Feuilleton.
Van 's levenspad
door COR.
Eindelooze liefde.
In de wereld waren zij tot elkander gekomen, daar hadden zij elkander gevonden, want hun hart ging uit naar de wereld, daarin bestond hun vermaak.
Verbonden door den hechten sterken band der liefde gingen zij voort over 's levenspad, genietend van hun geluk, terwijl niets hun voor het tijdelijk leven ontbrak. Jaren lang leefden zij voort, zich gelukkig gevoelende, zich geheel en al aan den dienst der wereld overgevende, niet bedenkende, dat zij arm en ongelukkig waren; dat zij voortgingen op een weg, welke hen naar het eeuwig verderf voerde. Zij gevoelden zich met elkaar gelukkig, doch bedachten niet, dat hun geluk slechts kort duurde, dat dit niet verder reikte dan hun leven, dat dit aan het einde van hun leven ophield om dan te veranderen in eindelooze droefheid en smart, wroeging en berouw. Zij vergaten, dat hun geluk aan het einde van 's levenspad ook ten einde zou zijn, dat dan de plaats der eeuwige duisternis voor hen ontsloten zou worden.
Verbonden door den band der liefde gingen zij voort, daar genoeg aan hebbende, vergetend dat een grooter en hooger geluk dan dat wat zij bezaten, hun werd geboden in de liefde van Christus Jezus. Zij kenden den Hemelschen Bruidegom niet, hadden geen behoefte aan Zijne liefde, luisterden niet naar Zijne stem, wanneer Hij tot hen kwam, kloppende aan de deur van hun hart, roepende : „Doe Mij open. Mijne zuster. Mijne vriendin. Mijne volmaakte. Mijne duive, want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijne haarlokken met nachtdruppels ; doe Mij uwe stem hooren, want uwe stem is zoet en uw gedaante is liefelijk."
De wereld was hun echter meer waard dan de liefde van den Hemelschen Bruidegom, daar gaven zij zich aan over, daar leefden zij jaren lang in voort.
De allesoverwinnende liefde van Christus bleef echter aanhouden, bleef kloppen aan de deur van hun hart, totdat de dag aanbrak waarin de vrouw niet langer bestand was tegen die liefdevolle stem, haar hart opende voor Hem, Die daarin toegang vroeg. Met droefheid en smart zag zij terug op het achter haar liggende leven, dacht zij aan den tijd, waarin zij Hem vruchteloos liet kloppen, terwijl zij zich aan 't zondige vermaak der wereld overgaf. Doch de Hemelsche Bruidegom toonde haar, dat Hij eenmaal op aarde was gekomen om ook haar schuld te betalen, dat Hij de straf voor haar zonden had gedragen, dat Zijne liefde voor haar zoo groot was, dat Hij Zichzelf had gegeven om ook haar straks als Zijne bruid te voeren naar de eeuwige welgelukzaligheid ; ook haar te doen aanzitten aan de Bruiloft des Lams.
Door dit alles werden echter groote veranderingen in hun leven teweeg gebracht, want zij kon nu niet meer mee gaan met haar man naar schouwburgen en concerten, niet meer verkeeren in den dienst der wereld, niet meer in het leven van weleer haar vermaak vinden. Gingen zij vroeger altoos met elkander uit, nu moest de man alleen gaan, terwijl zij Gods volk opzocht, om met hen te spreken over de wondere liefde van Christus, Die naar zondige schepselen wil omzien, hun spreken van Zijn onvergankelijke liefde.
Dit bedroefde den man, die niet kon begrijpen dat zijn vrouw, welke hij innig liefhad, welke vroeger altijd in alle dingen één was met hem, nu niet meer één was met hem ; niet meer wilde leven zooals vroeger. Gedurig trachtte hij haar over te halen weer met hem mee te gaan, weer zooals voorheen met hem de ijdele plaatsen der wereld te bezoeken, doch alles was vergeefs ; niets kon haar doen' besluiten haar geluk, dat over dood en graf reikte, te verlaten.
Geen enkele gelegenheid liet hij voorbijgaan zonder opnieuw te trachten haar tot het oude leven terug te voeren, totdat zij hem voor altijd het zwijgen oplei.
Öp een avond, toen hij weer uitging, en als gewoonlijk probeerde haar mee te krijgen, stond zij plotseling op en zeide : „Goed ik zal meegaan, " maar " Vol verwondering zag hij haar aan, zou hij dan eindelijk zijn doel bereikt hebben, zou het nu weer worden als voorheen ? Zij zou weer meegaan, doch hij begreep uit haar „maar" wat zij liet volgen, dat zij een voorwaarde wilde stellen, en zwijgend wachtte hij wat die zou zijn. Nooit nog had hij zijn vrouw gezien, zooals zij nu daar stond, terwijl het plechtig van hare lippen klonk : „Maar dan moet gij, wanneer ik straks voor den Heere moet verschijnen, rekenschap geven van wat ik heb gedaan, dan is dat voor uw verantwoording ; wanneer gij dat op u wilt nemen, zal ik weer meegaan."
Die woorden maakten indruk op hem, want hoe ongeloovig hij ook was, hij gevoelde dat zijn vrouw daar niet in eigen kracht stond, dat een hoogere Macht haar die woorden in den mond gaf en hij ging heen, weer alleen
Nooit meer vroeg hij haar nadien met hem mee te gaan , nooit meer trachtte hij haar te overreden weer samen-uit te gaan, zooals voorheen.
Nog gaan zij thans voort over 's levenspad, nog zijn zij verbonden door den hechten, sterken band der liefde, wat hen zonder twist of tweedracht met elkander doet verkeeren, hoe groot ook het verschil is tusschen hen. Hij gaat nog voort, zich aan de wereld overgevende, wenschende, dat zijn vrouw nog evenals weleer, dat pad met hem zou betreden, alhoewel hij er haar nooit meer toe wil dwingen.
Zij gaat echter voort als eene, die geborgen is in Christus Jezus, den Borg en Middelaar, Die Zijne liefde in haar hart kwam uitstorten en dag aan dag is haar verlangen, haar vragen en bidden, of ook haar man nog eens in die liefde mag deelen. Nimmer knielt zij neder zonder den Heere te smeeken ook het hart van haar man te verbreken, daarin Zijn wondere liefde uit te storten. Altijd weer ziet zij uit of het oogen blik nog eens zal aanbreken, waarin haar man tot haar komt, vertellende, dat ook hij de wereld niet meer kan dienen, dat ook hij daarin geen vermaak meer kan vinden, dat ook zijn hart met liefde voor den Hemelschen Bruidegom is vervuld, dat hij zonder Hem niet meer kan leven. Vaak stelt ziij zich voor hoe groot hun geluk zal zijn, wanneer zij ook daarin één zijn, wanneer zij beiden voortgaan over 's levenspad wetend, dat hun geluk nimmermeer zal eindigen, dat, als de eeuwigheid aanbreekt, zij dan bij den Heere zullen verkeeren eeuwig en altoos. Daarom klinkt hare gedurige bede om het behoud van haar man, dien zij innig liefheeft, wien zij menigmaal met medelijden aanziet, wanneer zij bedenkt, welk een vreeselijk lot hem wacht, wanneer hij zoo moet sterven. Steeds klinkt haar bede, want zij weet dat de Heere, Die haar Zijne liefde kwam schenken. Die niet ophield aan haar hart te kloppen, totdat zij Hem toegang ver leende, ook machtig is het hart van haar man te bewerken, opdat ook hij luistert naar de gedurige roepstem, om dan zijn hart te openen, den Hemelschen Bruidegom daarin te ontvangen.
Langen tijd ziet zij daar reeds naar uit, doch nog wanhoopt zij niet, want nog is hij in het heden der genade, nog is het voor hem niet te laat, zij weet, de Heere kan het nog doen', en daarnaar uitziende, gaat z voort met haar man, biddend hopend en hopend biddend of het nog eens kan zijn dat de tijd komt, waarin zij in alles één, ook in de liefde van en voor den Hemelschen Bruidegom, Christus Jezus, weer de reis over 's levenspad voortzetten en voleinden.
Weet gij u reeds de bruid van den Hemelschen Bruidegom ? Of hebt gij nog genoeg aan het geluk van den tijd ? Bedenk dan hoe kort dat geluk duurt, dat de dood het vroeg of laat verbreekt en verandert eindelooze droefheid en smart. Ook u roept de Hemelsche Bruidegom toe : „Doe Mij open. Mijne liefste. Mijne vriendin I" O luister dan naar Zijne roepstem, open uw zondige hart voor Hem, opdat Hij er in kan wonen. Hij u Zijne liefde schenken, die over dood en graf heenreikt, die duurt to| in der eeuwen eeuwigheid.
Hebt gij Hem zoolang vergeefs laten kloppen dat Hij is heengegaan, dat gij Hem nu willende binnenlaten, niet vindt, zo uw klacht wordt gehoord : „Ik zoek Hem Dien mijne ziel liefheeft, ik zoek Hem, maar ik vind Hem niet" ? Laat de moed u dan nochtans niet ontzinken, blijf naar Hem zoeken, tot Hem roepen, want gij zult Hem zeker vinden. Zijne stem weer hooren, om dan vol vreugde uit te roepen : „Dat is stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt springende op de bergen, huppelende op de heuvelen." Dan zult gij Hem, Dien uwe ziele liefheeft, vinden. Zijne stem hooren, u toeroepende : „Sta op. Mijne vriendin, Mijn schoone en kom ; doe Mij uwe stem hooren, want uwe stem is zoet en uwe gedaante liefelijk."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's