Ingezonden.
Geachte Redactie,
Mag ik na hetgeen op de vergadering van 15 Juni I.l. te Utrecht gesproken werd over het nieuwe Reglement op de Predikantstractementen, nog enkele opmerkingen daar over maken in Uw blad ?
Ten eerste over de liggerkwestie, in zoover door enkelen naar voren gebracht werd, dat door het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland op den goed te keuren ligger van het predikantstractement de handteekening van de kerkvoogden werd geëischt, verklarende, dat men zich aan het nieuwe reglement wenschte te onderwerpen.
Op een vergadering van kerkeraadsleden en kerkvoogden, 20 Juni 1.1. te Arnhem gehouden, waarin de directeur van den Raad van Beheer, mr. Bartels en een der leden, , de heer Van Voorst van Beesd, het nieuwe reglement hebben besproken, werd door hen verklaard, dat deze eisch van het Provinciaal Kerkbestuur niet heeft plaats igehad op aandrang hunnerzijds en zelfs hun instemming niet had. Om deze reden, wijl als een reglement wettig is tot stand gekomen, men de leden daarna niet gaat vragen of ze wenschen mee te doen of niet wenschen mee te doen aan de uitvoering van het reglement, wijl dat als vanzelfsprekend verondersteld wordt-en dus iedere Gemeente, of kerkvoogden geteekend of niet geteekend hebben, aan het eind van dit jaar bericht van haar aanslag krijgt. Een m.i. volkomen juiste opvatting. Het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland heeft onnoodig veel stof opgejaagd.
Ten tweede zou ik er nog eens allen nadruk op willen leggen, dat de aanslag, waarvoor een Gemeente ten behoeve van de Algemeene Kas wordt aangeslagen, v o 1 strekt niet dient om in de eerste plaats arme Gemeenten te helpen. Daarop grondt zich toch menig bezwaar van Gereformeerde zijde, wijl altijd weer naar voren gebracht wordt — hoewel op zichzelf ook gansch niet juist —dat deze arme en kleine Gemeenten plaatsen zijn met ethische of moderne prediking. Zoodat men dus gedwongen zou worden om een prediking te steunen en te bevorderen, die men zich geroepen acht te bestrijden.
Men zegt wel eens, dat de laster spoediger ingang vindt dan de waarheid. Het is in deze zaak ook zoo. Want de waarheid, die gedurig weer op den achtergrond wordt geschoven, is deze, dat de aanslag der Gemeenten geheel samenhangt met het ingevoerde stelsel van tweejaarlijksche verhoogingen en kindertoeslag, een stelsel, dat op maatschappelijk terrein overal verdedigd wordt als een eisch van sociale rechtvaardigheid. De instelling van de Algemeene Kas rust dus op de gedachte, dat Gemeenten met een jong predikant, die weinig dienstjaren heeft en dus geen of weinig verhoogingen ontvangt en Gemeenten met een oud predikant, die recht heeft op meerdere verhoogingen en verscheidene kindertoeslagen gezamenlijk deze lasten behooren te dragen, zoodat een ieder ongeveer het gemiddelde daarvan opbrengt. Vanuit dit gezichtspunt bezien wordt het duidelijk, dat de Gereformeerde richting in onze Herv. Kerk, indien ze evenveel oudere als jongere predikanten bezit, wat toch wel waarschijnlijk zal zijn, feitelijk haar aanslag opbrengt ten behoeve van de predikanten van eigen richting.
En dan de arme en kleine Gemeenten, die niet in eigen behoeften kunnen voorzien en straks, indien er werkelijk van onmacht sprake is, steun kunnen ontvangen uit de Algemeene Kas ? Deze bijdragen komen, al zal dit wel niet precies op een honderd gulden kunnen worden uitgerekend, uit andere bron voort : a. uit de inkomsten van het fonds voor de schraalste predikantstractementen ; b. waarschijnlijk ook uit de opbrengst van het fonds „Aanpakken" ; c. uii den hoogeren aanslag, waarmee Gemeenten met veel kerkegoederen of Gemeenten van hoogen w'elvaartsstand zullen worden aangeslagen. Alleen wanneer die rijke kerkvoog dijen of rijke Gemeenten in onderscheiding van andere richtingen hoofdzakelijk alleen in de Gereformeerde richting worden gevonden, kan het bezwaar, dat de Gereformeerden in onze Kerk nu gedwongen worden voor een prediking, waarmee ze niet vereenigd liggen, te betalen, eeniger-mate gehandhaafd worden. Maar 'n ieder weet wel, dat deze onderstelling op niet één bewijs rust
Daarom moet de overtuiging onder ons ingang vinden, dat door dit nieuwe reglement volstrekt niet de een of andefe richting in onderscheiding van de andere bevoordeeld of versterkt wordt, maar vvèl, dat die richting, die mocht weigeren haar aanslag voor de plaatselijke Gemeente op te brengen, zichzelf verzwakt wijl ze tengevolge van de daarvoor aangewezen strafbepaling zichzelf de prediking en den dienst des Woords onthoudt, waaruit ze haar kracht geput heeft en nog gedurig put.
In de d e r d e p 1 a a t s zou ik er den nadruk op willen leggen, dat, indien aan het einde des jaars de aanslag afkomt en kerkvoogden weigeren die te betalen, onze kerkeraden en predikanten zich daarbij niet mogen neerleggen, wijl anders een groot verlies zal worden geleden.
Men kan zich wel diets maken, dat, zoo men niet betaalt, dit reglement spoedig van de baan is, maar in de eerste plaats zou men later ervaren daarmee niets gewonnen te hebben, wijl een dergelijke poging tot regeling der tractementen over eenige jaren toch weer opduikt, wijl ze noodzakelijk samenhangt met den eisch der tijden en de hedendaagsche ontwikkeling en in de tweede plaats is het nog zeer de vraag of dit reglement zal mislukken.
Toen een paar jaar geleden de Synode de kerkeraden heeft geraadpleegd over het beginsel, in dit reglement tot uitvoering ge bracht, heeft de meerderheid der kerkeraden vóór gestemd. En het komt mij voor, dat, indien slechts de helft der Genitenten haar aanslag opbrengt, de handhaving van dit reglement bij een krachtig optreden van de Besturen en een beleidvol optreden van den Raad van Beheer gewaarborgd is. Waarom zullen we dan ons hoofc stuk loopen tegen een muur, die ons gansch niet in den weg staat, misschien nog zal blijken een bescherming te zijn van ons werk.
Wanneer men het grondbeginsel van dit Reglement als een eisch van sociale rechtvaardigheid, vooral in verband met wat wij onder punt 2 noemden, in de Gemeente naar voren brengt, dian zal blijken, dat de meeste lidmaten de billijkheid daarvan zullen inzien. Laten die predikanten en kerkeraden, wier kerkvoogdijen weigerachtig zijn, in elk geval in dezen komenden winter de proef eens op de som nemen en de stemgerechtigde lidmaten tot 'n samenkomst bijeen roepen, waarin hun de kwestie tot op den grond wordt uiteengezet en ook het gevaar om voor immer vacant te blijven wordt voorgehouden. Mij dunkt, wanneer de meerderheid der lidmaten vóór is, zal toch de kerkvoogdij het niet wagen om nog langer tégen te zijn. En zou het geen veelzeggend teeken wezen, dat die n i e t-predikanten en n i e t-k e r k v o o g d e n die op onze vergadering te Utrecht het woord voerden, zich vóór verklaarden ?
Geachte Redactie. Mijn betoog is voor een ingezonden stuk misschien wel wat lang geworden, maar het groote gewicht der zaak drong mij daartoe.
De Gereformeerde bewegng in onze Herv. Kerk heeft onder goede leiding de belofte van een schoone toekomst in zich. Laat men haar nu toch niet uit onkunde of eigenzinnigheid weer jaren achteruitzetten, zooals m.i. zal gebeuren, wanneer onze Geref. Gemeenten zich tegen het nieuwe reglement verzetten. We moeten de studie niet verwaarloozen, ook niet de bestudeering van dit reglement, want onkunde en gebrek aan doorzicht is hier meestal de moeder der dwaling. Er zijn kerkvoogden, die zich tegen het reglement hebben verklaard, terwijl ze nog niet eens de moeite genomen hebben om het van het begin tot het eind te lezen. Men heeft bij geruchte vernomen, dat men zal moeten betalen en een verder onderzoek, laat staan een dieper nadenken over deze zaak werd niet aangevat. Zoo oppervlakkig wordt in de practijk vaak gehandeld ten opzichte van vragen, die men dan nog liefst tooit in het kleed van een beginsel.
U bij voorbaat dankzeggend voor de plaat sing. Hoogachtend, uw dw.
Randwijk.
J. G. WOELDERINK.
* Amsterdam, 20 Juni 1921.
Hooggeachte Redactie,
Wilt U zoo vriendelijk zijn het onderstaande op te nemen in het eerstvolgend nummer van Uw blad. U bij voorbaat beleefd dankend.
Met hoogachting,
Üw dw. dnr.,
J. Th. R. SCHREUDER.
De Christelijke Psychologische Centrale voor School en Beroep.
Door het bestuur der Christelijke Psychologische Centrale voor School en Beroep werd een circulaire gericht aan de besturen en aan het personeel van alle Christelijke Scholen voor Lager Middelbaar en Voorbereidend Onderwijs. Deze circulaires werden verzonden aan de hoofden, directeuren en rectoren der genoemde scholen met beleefd verzoek, - hetgeen voor de besturen bestemd was, door te zenden. Wij nemen aan, dat de circulaires thans in het bezit zijn van allen, voor wie ze bestemd waren, in de eerstvolgende weken moge nu blijken, dat de besturen en de onderwijzers en leeraren de handen willen ineenslaan om de studie der Christelijke Psychologie met kracht te helpen bevorderen. Het Roomsch Katholieke onderwijs heeft sinds jaren twee kostbare tijdschriften, het eene voor de praktijk der opvoeding, het andere voor de wetenschappelijke studie van zielkunde en opvoedingsleer. Nu gaat het niet aan zich te bepalen tot het cónstateeren, dat er van Roomsch Katholieke zijde zoo groote activiteit wordt ontwikkeld op leder gebied, en nog minder dit met leede oogen gade te slaan. Veeleer moet onzerzijds nog groöter activiteit worden betoond en dit vooral op het terrein van de studie der psychologie, omdat èn in het schoolleven èn in het beroepsleven de psychologie zoo groote rol gaat spelen.
Dat hierin alleen iets te bereiken valt door algemeene deelneming, ligt voor de hand. Tot orize blijdschap mogen wij cónstateeren, dat reeds verschillende schoolbesturen zich opgaven voor het lidmaatschap en sommigen zich niet bepaald hebben tot de minimum contributie van f 10. doch meerderen zich verbonden tot een jaarlijksche contributie van f25.—. Hetzelfde mag gezegd worden van verschillende onderwijzers, die zich niet tot minimum contributie van f2.50 bepaalden, doch die f5.— jaarlijks wenschten bij te dragen. Zonder nu te verwachten dat ieder dit voorbeeld zal kunnen volgen, mogen wij toch wel den wensch uitspreken, dat niemand zich afzijdig zal houden, doch dat allen, besturen zoowel als onderwijzers en leeraren, niet alleen van het Christelijk Lager; maat ook van het Middelbaar en Voorbereidend Hooger Onderwijs, naar vermogen zullen helpen, om de positie van het Christelijk Onderwijs wetenschappelijk te versterken.
J. Th. R. SCHREUDER,
Secretaris.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's