanken we liefst voor. Laat men bij het tegenwoordig systeem b.v. maar eens letten op de vertegenwoordiging van de Waalsche Kerken. Is het niet onredelijk ?

Waarom de vertegenwoordiging nog niet geheel „zuiver" is ?

Wel, men rekent u dan voor, dat de classis Amsterdam veel grooter is dan de classis Emmen, en de classis Rotterdam dan de classis Kampen ; de classis Den Haag grooter dan de classis Maastricht, enz.

Is dat zoo vreeselijk ?

Het is in elk geval billijk en eerlijk ais elke classis, zooals die nu is, één afgevaar­ digde zendt. Wil men dan straks, door de practijk geleerd, de indeeling der classes wijzigen en verbeteren — welnu, kan dat dan niet? Waarom zouden er, juist als de Synode meer contact krijgt met het leven der Kerk, niet allerlei practische veranderingen en verbeteringen worden aangebracht ?

Daarvoor hebben we juist een andere Synode noodig ; want met deze Synode blijven we altijd in het moeras zitten.

Verder wordt als een bezwaar ingebracht dat we van een groote Synode niets anders te wachten hebben dan-een soort van tournooi van de woordvoerders der verschillende richtingen, die natuurlijk elk om 't hardst op de bazuin zullen blazen en de opvatting hunner partij om tot oplossing der kerkelijke kwestie te komen, als de beste aanprijzen. Een tournooi, waarvan wel veel kwaad, maar weinig goeds is te wachten. Zou iemand — zoo vraagt men dan met angstige bezorgdheid 1 — zou iemand in ernst meenen, dat dit m het belang der Kerk zal zijn ?

Als 'n oer-conservatief-synodaal mensch met angstige blikken zulke dingen ons voor legt, dan zeggen we : zou 't zoo kwaad kunnen, als er eens ander bloed in de Synode komt ? Men heeft het nu 100 jaar en langer op de meest on-kerkelijke manier geprobeerd, laten we het nu eindelijk eens gaan probeeren langs den kerkdijken weg der Classicale Vergaderingen. Die er dan in komen, die worden door de Classicale Vergaderingen afgevaardigd, en die hebben minstens evenveel recht om mee te zitten rondom de synodale tafel als de heeren die er nu door de Prov. Kerkbesturen heengezonden worden. Dat komt den heeren uit de hoogere kerkelijke besturen misschien wel wat wonderlijk voor, dat een Classicale Vergadering ook meepraat en een afgevaardigde zendt, maar dien weg moeten we toch uit. En believen de hooge heeren dan de afgevaardigden uit de Classicale Vergaderingen als een soort „marktschreeuwers" aan te duiden, welnu, laten we hier dan nog eens zeggen, dat het in onze Ned. Herv. Kerk wel gewoonte is geweest, om een predikant of een ouderling uit een lager Bestuur als de mindere te beschouwen in vergelijking van een dominé en een ouderling, die in de Synode mag zitten — maar dat wij niets van die practijken gediend zijn.

Laat daarom de Kerk zelve haar afgevaardigden zenden, en als zij dan zendt, die mannen, die leven in de dingen die aan de orde zijn op het terrein van het kerkelijk leven, dan kan het volstrekt geen kwaad.

Laat men die menschen nu niet van te voren als „marktschreeuwers" aanduiden. Want dat is niets dan laster, om met hand en tand het geheel verouderde systeem der Synodale organsatie te verdedigen en vast te houden.

De Synodale heeren hebben het nu zoo lang geprobeerd op hun manier, en ieder is er van overtuigd, dat we iets anders noodig hebben , welnu, laat men nu de Kerk zelve eens een kans geven, om te zien of het op die manier misschien gelukken kan voor de Kerk het goede te zoeken en daarin tot een zegen te zijn voor het volksleven.

En als derde bezwaar heeft men : „dat er een hinkend paard is, dat achteraan komt." En dat is : de geweldige sommen, die zulk een Synode zal verslinden. Zoo lazen we nog weer eens in „Bergopwaarts" van de hand van ds. A. van der Flier. Maar nu zouden we wel eens willen vragen, is het nu voor een Kerk met een paar millioen leden — onze Herv. Kerk is immers de' „Groote" Kerk — nu zoo onoverkomelijk, om een paar duizend gulden voor het bestuur der Kerk bijeen te brengen ? Kan nu met Rijkssteun — wat we toch al hebben voor het Bestuur der Kerk — en met hulp van Classis en Provinciaal ressort geen paar duizend gulden méér worden bijeengebracht ? 't Zou toch wel in-treurig wezen, als de Kerk nog niet eens behoorlijk voor haar eigen regeering zorgen kon. Neen ! met dien boeman moet men nu thuisblijven. Dat is de versleten manier, die we nu zoo lang gehad hebben in onze Kerk : „dit kost zooveel en dat kost zoo duur en daarom doen we het maar niet" We moeten andersom gaan redeneeren : „wat noodig is, móét er komen ! En dat kan en zal er komen óók !"

Nog iets anders is dit: het voorstel van de Groote Synode noemt 30 predikanten en 15 ouderlingen, naar rooster te kiezen.

Nu heeft men gevraagd : zou het niet beter zijn, om wat minder predikant-afgevaardigden en wat meer ouderling-afgevaardigden te nemen ; b.v. 23 predikanten en 22 ouderlingen ?

Wij voor ons zouden er niets op tegen hebben. Er zijn wel ouderlingen — wel een 22-tal in heel Nederland — die best in de Synode zitting kunnen hebben en die daar zéér zeker behoorlijk de zaken zullen kunnen behartigen.

En wel zal misschien een bezwaar zijn voor vele particulieren om 's zomers eer paar weken in Den Haag te zijn en dus geheel uit de zaken thuis te worden weggenomen — maar ook daar is wel een mouw aan te passen.

Wij voor ons zouden dus best met zoo'n voorstel kunnen en willen meegaan.

Alleen vragen we, of.het nu geraden is, waar we iets geheel nieuws willen beginnen, nu ook dadelijk dezen stap te doen.

Er zullen er zijn, die zeggen : juist omdat we nu liets nieuws krijgen, nu ook maar dadelijk dit doen.

Wij voelen er meer voor, om te zeggen : juist omdat we nu iets nieuws krijgen, nu niet alles tegelijk overhoop halen.

Evenwel — zouden we er niet om treuren, als bepaald werd, dat de Synode bestaan zal uit 23 predikanten en 22 ouderlingen.

Nog iets, dat misschien gevraagd zal worden. Het voorgestelde reglement zegt, dat de leden der Synode door de Ciassicale Vergaderingen worden gekozen uit haar ressort. Dat wil dus zeggen, dat de Clas sicale Vergadering niet iemand kiezen mag als Iid der Synode, die buiten de Classis woont. De Classis Rotterdam mag dus niet iemand uit Leiden of Utrecht kiezen, maar moet zioh bepalen bij haar eigen ressort.

De noodzakelijkheid daarvan voelen we niet. Nu kiest de Ciassicale Vergadering van Den Haag een ouderling uit Numansdorp als lid van het Provinc. Kerkbestuur (den heer Sneep). Waarom zou de Classis Wijk niet iemand uit Den Haag mogen kiezen of uit Utrecht ? Het zou toch kunnen zijn, dat in een bepaalde Classis eigenlijk niemand voor het lidmaatschap der Synode geschikt wordt gevonden en er bereid toe is (zoowel onder de predikanten als onder de ouderlingen, vooral als men het getal ouderlingen wil brengen tot b.v. 22), terwijl in eene andere Classis wel geschikte en gewillige personen zijn. Waarbij ook nog komt, dat misschien hier en daar iemand zit — onder de predikanten en ouderlingen — die eigenlijk in de Synode behoort te zitten, maar die door z'n eigen Classis, om wat oorzaak ook niet gekozen wordt. Wat zou er tegen zijn, als zoo iemand dan werd afgevaardigd ' door een Classis die hem wel zou willen aanwijzen ?

Daarom zouden we er veel voor voelen, om de woorden „uit haar ressort" (zie ar tikel 56 van het Syn. voorstel) te schrappen. (Wat evenwel door de Synode van 1920 niet is aangeraden te doen. Blz. 204 Syn. Acta).

Men zal misschien ook tegen het voorstel aanvoeren, dat het geen aanbeveling verdient van de gedachte uit te gaan, dat de Synode van 45 het vertegenwoordigend lichaam en de Algemeene Synodale Commissie van 15 het bestuur zullen vormen, met een afzonderlijke Commissie voor de rechtspraak, bestaande uit 5 leden, uit en door • de Algemeene Synodale Commissie gekozen.

Zoo zijn er dan ook, die willen voorstellen art. 60 zóó te wijzigen, dat er komt te staan : de Algemeene Synode heeft de wetgevende, rechtsprekende en besturende macht. Zij stelt de Reglementen vast, enz."; en in alinea 5 zou dan moeten komen staan : „geeft opdrachten aan de Algemeene Synodale Commissie inzake rechtspraak en bestuur."

Men redeneert dan ongeveer aldus : „dat in 't algemeen genomen de wetgevende, besturende en rechtsprekende maoht niet zoo gemakkelijk te scheiden zijn en de bevoegdheden in elkaar loopen." (Rapport Vrijz. Herv.).

Wij willen gaarne bekennen, dat wij in deze moeilijke kwestie niet genoeg licht hebben. We zitten in onze Herv. Kerk met „uitspraken in tuchtzaken", „beslissingen in geschillen" en „besluiten in bestuurszaken" wat de behandeling der dingen moet vergemakkelijken, maar niet zelden degenen die in de besturen zitten in de war brengen. Niet-juristen voelen zich hier wel eens als in een doolhof, waar men niet goed uit weet te komen, zoodat dan ook „hoogere" besturen wel eens moeten komen, om recht te zetten wat lager levende menschen hebben bedorven. En een en ander spitst zich natuurlijk toe in de Synode, het hoogste lichaam in de kerkelijke wereld.

Daarom zouden we willen, dat ieder nu niet zoo'n heel wijs gezicht ging zetten, maar zich allereerst uitsprak over de vraag, of een Groote Synode gewenscht is. En als men, naar we hopen, met overgroote meerderheid vóór verklaard heeft, dan zouden we wensohen, dat men zich verder bewoog in de lijn van het voorstel, zooals het er ligt, om te komen tot een Groote Synode, met verdeeling van arbeid, waarbij — zooals de Syn. Acta van 1920, zie blz. 206 enz. reeds aangeven — een geheel nieuwe werk-, wijze noodig is. Met de 6 practische wenken van 1920 kan men dan straks z'n voordeel doen.

Want wat krijgen we anders ?

Als we eerst over de bijzonderheden gaan spreken en stemmen, zal de een zeggen : er is te veel geregeld ; de ander zal zeggen : er is te weinig geregeld — en het slot zal zijn, dat alles weer blijft zooals het is. Wat b.v. zéér naar den wensch van mannen als dr Weyland en dr. Bakhuizen van den Brink zou zijn. _En dat moeten we trachten te voorkomen. We moeten meer in de lijn komen van de Provinciale Kerkbesturen van Zuid-Holland, Utrecht en Qverijsel, die zich alle met algemeene stemmen vóór 'n Groote Synode verklaarden, terwijl Gelderland en Noord-Brabant in meerderheid vóór waren. En wel om deze oorzaken waren die kerkbesturen vóór : omdat de Synode meer dan tot nu toe de afspiegeling van het beeld der Kerk zal zijn.; omdat het werk der Synode meer de belangstelling en het vertrouwen zal wekken der Kerk ; en omdat de vertegenwoordiging der verschillende provinciën in de Synode rechtvaardiger worden zal. Het Provinciaal Kerkbestuur van Utrecht adviseert gunstig, de verwachting hebbend dat de Synode zelve ernstig de practische bezwaren, die er zijn zullen, onder de oogen zal zien.-

Dien weg moeten we uit. Er is nu lang genoeg over en weer voorgesteld, goedgekeurd en afgestemd. Nu is het de tijd om aan te pakken en aan het werk te gaan. Waarbij mannen als dr. Weyland c.s. wel eindeloos zouden willen blijven uitstellen en uitstellen.

Ook de Ciassicale Vergaderingen van verleden jaar wilden opschieten. 9 Vergaderingen verklaarden zich met algemeene stemmen voor een Groote Synode. In 17 vergaderingen was de groote meerderheid vóór ; in 11 vergaderingen was eene meerderheid voor; — in 1 vergadering was men algemeen tegen en in 6 vergaderingen was eene groote meerderheid tegen. Alzoo verkreeg het voorstel in 37 vergaderingen de meerderheid.

Nog eens, wij zouden ons nu willen houden aan het voorstel zooals het er ligt en vóór alles zouden we willen bevorderd zien, dat we nu zoo spoedig mogelijk een Groote Synode krijgen, omdat we gelooven, dat dit een stap in de goede richting zijn zal, dat de Synode gekozen wordt door de grondvergaderingen dér Kerk en er alzoo meer. contact zal komen tusschen Kerk en Synode

Het schrijven van den Raad van Beheer,

Ook óns is door den heer directeur van den Raad van Beheer, ds. mr. C. J. Bartels, te Groenloo, het volgende schrijven toegezonden :

„Bij vacature heeft de Ring stricto jure (naar streng recht) tenminste recht op het wettelijk voorgeschreven minimum-aanvangssalaris (art. la Regl. Pred. tr.) berekend volgens art. 27 Regl. Vac.

Wegens de invoering van het Reglement op de Predikantstractementen behoort in tal van Gemeenten de ligger gewijzigd te worden. Het is veelal gebruik in onze Kerk geweest om veranderingen c.q. verhoogingen van den ligger te doen plaats vinden met het oog op de vervulling van de vacature. Hoewel het jaar 1921 in den eigenlijken zin des woords geen overgangsjaar is, zullen kerkeraden en kerkvoogdijen practisch dit toch wel zoo opvatten, als hun predikantsplaats vacant was op 15 Januari 1921. Het ligt in een redelijk beleid van zaken, dat kerkvoogden hun financiën alsdan gaan inrichten met het oog op de vervulling der vacature. Wij geven u met aandrang in overweging met deze opvatting van een overgangsjaar rekening te houden en genoegen te nemen met uitbetaling der Ringgelden volgens den ouden ligger.

Gedachtig aan het „suaviter in modo, fortiter in re" (zacht in den vorm, sterk in de zaak), voegt de Raad van Beheer hieraan de uitdrukkelijke opmerking toe, dat hij slechts in dit geval het standpunt inneemt van een overgangsjaar te erkennen.

Tegenover de plaatselijke thans dienstdoende predikanten en de vacatures ontstaan na 15 Januairt 1921 staat de Raad van Beheer op het eenige standpunt, dat hij kan en mag innemen en dat is de prompte uitvoering van het reglement. In een schrijven aan de Ciassicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen heeft zij met nadruk verzocht geen beroeping goed te keuren, waarbij de ligger niet in overeenstemming is gebracht met het nieuwe reglement. ledere zwakheid op dat gebied zou vernietigend zijn voor het welslagen van het geheele reglement."

Wij willen gaarne, op verzoek van een gemeente, welke vacant is, zeggen, wat we hier van denken :

Heeft de Ring, als de ligger minder dan f2500 als vast tractement aangeeft (met een personeele toelage van b.v. f 1500) recht op het bedrag dat op den (ouden) ligger staat (zeg b.v. f 1500) of moet vanaf 1 Jan. '21 aan de ringpredikanten f2500 worden uitbetaald, omdat het Regl. op de predikantstractementen voorschrijft, dat het minimum (vast) tractement f.2500 moet zijn?

Het antwoord is niet moeilijk.

Het Regl. op de predikantstractementen schrijft voor, dat het minimum-tractement van af 1 Jan. '21 minstens f2500 moet zijn.

Met minder mag men tegenover den te beroepen predikant niet werken. En dus is de ligger, die toch minder aangeeft na 1 Jan. '21 in strijd met de reglementen geworden. Dus ook niet meer in orde ten opzichte van de ringpredikanten.

Ons dunkt, dat de ringpredikanten • dan ook met het volste recht aanspraak mogen maken sinds 1 Jan. j.l. op een minimum van f 2500 per jaar.

Hoe dat in de steden moet ?

Ons dunkt, dat daar als vacaturegeld het minimum van f3500 moet worden uitbetaald. Vergoeding van huishuur valt daar buiten en moet niet — als daar b.v. f 1000 voor gerekend wordt — aan den Ring worden uitbetaald.

Verder vraagt men ons : wat moeten we nu doen als de gemeente vacant komt en de ligger geeft b.v. f 1800 vast tractement benevens personeele toelage.

Ook hier geldt.: breng den ligger in overeenstemming met het Regl. op de predikants tractementen. Dat is dus : maak van die f 1800 nu f2500 en vraag zoo de goedkeuring van het Class. Bestuur met verzoek om te bevorderen, dat „handopening" spoedig verkregen wordt.

Met minder dan f 2500.— minimum-tractement wordt geen ligger meer goedgekeurd ; en geen beroep wordt geapprobeerd.

Verschillende richtingen in de Kerk.

Over dit onderwerp schreef onlangs (28 Mei j.l.) de hoofdredacteur van „De Hervorming", Weekbl. van den Ned. Protestantenbond, 't Was naar aanleiding van 't geen de Kerkeraad der Ned. Herv. gemeente te Almelo aan de vrijzinnige en aan de rechtzinnige kiesvereenigingen aldaar schreef, om te komen tot een modus vdvendi op grondslag van volkomen gelijkheid der twee partijen.

Daar schreef de Kerkeraad n.l. : „En toch, de Kerkeraad meent, dat beide richtingen elkander vooralsnog noodig hebben om heil zaam op elkander in te werken en om elk voor zich heilzaam in te werken op de zeer groote schare, die in onze dagen niet meer schijnt te willen weten van geestelijke en eeuwige dingen".

Ds. Schade van Westzaan schrijft daar dan dit over:

„De verschillende richtingen hebben elkander noodig om heilzaam op elkander in te werken" — ziedaar een vaak en bij voor keur gebruikt argument om het bestaan en het handhaven der verschillende richtingen in eenzelfde kerkverband te verdedigen en te rechtvaardigen. Toch maakt dit argument altijd op mij sterk den indruk van te zijn uitgedacht pour besoin de la cause. In de praktijk van het kerkelijk leven .zien wij van die heilzame inwerking toch zoo bitter weinig. En geen wonder, want het is juist de praktijk van het kerkelijk leven, die die heilzame inwerking ontzaggelijk belemmert, ja onmogelijk maakt.

Dat men den partijstrijd tracht te temperen door het vinden van een modus vivendi. is onder de gegeven omstandigheden een onafwijsbare eisch, zal de geestelijke en zedelijke invloed van de kerk op de groote menigte niet geheel worden lamgeslagen. Maar men verdedige dien modus vivendi niet met het argument, dat de verschillende richtingen elkander noodig hebben om heilzaam op elkander in te werken.

Dat er een inwerking kan zijn der verschillende richtingen, valt niet te ontkennen en dat die inwerking-heilzaam kan zijn, een uitnemend correctief, valt evenmin te ontkennen, maar dit laatste zal juist dan en zoolang het geval z|jn, als men niet verplicht is in eenzelfde kerkverband naast en met elkander in de praktijk te arbeiden.

Hoe menige man en vrouw van verschillende levensopvatting zouden elkaar uitnemend kunnen waardeeren en ook wel van elkander willen leeren als ze maar niet door de huwelijkspraktijk genoodzaakt waren om dag aan dag in den kleinen huiselijken kring naast en met elkander hun kinderen op te voeden. Dit laatste feit maakt echter in de meeste gevallen de wederzijdsche waardeering en de openheid der ziel voor de wederzijdsche beïnvloeding niet grooter, maar kleiner. Tenslotte zal men ook hier op de een of andere manier een modus vivendi moeten trachten te vinden. Maar zulk een modus vivendi is niet zoo zeer een ideaal, omdat de samenkoppeling-van die heterogene bestanddeelen zoo voortreffelijke is vanwege de heilzame, wederkeerige inwerking, als wel een noodzakelijk kwaad, dat dient om erger te voorkomen.

Iets dergelijks is ook het geval met de samenwoning van de verschillende richtingen in een zelfde kerkverband. Het is voor menschen van verschillende godsdienstige richting en verschillend theologisch inzicht zooveel gemakkelijker om elkander te verstaan, te waardeeren en elkanders invloed te ondergaan op vergaderingen of conventen of Woodbrooke-cursussen, wanneer men bij vallenden avond op den „Kalen berg" een nabetrachting houdt, terwijl men de kerkelijke praktijk beneden in het dal heeft achtergelaten, dan wanneer men hi de praktijk van het kerkelijk leven tegenover of zelfs naast elkander staat.

Voor een heilzame wederkeerige inwerking der richtingen zou het gewenscht of noodzakelijk zijn, dat zij in een zelfde kerkverband samenwonen ? Maar dan zou ik willen wijzen op de inwerking, die de moderne lichting van de orthodoxie heeft ondergaan. Dat die inwerking er is, valt niet te betwijfelen. Het Malcontentisme en rechts Modernisme zijn daar om het te bewijzen. Maar dan vraag ik : is het niet merkwaardig dat zoovelen juist van die Malcontenten en dat de voormannen van het rechts-Modernisme gevonden worden onder hen, die thuis behooren in een kerkverband, waar men de verschillende richtingen niet of nauwelijks kent ? Merkwaardig ? Neen allerminst. Psychologisch volkomen begrijpelijk.

Daar zijn richtingen op godsdienstig en theologisch gebied, die' niet meer zijn dan nuanceeringen. Maar daar zijn ook richtingen, die een diepere oorzaak hebben en berusten op.een principieel verschil in godsdienstig denken en voelen, dat ook in het kerkbegrip tot openbaring komt. Daar is tusschen de vrijzinnigen over de .geheele linie en een groot deel der orthodoxie een zóó diepgaand principieel verschil in kerkbegrip dat men, gedwongen in een zelfde kerkverband samen te werken, elkander voortdurend in den weg loopt en hindert, elkander voortdurend prikkelt en ergert en bestrijden moet. En dat kweekt een mentaliteit, die voor een heilzame inwerking der richtingen allerminst geschikt is. Veeleer het tegendeel.

En dat is zeer te betreuren. Meer wederzij dsch begrijpen, meer onderlinge waardeering en inwerking is hoogst gewenscht. Maar daartoe zal het eerst komen, daartoe kan het naar mijne meening eerst komen, als de richtingen niet meer in een zelfde kerkverband aan elkander vastgekoppeld zijn, maar zich, zonder elkander te hinderen, vrij, naar eigen aanleg en karakter, kunnen ontplooien.

Of het uiteengaan der richtingen onder de igegeven omstandigheden practisch mogelijk is en een modus vivendi niet te verkiezen is, is een vraag, die ik thans onbesproken laat. Maar zoo men aan een modus vivendi de voorkeur geeft, dan doe men hel niet met het argument „dat beide richtingen elkander vooralsnog noodig hebben om heilzaam op elkander in te werken." Naar onze meening is dat argument niet juist." Wij hebben in bovenstaand artikel hier en daar een streep gezet. De cursiveering is dus van óns. Meer behoeven we er niet van te zeggen. Want het spreekt voor üichzelf. En vooral waar het hier nu van moderne zijde komt, is het dubbel merkwaardig.

Daarom meenden we goed te doen er even de aandacht op te vestigen en het in de kolommen van ons Bondsorgaan vast te leggen. Het kan misschien nog wel eens te pas komen.

De positie van de Openbare School

Op de vergadering van „Volksonderwijs" (niet te verwarren met de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs) is breedvoerig gehandeld over de toekomst van de Openbare School en is een plan besproken, om voortaan bijzondere scholen voor het openbaar onderwijs te gaan stichten. Mr Smeenge heeft daar een rede over gehouden. Hij zei, dat de vraag naar voren was gekomen of het niet goed zou zijn om gebruik te maken van de nieuwe wet en van de openbare scholen neutrale bijzondere scholen te maken, inplaats van ze te laten in handen van gemeentebesturen, die het niet wel met het openbaar onderwijs meenen. De heer Smeenge verklaarde, dat hij niet goed kon begrijpen, hoe men in den kring van het openbaar onderwijs hiertoe komen kon. De grondgedachte was toch immers altoos geweest, dat de Staat voor het onderwijs heel. te zorgen en deze de saamhoorigheid van geheel het volk heeft te bevorderen. Hoe kan men nu in de kringen van „Volksonderwijs" komen met het voorstel om neutrale bijzondere scholen op te richten ? Dit betreurt hij des te meer, wijl de voorstanders van de kerkelijke school nu zullen zeggen, dat de menschen van het openbaar onderwijs nu zelf gaan doen hetgeen zij altijd bestreden en tegengestaan hebben.

Welke zijn nu de bezwaren, die de oprichting van neutrale bijzondere scholen noodig maken, zoo vraagt spreker. En hij antwoordt als volgt — naar luid van het verslag in de N.R. Crt., dat we hier onverkort laten volgen, daar we er in onze kringen winst mee kunnen doen.

Er staat dan :

Welke zijn nu de bezwaren, die de oprichting van neutrale bijzondere scholen noodig maken ?

Ten eerste wordt betoogd, dat cfé school niet enkel moet zijn onderwijsinstituut, doch een bron van opvoeding. Spreker merkte op, dat dit ook door de voorstanders van de openbare school steeds voorgestaan is. De onderwijzers in die school zijn ook steeds in die richting werkzaam geweest. De bedoeling is eerlijke menschen te kwee­ken.' Nu zijn de openbare onderwijzers wei eens buiten de school opgetreden op een wijze, welke andere menschen minder aangenaam was, doch het onderwijs zélf heelt er nooit schade van ondervonden. Ook wordt gezegd : de ouders moeten de onderwijzers kiezen. Als uit dien'hoofde een neutrale school gesticht moet worden, dan vreest spreker dat er een gelijke splitsing komt als bij de bijzondere kerkelijke scholen ; ook vrijzinnige ouders denken lang niet eender en zullen dan ook een school naar hun denkwijze willen hebben, 't Schep pen van een standenschool zou ook verkeerd zijn, daartegen hebben wij ook altijd gestreden. Spreker meent, dat het oprichten van neutrale bijzondere scholen een bron van verschil zou zijn. Z.i. doet men verkeerd gelegenheden te scheppen, waarbij het mogelijk is, dat anderen zullen worden uitgesloten. Is eenmaal zoo'n school gesticht en gaat het niet naar wensch wat de financiën betreft, dan moet het schoolgeld worden verhoogd als gevolg waarvan sommigen die school zullen moeten gaan verlaten. We zullen krijgen tal van kleinere inrichtingen inplaats van 'n goed geoutilleerde groote school. Ook over de 15%, vereischt bij de oprichting, moet men niet te licht denken, In dezen tijd is dit een bedrag van zoodanige grootte, dat het den ondersten lagen der maatschappij bezwaarlijk zal zijn ook tot oprichting van een neutrale bijzondere school over te gaan. Gezegd is, dat onder de nieuwe wet de openbare school zal worden de school voor de proletariërs. Spreker hoopt, dat dit niet gebeurt, en zou het zeer betreuren als wij daarvan de schuld zouden zijn. Gelooft men dan zoo vast aan de superioriteit van de bijzondere (kerkelijke) school ? vraagt spreker.

Volgens verschillende uitlatingen van de voorstanders dier scholen staat dat toch nog niet vast, meent hij. Spreker hoopt dan ook niet, dat wij iets zullen doen, hetgeen wij vroeger bij anderen hebben afgekeurd. Op de neutrale scholen zullen voorts goede onderwijskrachten moeten zijn. De bezetting zal zeer bezwaarlijk vallen. Terwille hunner vrijheid zullen de onderwijzers over het algemeen niet veel lust hebben zich te veibinden aan een dergelijke neutrale school. Ook wordt door de voorstanders van de neutrale bijzondere school aangevoerd : wij moeten over eigen fondsen kunnen beschikken. Sedert wanneer zijn de ouders van de kinderen, die de openbare school bezoekea, zoo scheutig geworden, dat zij fondsen bij elkaar brengen ? Bovendien is de vraag, of de gelden dier fondsen wel voor juiste doeleinden zullen worden aangewend. Ze zullen ook gebruikt kunnen worden om de standenschool in den slechtsten vorm te doen in het leven roepen. Gewezen wordt ook op de lauwheid der ouders bij de openbare school. Zeker, die bestaat, meent spr, , doch die is er ook bij de ouders der bijzondere school. In de besturen dier scholen gaat de meeste activiteit van den dominee of den pastoor uit. Het instituut der Oudercommissies, dat thans bij koninklijk besluit geregeld is, dient, teneinde de ouders in beweging te brengen inzake de behartiging van de belangen der openbare school, herzien te worden, waarnaar Volksonderwijs streeft. Ook onder den bestaanden toestand kunnen de Oudercommissies, als de gemeen tebesturen zich yan hare wenschen niet veel aantrekken, zich wenden tot den Onderwijs raad. Daarin worden de belangen van het openbaar onderwijs krachtig bepleit, en wel op zoo'n wijze, dat dit pleidooi In dien raad ook gehoor vindt bij de andersdenkenden in dat college. Spreker sprak ten dien aanzien een woord van hulde (luide bijval). Spreker concludeerde tenslotte, dat het oprichten van neutrale bijzondere scholen moet worden afgekeurd, als zijnde niet in het belang van het volksonderwijs. -

De voorzitter, de heer Zelvelder, dankte mr. Smeenge voor diens rede, en zeide te vertrouwen, dat zij, die een andere meening waren toegedaan, zullen hebben ingezien, dat wij niet moeten gaan in de richting van stichting van neutrale bijzondere scholen?

Hiermee was het evenwel niet uit.

Er werd verder over deze zaak nog breed gesproken en omdat in de discussie ook een en ander voorkomt, dat voor ons nog al van belang is, — vooral wat de hr. K r a a k van Haarlem heeft gezegd — laten we ook van de discussie hief nog een en ander volgen.

„Vervolgens" — zoo lezen we dan in de N.R.Crt. — „vervolgens werden eenige besprekingen gevoerd over de rede van mr. Smeenge en de .betreffende voorstellen inzake de oprichting van neutrale bijzondere scholen. Gewezen werd op het feit, dat ook al zou Volksonderwijs zich met de oprichting van die scholen niet bemoeien, die scholen er toch zullen komen ; er is zelfs reeds een Bank voor opgericht, die aan voorschotten wil helpen. Een ander afgevaardigde betoogde, dat op het platteland de invloed van de gemeenten zooveel mogelijk moet worden ingeperkt. Overigens achtte deze spreker het oprichten van neutrale bijzondere scholen den ondergang van de openbare school. Door Leiden werd uiteengezet, dat het beste zou zijn om selectie toe te passen en dan te zorgen dat de volks school zoo goed mogelijk wordt. De meer begaafden kunnen dan uitgewisseld worden zoodat zij een goede toekomst tegemoet kunnen gaan. De ouders moeten het recht hebben om de school te kiezen voor hun kinderen die zij wenschen. De heer Kraak) (Haarlem) betoogde, dat de feiten we! hebben bewezen, dat het neutrale karakter van de openbare school niet voldoende is geweest om de kinderen van alle gezindten tezamen te brengen. Daarom moet die illusie nu maar opgegeven worden door Volksonderwijs en van de openbare schooi moet maar gemaakt worden wat er van te maken is. Spreker vindt in het 2e lid van art. 4, ' een positief beginsel, waardoor de openbar. school hooger staat dan de bijzondere. Spr. betwijfelt echter, of de werkelijkheid wel in overeenstemming is met deze wettelijke bepaling. Hij weet niet, of de openbare school v/el beter is dan de bijzondere. Voor spr. staat vast, dat de opvoedkundige waarde van waardeering bij de bijzondere school grooter is. Men waardeert op de openbare school te weinig, omdat men daar de gemoedsvorming niet voldoenae behartigd heeft en zich te uitsluitend heeft bezig gehouden met verstandsontwikkeling. Spreker meent daarom, dat men niet tegenover maar naast de voorstanders van het bijzonder onderwijs moet gaan staan, om samen te werken tot verbetering van alle volksonderwijs. Vroeger zou dat onmogelijk geweest zijn, thans kan dit wel, omdat er meerdere waardeering is gekomen van de zijde van het bijzonder onderwijs. (Deze rede lokte herhaaldelijk ontkenningen van de vergadering uit). De heer Groenewoud uit Santpoort bestreed uitvoerig deze rede en meende, dat de heer Kraak volkomen buiten den strijd van Volksonderwijs staat. Er is absoluut nog even weinig waardeering voor de openbare school als vroeger ; nog steeds geldt, dat de bijzondere school alle kinderen moet hebben, dat de school het voorportaal van de Kerk moet zijn. Van de verdraagzaamheid van den dhr. Kraak worden wij de dupe. Ons standpunt staat daar lijnrecht tegenover (luide bijval). Gebrek aan kennis van de strijdwijze en strijdmiddelen onzer tegenstanders is oorzaak, dat de heer Kraak zoo oordeelt. Spreker verzoekt den heer Kraak het platteland mede in te gaan. Binnen 14 dagen zal hij van zijn meening genezen zijn. Spreker riep de leden op, eendrachtig naast elkaar te staan om de openbare school krachtig in stand te houden (luid applaus).

Mevrouw Van Riel zeide waardeering te hebben voor den arbeid van de bijzondere zoowel als van de openbare onderwijzers, doch als mensch is spreekster voorstandster van de openbare school, waarvoor Volksonderwijs steeds gestreden heeft. Laat men het beginsel los, wat blijft er dan van de openbare school over ? Moet er een bijzondere neutrale school komen, welnu, laat dit dan alleen zijn uit verweer, doch anders niet (luide bijval). De heer Heymans, uit Utrecht, zette uitvoerig uiteen, dat de openbare onderwijzers tot plicht hebben de kinderen op te leiden tot goede menschen en niet een godsdienstig karakter aan hun onderwijs mogen geven. Op de bijzondere scholen geeft men dat karakter er wel degelijk aan.

Mr. Smeenge constateerde, dat feitelijk alleen de heer Kraak het niet met hem eens was. Waardeering hebben de kerkelijken niet voor ons werk, integendeel, zij richten zelfs bijzondere vakscholen op, enz. Harmonische samenwerking is er niet, daarvoor loopen de beginselen te veel uiteen, vandaar dat onze strijd voor de openbare school niet verflauwen mag. Men zal de sectescholen binnenhalen, indien men overgaat tot stichting van neutrale bijzondere scholen op groote ischaal. Wanneer zulk een school noodig is, laat men dan vooral rustig en ernstig advies inwinnen bij deskundigen. Tenslotte werd met op één na algemeene stemmen bepaald, dat een afdeeling, dan wel een afdeelingsbestuur, die steun wenschen te geven aan pogingen tot oprichting van bijzondere scholen van openbaar onderwijs, zij daarover vooraf in overleg met het Hoofdbestuur dienen te treden."

Dat de openbare school wankel staat, voelt men aan alles, ook al heeft men met op één na algemeene stemmen het voorstel door den heer Kraak verdedigd, laten kelderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's