Stichtelijke overdenking.
DE ZONDE DER ONKUISCHHEID.
HC 108 Vr. Wat leert ons het zevende gebod ? Antw. : Dat alle onkuischheid van God vervloekt is en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuisch en tuchtelijk leven moeten, hetzij in den heiligen huwelijken staat of buiten denzelven. , 109 Vr. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en diergelijke schanden ? Antw. : Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zoo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren : daarom verbiedt Hij alle onkuische daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten en wat den mensch daartoe trekken kan.
DE ZONDE DER ONKUISCHHEID.
Antw. : Dat alle onkuischheid van God vervloekt is en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuisch en tuchtelijk leven moeten, hetzij in den heiligen huwelijken staat of buiten denzelven.
Een Christ-geloovige is hier aan 't woord. Iemand, die het stuk der ellende heeft leeren kennen, van verlossing spreken mag en nu, wetende dat lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes mogen zijn, gaarne over 'n nieuw', Gode welbehagelijk leven spreekt, met onderkenning van de gevaren die overal dreigen, ook op het gebied van het zedelijk, van het sexuele leven.
Van een vuile bron waaruit allerlei wanbedrijven voortkomen weet hij te spreken ; maar door genade mag zijn bede zijn : herschep mijn hart en reinig Gij, o Heer ! die vuile bron van al mijn wanbedrijven ; vernieuw in mij een vasten geest en leer mij aan Uw, dienst oprecht verbonden blijven.
Wat is het leven vol gevaren, omdat het hart, waaruit de uitgangen des levens zijn, boos is !
En nu hoort de Christ-geloovige den apostel vermanend spreken : „dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. En stelt uwe leden niet tot wapenen der ongerechtigheid, maar stelt uzelven Gode, als uit de dooden levend geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid" (Rom 6:12, 13).
De zonde, met name de zonde der onkuischheid, is als een loerend beest, om te bespringen dan dezen en dan genen. Man noch vrouw spaart zij. Jongeling en maagd begeert zij ten prooi. En als een giftige slang schuifelt zij overal en altijd, om-den angel uit te steken waar ze maar kans ziet, opdat er telkens, doodelijk getroffen, zullen vallen, jonge en oude menschen, rijken en armen, gehuwden en ongehuwden.
Vooral in onze dagen hebben we daar acht op te geven en elkander tegen deze zonde te waarschuwen. Elkander toeroepende met den apostel : „Want dit is de wil Gods, uwe heiligmaking ; dat gij u onthoudt van de hoererij ; dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eere, niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen die God niet kennen." (1 Thess. 4:3—5).
Waar de Catechismus deze dingen aan de orde stelt willen we er hier ook samen over spreken. Niet, alsot het zou voegen om over alles wat hier mee in betrekking staat in het openbaar te handelen. Want alle dingen stichten niet. Maar we moeten er óók voor waken, dat door óns stilzwijgen het booze kwaad intusschen geen gelegenheid zou krijgen om rustig voort te woekeren in en buiten den huwelijken staat; rustig voort te kankeren onder jongen en ouderen.
Daarom een enkel woord over het zevende gebod : gij zult niet echtbreken — maar dat, gelijk de 4lste Zondagsafdeeling dui delijk aangeeft, méér inhoudt, dan alleen te waarschuwen tegen echtbreuk ; dat heel het' terrein van het zedelijk leven beslaat en jong en oud toeroept, dat we kuisch en tuchtelijk hebben te leven ; of zooals de apostel het zegt : „dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eere."
Niet éénvormig heeft de Heere den mensch geschapen. Man en vrouw schiep Hij hen. Zóó wilde de Heere, dat man en vrouw, in liefde saam verbonden, saam door het leven zouden gaan, waardoor 't geluk des menschen werd verhoogd en het leven verrijkt.
Door de zonde is ook die schoone trek van het scheppingswerk misvormd. Man en vrouw zijn gebleven en het huwelijk is bewaard, maar de zonde doet ook hier zooveel kwaad, waardoor hetfleven niet verrijkt, maar verarmd wordt en het geluk des menschen wordt bedorven.
De Heere wil, dat de jongeling zal opgroeien in eer en deugd en de jonge dochter in frissche schoonheid in de lente des levens en dat straks een verbond der liefde zal worden gesloten tusschen een jongen man, die eerlijk en rond een jonge maagd in de oogen kan zien, om van die jonge maagd het ja-woord te ontvangen, waarbij zij hem open en rond mag tegemoet komen, om in de vreeze Gods en met Zijn zegen gekroond tot het huwelijksleven te komen straks — om straks, zooals vader en moeder, een eigen huis te bouwen, ook zelf kinderen te ontvangen ; om in den kring van familie en verwanten te leven, volbrengende de taak, welke God te vervullen geeft, in de stad of op een dorp, in het huis eens daglooners of in het huis eens rijken, al naar het God belieft onzen weg te sturen.
Dat is de poëzie des levens ; dat zijn de zegeningen des Heeren in het midden van een zondige wereld, over degenen die Hem vreezen. En over die poëzie des levens mogen we spreken in het midden der Gemeente als we vergaderd zijn in Gods huis rondom Zijn Woord.
Nu is men het huwelijk gaan neerhalen, om 't zoo van allen glans te berooven. Men is het leven der liefde buiten 'het huwelijk gaan verheffen boven het leven als man en vrouw, als vader en moeder met hun kroost. En zoo komt men den man tenslotte ongelukkig en bandeloos maken; de vrouw komt men verlagen en in de ellende storten ; de kinderen maakt men tot ouderlooze stumperds, die straks door de gemeenschap moeten geholpen worden en daardoor groot gevaar loopen voor heel hun leven ongelukkig te worden, straks ook anderen weer ongelukkig makend.
Afschaffing van het huwelijk ; met aanprijzing van de vrije liefde. Of verbreking van het huwelijk, als het één van beiden niet langer bevalt ; of als beiden zeggen : we hebben genoeg van elkaar !
Dat is een schrikkelijke zonde. Dat is om het heilig huwelijk te ontheiligen. Dat is om de schoone bloem des huwelijks, welke de Heere ons heeft meegegeven op de reis door het leven, stuk te slaan. Dat is om levensleed en levensellend en lèvensschand te vergrooten. Dat is om het edelste dat in den mensch is te dooden en om bot te vieren aan de lusten van humeur, aan de lusten van vleesch en bloed, aan de hartstochten die den geest en het hart des menschen kunnen vaneen scheuren ; die kunnen branden als een vuur in het binnenste des menschen.
Wat de Heere gemaakt heeft en wat Hij ons kwam schenken als een gave Zijner liefde, ook na den zondeval, dat wil de dui vel, de zonde, de wereld, bederven. Het booze zet ook hier het breekijzer in hetgeen door den Heere zoo schoon gemaakt is en voor den mensch tot een kostelijken zegen.
O ! 't blijft de poëzie des levens, door Gods goedheid, om als man en vrouw door het leven te gaan, verbonden met elkander in innige liefde ; om in een huisgezin te wonen, waar de ouders zich verblijden in hunne kinderen, waar de kinderen genieten van hun ouders ; waar broers en zusters ervaren, dat het toch heerlijk is niet alléén op de aarde te zijn, maar met banden des bloeds en der liefde aan elkaar verbonden te wezen. En dan komt straks de tijd, dat de kinderen weer de ouders verlaten, om zelf een huisgezin te beginnen. En zóó wordt de familie uitgebreid en zoo wordt het leven verrijkt, en zoo wordt de liefde vermeerderd, waarvoor we den Heere hebben te danken, die in Zijn wondere wijsheid en milde goedheid dat zóó heeft verordineerd.
Ja '•— het blijft de poëzie des levens, als de bruidegom zich siert in feestgewaad, om, vroolijk als de zon in den morgenstond, zijn bruid te halen die in statiekleed met bloemen is getooid — omdat het een dag van gruote blijdschap is — en haar te brengen eerst naar Gods huis, om saam daar een zegen af te smeeken van den Heere en dan te gaan naar eigen huis, waar de Heere wil bewijzen, dat Hij goed is en barmhartig en genadig, over allen die Hem vreezen ën in Zijne wegen wandelen.
Hoe heeft de Heere Jezus op de bruiloft te Kana niet getoond, dat het huwelijk Gode welgevallig is en dat Hij de getrouwden niet in nood wil laten, maar hun alles wil schenken wat zij behoeven, als zij Hem vreezen, naar Zijn Woord.
En nu wil men dat huwelijk afschaffen en de menschen als kuddedieren met elkander doen verkeeren, waarbij men spreekt van z.g.n. vrije liefde — maar het is een zee van ellende halen over het menschelijk geslacht.
Het losse, wispelturige, zondige, bandelooze, hartstochtelijke leven heeft de eerste wereld doen vergaan ; het heeft het land van Sodom en Gomorra verwoest; het heeft het Romeinsche en Grieksche volk vermoord. En de tegenweordige tijden, bizonderlijk in de groote steden, maar ook in de dorpen, spreken van dezelfde dingen, waarbij jonge levens worden verwoest, huwelijken worden geschonden en het geluk van man en vrouw wordt vertrapt.
Door onzedelijkheid, door het niet-tuchtelijk leven, door bandeloos botvieren aan booze lusten worden jonge menschen voor lichaam en ziel ongelukkig gemaakt en zon der blijdschap, zonder waarachtig geluk wórden de dagen en de jaren doorgebracht Waarbij het huwelijksleven verkanderd wordt door zooveel, wat God verbiedt in Zijn Woord, en waarbij de stem der consciëntie getuigt van hetgeen onheilig en oneerbaar, van hetgeen zonde en gruwelijke boosheid is.
Daarom ook moet de eisch van het zevende gebod telkens jongen en ouden, gehuwden en ongehuwden worden voorgehouden, om voor ellende en schande te bewaren 'en te bevorderen dat men, in Gods gunst, gelukkige jeugdjaren en heerlijke huwelijkstijden hebben mag.
Wat stond het oude volk van Israël in goede dagen heerlijk gezegend tusschen de heidensche volkeren ; óók hierdoor, dewijl het huwelijk werd geëerd en kinderen werden beschouwd als een erfdeel des Heeren. Ja — de Heere heeft het wel wijs en goed geordineerd !
En zelfs de geestelijke dingen, de nemelsche dingen, komt Hij aan Zijn volk dan ook voorstellen onder beelden aan het huwelijksleven ontleend. De Heere wil de Man zijn, die Zijn volk in liefde verzorgt, de Vader van Zijn kinderen. De Gemeente van Christus mag zijn de bruid, die ondertrouwd is met den Bruidegom, die Zijn bruid gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, en niet met zilver of goud, om haar straks te halen en als een koningsdochter, in statiekleederen gehuld, den hemel binnen te leiden en haar den Vader voor te stellen als een reine maagd, zonder vlek en rimpel.
Is het dan niet goed, om in deze op Gods wet acht te geven, waar deze het huwelijk heilig noemt en komt beschermen en komt eeren, zeggende : gij zult den echt niet breken !
Maar nu gaat de zonde der onkuischheid overal rond en doet haar giftigen adem gaan over jongen en ouden, rijken en armen, geleerden en ongeletterden, stadsbewoners en dorpelingen. En de moderne tijd vindt het niets erg. Wakkert het op allerlei wijze aan en geniet er van, dat jonge kinderen vergiftigd worden door die zonde, dat 't opkomend geslacht wordt verontreinigd, dat heel het leven wordt verkankerd, door die zonde waarvoor het 7de gebod waarschuwt, de zonde van onkuischheid, onzedelijkheid — waarbij door de booze lusten van vleesch en bloed verbroken wordt wat zoo teer is, geschonden wat zoo heilig is ; bedorven wat dikwijls nooit meer goed te maken is.
Reinheid van zeden is de eerste voorwaarde tot een aangenaam jeugdleven ; tot een veerkrachtig huwelijksleven ; om straks ook een aangenamen levensavond te mogen hebben. Maar de zonde van het 7de gebod slaat haar slag en maakt haar slacht offers bij duizenden en tienduizenden — waarbij de Booze met welgevallen ziet, dat het levensgeluk verdwijnt, dat de snaren der ziel gebroken liggen, dat een onrustig en boos hart angstig en onstuimig klopt in het lichaam, dat van kracht beroofd is.
Daarom verheft de Heere Zijn stem ook nu ; en Hij veroordeelt alles wat de eerbaar heid kwetst, onder welken vorm het zich voordoet. Al wat gevaarlijk is, al wat langs een hellend vlak naar beneden trekt, al wat bedoelt te brengen aan den rand van de zonde, zullen we dan ook moeten ontvlieden, uitbannen, bestrijden, verwerpen. Opdat we niet vallen in een zee van allerlei levensellend, waarbij de zonde ons aanklaagt en veroordeelt.
Onze moderne tijd spot met die ouderwetsche ideeën en wischt de grenzen uit tusschen hetgeen behoorlijk is en onwelvoegelijk. En in de kleeding èn bij het spel ; èn in de kunst èn in de lectuur is het de oude slang, die rondschuifelt onder ons geslacht, om gif en zwadder uit te spuwen onder de menschen •; en de booze speculeert op de hartstochten van jongens en meisjes, om den Heere toch de gehoorzaamheid maar op te zeggen en toe te geven aan hetgeen de wereld aanprijst, ook al is het onbehoorlijk, onheilig, vuil, gemeen zelfs.
Bioscoop en tooneel werken er op oog en hart te trekken tot het gewaagde, het triviale, het naakte, het vuile, het intens-gemeene zelfs. En de zedenschandalen, die zoo telkens openbaar worden, doen de innerlijke melaatschheid en onreinheid dan naar buiten puilen, om ons te zeggen, hoe diep we gezonken zijn ; hoe groot het gevaar is voor ons èn onze kinderen.
Wat kunnen boeken, plaatwerken, voorstellingen, gesprekken, aardigheden en wat liet al, de zinnen en harten van jongen en ouden, gehuwden en ongehuwden prikkelen en trachten te verleiden tot het kwade. Wat kan het op onzen geest werken, wat we zien en hooren. En dan hebben we van den Heere af te bidden, dat we aan het loerend monster mogen ontdekt worden, opdat wij en onze kinderen mogen worden bewaard en gered.
Het 7de gebod komt ons waarschuwen, dat we niet zullen vallen in de zonde ; om jongeling en maagd het pad des levens bekend te maken, naar Gods Woord ; om man en vrouw aan te zeggen hetgeen van God vervloekt is en ook als een vloek werkt in het leven, uitnoodigend tot een weg van oprechte liefde en trouw, in de vreeze Gods, met heilig huwelijksgeluk.
Onze tijd legt het er op aan, dat de jeugd vroeg rijp en vroeg rot zal zijn ; dat het huwelijk zal worden ontheiligd en dat zoo ziel en lichaam van jong en oud zal worden gebroken, bezoedeld en verdorven. Maar dan staat de Heere daar met het 7de gebod, om betere wegen te wijzen. Het avondlied der Hernhutters komt hier van pas:
Laat mij slapend op U wachten O, dan slaap ik zoo gerust. Geef mij heilige gedachten En wees in den slaap mijn lust.
Het lied uit Psalm 1 mag hier wel worden nagezongen :
Welzalig hij, die in der boozen raad. Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat. Noch nederzit, daar zulken samenrotten Die roekeloos met God en godsdienst spotten, Maar 's Heeren wet blijmoedig dag en nacht, Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
O ! als de ziekenhuizen eens klapten; als de krankzinnigengestichten eens spraken ; als de gevangenissen eens vertelden wat er daar binnen verborgen is, wat zou het openbaar worden op vreeselijke wijze, dat de zonde tegen het 7de gebod, dat de zonde der onzedelijkheid kankert onder ons geslacht en een zonde is welke van God is vervloekt.
Hier mogen jongelingen en jongedochters . wel ontwaken en het den Psalmdichter biddend nazingen : -
Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen . Geest Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken, 'k Hield dan Uw wet, dan leefd' ik onbevreesd ; Dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken. Wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest, Hoe Uw geboon mij tot Uw liefde wekken.
Tot Uw liefde wekken !
Ja — dat wil de Heere, dat we leeren zullen Hem lief te hebben, met een volkomen hart, met geheel onze ziel, met al onze krachten ; en dat we in dien liefde-weg zullen liefhebben onzen naaste ; zullen liefhebben onze ouders ; zullen liefhebben onzen man of onze vrouw ; zullen liefhebben onze kinderen — om in de vreeze Gods het goede te genieten van het leven en saam God groot te maken naar Zijn Woord.
Daarom zegt de Catechismus ook dat dit het middel is, om de zonde te haten en het goede lief te hebben, als ons lichaam als een tempel bewoond wordt door den Heiligen Geest; als de Heilige Geest intrek bij ons komt nemen, om onze ziel Gode te heiligen. Als ons hart vernieuwd en geheiligd en gereinigd leert om rein te leven voor God en voor de menschen, in onze jeugd, in en buiten den huwelijken staat.
Welgelukzalig is een ieder, die aan eigen zonde en boosheid bekend gemaakt heeft leeren roemen in genade, de hand in geloove leggend op Gods belofte, dat Zijn kracht in onze zwakheid zal worden verheerlijkt. Die mag weten, dat zijn lichaam geworden is tot een tempel des Heiligen Geestes, waar in de Heilige Geest leert om God lief te hebben en Hem te dienen in oprechtheid en in heiligheid. Dan zal men het woord van Paulus overnemen, waar hij zegt: Maar laat hoererij en alle onreinigheid of gierigheid onder u ook niet genaamd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt, noch oneerbaarheid, noch zot geklap of gekkernij, welke niet betamen, maar veelmeer dankzegging." (Efeze 5 : 3, 4).
We worden in zonden en ongerechtigheden ontvangen en geboren. We zullen ons zelf als onreinen voor God moeten leeren kennen. Maar zalig die het leeren mag, dat Jezus Christus is de Boom des Levens, de ware Wijnstok, die voor zondaren in de wereld is gekomen, om te zeggen : „Komt, gij vermoeiden, tot Mij en Ik zal u ruste geven ; Ik zal uw steenen hart wegnemen en u een vleeschen hart geven ; Ik wil u tot hulp en sterkte zijn.
Ja — in dien weg van hartvernieuwing moet het gezocht worden. In den weg des gebeds : „Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest." Om dan, in Gods kracht, tegen de zonde te strijden alle de dagen onzes levens, ervarende dat we een medelijdenden Hoogepriester in den hemel hebben die onze zwakheden kent, die voor ons bidt opdat we niet zullen vallen en omkomen, maar in Zijn kracht zullen behouden worden, door het bloed des Lams, dat reinigt van alle zonden een iegelijk die Hem mag worden ingeplant.
Alleen in den weg van hartveranderende genade ligt hier het geneesmiddel.
Want of we ons huis al met bezemen keeren en het zelfs versieren, nadat de onreine geest is uitgedreven — dat zal ons nog niet baten.
Door eigen kracht, door zelfverbetering, door beschaving, door regelen van fatsoen voor te schrijven, gaat het niet. Maar als het harte wordt in beslag genomen door den Heere, om te zeggen : „daar wil Ik wonen, met Mijn genade en Geest" — ja, dan zullen de uitgangen des harten zijn tot Hem, die de bron van alle zaligheid is. Het gaat hier : van binnen naar buiten. Van binnen geheiligd en gereinigd, van binnen vervuld met Gods Geest en Gods liefde, zal het ook naar buiten uitstralen ; degenen die den Heere vreezen en Zijn wet beminnen, zullen ook begeeren tegen de zonde te strijden, om God lief te hebben boven alles en zijn naaste als zichzelf.
De zonde zal dan altijd loeren. Daarom wee ons, indien we ledig bevonden worden en den Geest Gods missen. Dan ligt de zonde voor de deur en de booze geest met zeven andere booze geesten weet zich spoedig plaats te maken.
Daarom zal de goddelooze ook tenslotte zijn als kaf, dat voor den wind wegstuift. Dat is geen leven, dat leven geeft. Dat is 'n leven, dat den dood werkt.
Maar die de verzoenende kracht van Christus' bloed en de vernieuwende kracht van Gods Geest mag kennen, die zal ook ervaren de vertroosting, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden ; dat de Heere de zonden Zijns volks als verzoend in Christus, nimmer wil gedenken en dat Hij allen, die need'rig voor Hem knielen wil waar maken wat Hij heeft toegezegd : „Mijne genade is u genoeg, Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht."
Dan wil de Heere een Zon en een Schild zijn. Dan wil Hij genade en eere geven. Maar de goddelooze zal voor den Heere niet kunnen bestaan.
Daarom, blijft niet leven naar de lusten vau uw booze hart. Blijft niet leven met uw onverzoende zonden, ^lijft niet ileven als een onverzoende, als een onbekeerde in hel midden van een booze wereld ! Maar roept den Heere aan terwijl gij nog zijt; en zoekt de reiniging in des Middelaars bloed, waar Hij zegt: ontwaakt gij die slaapt, en staat op uit de dooden en Christus zal over u lichten.
Al waren uwe zonden rood als bloed, Hij wil spreken van Zijn alles bedekkende gerechtigheid. Om dan alle de dagen des levens te mogen ervaren, dat Hij wil zijn met degenen die Hem vreezen, om hen daarna op te nemen in heerlijkheid ; daar, waar geen zonde meer is ; daar waar de strijd volstreden is ; daar, waar de Gemeente als de bruid van Christus zal schitteren in witte kleederen, die wit gewasschen zijn in des Middelaars bloed.
„Behoed uw hart boven al dat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen d'es levens (Spr. 4 : 23).
„Want gij zijt duur gekocht: oo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Gods zijn" (1 Cor. 6 : 20).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's