De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij

9 minuten leestijd

Het gezantschap bij den Paus.

In ons vorig nummer wezen we er op de niet geheel onverklaarbare onrust ten aanzien van wat men zou kunnen aanduiden met den naam van het „Roomsche gevaar" haar directe oorzaak vindt in deze  omstandigheden : het gezantschap bij den Paus en het voorstel tot herziening van artikel 170 der Grondwet, welke herziening het houden van processies, ook in de Noordelijke Provincies des lands, zou mogelijk maken.

Het ligt thans in ons voornemen, om over elk van deze onderwerpen een paar opmerkingen te maken. Daarbij hopen we ons te onthouden van alles wat de kerkelijke hartstochten zou kunnen prikkelen. Onze eenige wensch is, de beide kwesties zakelijk en rustig te bespreken.

Dat een r u s t i g bezien der vraagstukken noodig is, blijkt wel uit het ingezonden stuk, dat de vorige week in ons blad een plaats vond. Daar ter plaatse werd onder het opschrift: „Alarm" door een schrijver ' met denzelfden naam van „Alarm"  in één adem allerlei onderwerpen naar voren gebracht, die een kalme beschouwing van de zaak, waarover het hier gaat in den weg staat.

Onze hoofdredacteur heeft toen in een onderschrift reeds op den verwarring stichtenden — en deels onjuisten inhoud van het ingezonden schrijven gewezen en in zijn voortreffelijk woord den vinger op de wondeplek gelegd, een woord, dat in zijn strekking geheel overeenkwam, met wat wij in hetzelfde nummer schreven.

Nu zijn er ter verontschuldiging van de dikmaals overhaaste conclusie, welke zoo af en toe in ons blad en ook in andere persorganen gemaakt werd, alsof van onzen kant, en daarop doelt men dan toch, wegens onze relatie met de Antirevolutionaire partij, te weinig aandacht aan den toenemenden invloed van de Roomschen op de politiek gevestigd wordt, wel eenige verzachtende om standigheden aan te voeren, maar dan vindt die tegemoetkomende houding onzerzijds haren grond eenig en alleen hierin, dat wij aannemen, dat zij, die onze daden op dit punt beoordeelen, met het verloop van de zaken niet geheel en al op de hoogte zijn.

Wij kunnen het ons, o zoo goed, indenken, dat als men bijna dagelijks in de geestverwante bladen leest, dat een der Protestantsch-christelijke partijen zich aan Rome heeft verkocht, en men de tegenspraak daarvan niet onder de oogen krijgt, men langzamerhand het goed recht van de aanklacht gaat gelooven en het dubbel gaat op prijs stellen, wanneer ook onS blad zich uitspreekt.

Nog in het nummer van 23 Juni van „De Gereformeerde Kerk" schreef niemand minder dan ds. H. Bakker, de bekende Amsterdamsche Hervormde predikant : „de antirevolutionairen stonden anders tegenover het gezantschap bij den Paus dan de Chr. Historischen ; en in de zaak van de processies zullen zij hun tegemoetkomende houding tegenover Rome zeker niet varen laten"

Het laatste punt, dat betreffende de processies, moeten wij even laten rusten, omdat wij eerst de aandacht willen vragen voor wat in de eerste plaats wordt genoemd : het gezantschap bij den Paus.

Wij mogen daarbij als juist aannemen, dat ons Gereformeerde volk levendig belang stelt in de houding, welke de Protestantsch-Christelijke partijen innemen ten aanzien van den invloed van Rome in het politieke leven van ons volk.

Het onderzoek daarnaar, dat tevens noodzakelijk maakt de verkeerde voorstellingen, welke schier elk oogenblik omtrent die houding rijzen, weg te werpen, moge aan ons oordeel over de zaak voorafgaan.

Is de bewering nu van ds. Bakker en met hem van zoovele anderen, die zich reeds te voren in denzelfden geest uitspraken, dat de antirevolutionairen tegenover het gezantschap bij den Paus anders staan dan de Chr. Historischen juist ?

Ons antwoord op die vraag is, dat de stukken die houding anders uitwijzen.

Wij mogen eerst, wat de Chr. Historischen betreft, verwijzen naar de belangrijke gedachtenwisseling, die over dit onderwerp heeft plaats gehad in het Chr. Hist. Weekblad „Koningin en'Vaderland" onder hoofdredactie van het Kamerlid den heer Snoeck Henkemans en van welk blad mederedacteuren zijn de heeren prof. dr. Slotemaker de Bruine en het Kamerlid Weitkamp.

In het nummer van het Weekblad van 28 October 1920 werd, kort nadat de Regeering haar voorstel ter zake van het gezantschap bij den Paus had ingediend, een artikel van de hand van den hoofdredacteur opgenomen, waarin over dit gezantschap onomwonden gezegd wordt, dat de zaak op zich zelf zoo buitengewoon gewichtig niet (wij spatieeren) is.

Verderop wordt in het artikel gewezen op het beslissende punt, waarom het bij he gezantschap moet gaan, n.l. „de noodzaak." Daarvan zegt de schrijver van het stuk :

„Indien de Minister tenslotte, als man van eer tot de Staten-Generaal zegt : „Gelooft mij Mijne Heeren, hiermede is een landsbelang gemoeid ; het missen van eene vertegenwoordiging in dien kring moet ons komen te staan op deze aanwijsbare geestelijke-en stoffelijke schade" ;

Dan hebben wij bange vrees en historischen tegenzin te overwinnen en te berusten in het onvermijdelijke."

Naar de meening van den voorman van de Christelijk Historischen, die hier aan het woord is, behoort het stemmen vóór of tegen het gezantschap bij den Paus dus niet bezien te worden van een beginselstandpunt maar uit een oogpunt van utiliteit. Is toch „de noodzaak" op voldoende wijze aangetoond, dan zou het naar schrijvers overtuiging in strijd zijn met het landsbelang om zich tegen den post van het gezantschap te verzetten.

Dit moet den Christelijk Historischen duidelijk zijn. Zij hebben in dat geval zich over hunne bezwaren als Protestanten heen te zetten. En om hun dit te doen begrijpen, besluit de heer Snoeck Henkemans zijn artikel met deze vermaning :

Tenslotte een enkel woord tot hen, die luidkeels alarm roepen en die ons Protestantsche volkskarakter reeds in gevaar achten als een Nederlandsch gezant gaat tot den Paus.

Dat wij ernstig oog hebben voor de schaduwzijde van dezen Gezantschapspost bewijst de inhoud van dit artikel. Maar als het Protestantsch beginsel : zedelijke gebondenheid alleen aan Gods gebod, zonder tusschentredend priestergezag zóó weinig beteekende, dat het reeds onder zou gaan, als een Nederlandsch gezant de poort van het Vaticaan binnentrad — dan zou het niet beter dan dien ondergang verdienen.

Wij geven op dit stuk van het Christelijk Historisch Kamerlid geen commentaar. Ons bedoelen is eenig en alleen, om, zooals wij hierboven reeds schreven, de feiten te laten spreken en daardoor de onkundigen in te lichten.

Maar met de vermelding van het bovenstaande zijn wij er nog niet. Daar is nog heel wat meer materiaal aanwezig om de positie van de Christelijk Historischen ten opzichte van het gezantschap bij den Paus scherp te stellen.

De heer Snoeck Henkemans schreef nogmaals over het gezantschap bij den Paus in „Koningin en Vaderland" en wel in het no. van dat blad van 1.7 Februari 1921.

In dat stuk, dat als repliek diende op een „Standaard"-artikel wordt eene onthulling gedaan, die voor de geschiedenis van de zaak van groote beteekenis is.

Het heet in dat stuk, dat het artikel van „Koningin en Vaderland"* van 28 October 1920 een artikel was, dat — hier citeeren wij woordelijk — „vrijwel denzelfden toon aanslaat, als dat gedeelte van het Voorloopig Verslag, (op de begrooting van Buitenlandsche Zaken) dat kennelijk de meening der Christelijk Historischen aangeeft." De heer Snoeck Henkemans kan die meenin.' weten. Maar wat deze meening zoo uiterst belangrijk maakt, is dat dus niet alleen de schrijver van het artikel, maar de Christelijk Historische Kamerclub vrijwel het gevoelen deelt van hetgeen op 28 October 1920 in „Koningin en Vaderland" werd geschreven.

Ook hier laten wij om dezelfde redenen, als wij hierboven aangaven, elk commentaar achterwege.

Het is echter van belang om er op te wijzen, dat „De Nederlander", daartoe geroepen, over het incident zweeg en nog blijft zwijgen.

Deze zelfde houding nam het blad ook in ten aanzien van een schrijven van dr. Kromsigt in het nummer van „De Nederlander'' van 16 Februari 1921, waarin de Amsterdamsche predikant de vraag stelde of door de Christelijk Historischen in de zaak van het gezantschap bij den Paus genoeggedaan is. Het antwoord van dr. Kromsigt daarop luidt ontkennend ? Waarom ?

Allereerst wat dr. De Visser betreft. Zijn houding acht ik (zoo schrijft dr. Kromsigt)' van Christelijk Historisch standpunt uit volstrekt onverdedigbaar. Niet de Kamerleden, zooals u terecht opmerkte, maar dr. De Visser had, zoodra de zaak in den Ministerraad werd aanhangig gemaakt, de portefeuillekwestie moeten stellen. Dan was die raad natuurlijk wel zoo verstandig geweest de zaak niet door te zetten, want — wie had in de gegeven omstandigheden dr. De Visser kunnen vervangen Dr", de Visser is dus in deze de meest aansprakelijke persoon.

Tot zoover dr. Kromsigt.

In het onderschrift op dit schrijven door de redactie, geplaatst, wordt het niet doelmatig geacht, terstond op de punten door dr. Kromsigt gesteld, in te gaan.

Wij herinneren ons niet, later in „De Nederlander" iets over de houding, welke dr. De Visser had behooren in te nemen, gelezen te hebben. Doch dit moet „De Nederlander" weten.

En hiermede laten wij voorshands de houding der Christelijk Historischen ten opzichte van het gezantschs^p bij den Paus, rusten.

Hetgeen wij uit de stukken hebben gelicht, teneinde die houding te beoordeelen, lijkt ons tot recht verstand der zaak voldoende.

Thans het standpunt der Anti-revolutionairen tegenover den post van het gezantschap. Doch daarover den volgenden keer.

Uit de Schoolwereld.

Uit de Schoolwereld. Op twee dingen willen we even wijzen. En wel allereerst hierop , dat er een Kon. 'Besluit van 30 Mei 1921, Staatsblad no.-749 is verschenen, waarin de schatting van de bestaande schoolgebouwen enz. geregeld is. Alle scholen die bij den Schoolraad aangesloten zijn (is Uw school daar oek reeds bij aangesloten ? ) hebben daarvan uitvoerig mededeeling ontvangen. Laat men dus nu niet talmen, maar nu spoedig een verzoek richten tot het bestuur der gemeente alsmede tot den Onderwijsraad om 'n schatter te benoemen. Men leze voor een en ander de Mededeelingen van den Schoolraad, no. 22 van Juni 1921.

Verder willen we wijzen op de wet van 6 Mei 1921, Staatsblad 716, waarin gunstige bepalingen staan voor weduwen en weezen (beneden 18 jaar) van bijzondere onderwijzers, die vóór 1906 overleden zijn.

Wanneer vóór 20 November 1921 een des betreffende aanvrage om pensioen ingediend wordt bij den Directeur van het Weduwen-en Weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren te 's Gravenhage, kunnen zij, die er nu.nog niet van profiteeren, er ook deel aan krijgen.

- Laat ieder die vermoedt, dat in zijn omgeving een weduwe (of wees) krachtens bovengenoemde wet pensioen kan ontvangen, haar daarop dadelijk opmerkzaam maken.

Er zijn nog 5 maanden dat de aanvrage geschieden kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's