Stichtelijke overdenking.
En zij zeide : Ja Heere ! doch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heeren." Matth 15 : 17.
Die Kananeesche vrouw moest wat doormaken, toen ze Jezus' hulp inriep, om haar dochtertje te redden van den duivel !
Zij riep : „Heere, Gij Zone Davids, ontferm u mijner ! mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten."
Zij bad dus om zoo'n goede zaak — en kreeg geen enkel woord terug.
En als de discipelen er verlegen mee worden en tot den Heere zeggen : Laat haar van U, want zij roept ons na — dan hoort zij Hem antwoorden, dat Hij alleen voor de verloren schapen van het huis Israël gezonden is.
„Ga maar weg, vrouw, gij zijt een heidin" — zoo zal de duivel wel in haar hart gefluisterd hebben.
Maar dat doet ze niet. Ze is al aan Jezus' voeten en ze legt haar gansche ziel in haar smeeking als ze aanbiddend uitroept : Heere, help mij 1
Nu krijgt ze een antwoord ; ze dwong den Heere ook bijna. Maar het antwoord snijdt door de ziel : „Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen."
De Israëlieten dus kinderen, maar zij en haar arm kind honden !
Zou het onnatuurlijk geweest zijn, indien deze vrouw boos en beleedigd was weggegaan — of in vertwijfeling het maar had opgegeven ?
Maar o wonder, die vrouw laat niet af. Ze zegt : Ja Heere ! doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de tafel hunner heeren."
In dat „Ja Heere 1" toont ze niet beleedigd te zijn. Ze stemt het toe een verachtelijk wezen te zijn, ze vindt dat scheldwoord van „hond" niet te erg voor haar ; in ootmoed erkent ze het recht Gods om het eene volk uit te verkiezen en te begunstigen boven de andere volkeren der aarde. Maar in dat „doch" begint ze opnieuw te smeeken. Ze behoeft geen kindsdeel, als ze maar enkele kruimkens mag.
Een hond krijgt soms brokjes, die van de tafel vallen. Ze hoopt en smeekt en gelooft, dat de Heere even barmhartig zal zijn voor haar, verachte en verachtelijke — als een meester voor zijn hond.
En ze heeft niet te vergeefs aangehouden: De Heere roemt haar geloof en geneest haar dochtertje.
Wat een ootmoed en geloof spreekt uit dit smeeken !
in dat „J a H e e r e, doch" — is een gebedsworsteling der ziel uitgedrukt, als van een Jacob te Pniël.
In dat „Ja Heere" — stoot ze al haar eigen hoogmoed neer en verootmoedigt zij zich als een gansch onwaardige onder het harde Woord des Heeren.
Maar in dat „doch" — doet de Geest Gods haar in geloof aangrijpen de barmhartigheid en ontferming des Heeren.
In dat , doch" — komt haar groot geloof te voorschijn ; ze heeft zoo groote gedachte van de genadetafel des Heeren, dclt enkele kruimkens, een hondendeel daarvan, genoeg is voor de groote-zaak, die zij begeert.
En dat van een heidinne f
in dat „Ja Heere ! doch" leert deze heidinne ons wat het ware worstelen der ziel voor Gods genadetroon inhoudt; diepe ootmoed en geloof, dat groot van den Heere denkt.
Gij zegt, dat ge al zooveel gebeden hebt, om vergeving van zonden en verzoening met God.
Als de Heere zweeg, hebt ge dan als deze heidinne aangehouden ?
En als God u ten slotte antwoordde : „gij zijt het onwaardig ; gij zijt een diepgezonken zondaar, die alleen het eeuwig verderf verdiend heeft" — wat was uw antwoord ?
Hebt ge het beaamd en er van afgezien om eenigen pleitgrond verder In u zelf te zoeken ? Heeft dat antwoord des Heeren u verootmoedigd en vervuld met zelfmishaging?
Wees maar eerlijk en oprecht. Uw hart heeft geantwoord : „Ik ben niet slechter dan een ander." Ge vindt dat de Heere wel slechter menschen dan gij zijt — geholpen heeft. Ge begrijpt niets van Paulus' woord, dat 'hij zich den grootste der zondaren noemt, omdat ge uzelf niet kent, omdat ge een vreemdeling zijt in uw eigen hart. Omdat ge geen oog hebt voor de vuile en verdorven bronwei van zonden in uw hart en de hooge heiligheid Gods —.daarom was uw tollenaarsgebed leugen en lippentaai.
Uw ziel heeft nooit „Ja Heere !" gezegd, als God u ontledigde, verwerpelijk en onwaardig noemde.
Waarom werdt gij anders wrevelig — en hieldt ge op met bidden ?
Maar als ge ten slotte alle steunsels in uzelf moet loslaten, geen pleitgrond meer vindt in uzelf, — één zondeklomp zijt voor God ook in eigen oog, — wanhoop dan niet. Zeg dan niet : Voor mij is het buiten hope, ik zal het maar opgeven ; de Heere kan en wil mij toch niet helpen.
Neen de Heere wijst u dan door Zijn Woord en Geest op deze Kananeesche. Toen zij geen pleitgrond bij zich zelf zag, ging zij dien zoeken in de ontferming en barmhartigheid des Heeren. Van zich zelf afziende, leerde ze grijpen in geloof naar den Heere.
Hebt ook gij — geen verwachting van u zelf, — maar groote gedachten van den Heere.
Zult ge het geschikte voorwerp zijn voor genade, dan moet de Heere u wel ontledigen, maar wanhoop dan niet.
In dien weg is de Heere bezig u rijk te maken. Want de Heere leert u meer kennen dan het stuk der ellende. Hij opent uw oog ook voor de Verlossing, die in Christus Jezus is.
Daarin verschilt juist het werk des Geestes van dat des Satans.
Bij een ontruste ziel spreekt ook Satan van uw onwaardigheid, om u zoo tot wanhoop en vertwijfeling te voeren.
Maar Gods Geest en Woord trekken — waar zij alles bij u afbreken, — het oog der ziel op de dierbaarheid, gepastheid en algenoegzaamheid van Jezus Christus.
Zoo leert ge als de Kananeesche : „Ja Heere I" zeggen op de meest verootmoedigende woorden en wegen Gods — maar ook het „doch" van aanklevend geloof uitspreken en u uitstrekken naar de kruimkens van Zijn rijke genadetafel..
En in uw ziel klinkt bemoedigend het Woord des profeten : „Zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen."
Daarom : Houd aan in 't gebed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's