Stichtelijke overdenking.
En hij zeide tot hem : Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. Hand. 10 vers 4b.
GEBEDEN EN AALMOEZEN.
Het geestelijke leven is naar zijn aard een verborgen omgang met God, maar 't openbaart zich ook noodwendig naar buiten. De Heere Jezus spreekt van menschen die als de witgepleisterde graven zijn, die wel schoon zijn van buiten, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen. Zij worden door de menschen wel als godsdienstig aangemerkt en zeer om hun vroomheid geëerd, maar de Heere ziet niets in hen dat op godsdienst gelijkt. Zij missen het verborgen leven met God. Zij kennen geen aanraking met Hem, Die de oorsprong is van alle levenskracht. Wat beteekenen dan toch hunne gebeden die zij doen op de hoeken der straten ? Of hunne aalmoezen ? Het is toch alleen maar om door de menschen geprezen te worden. Welnu, dan hebben zij hun loon weg, d.w.z. zij hebben daarin hun loon dat zij den lof van menschen oogsten. Méér hebben zij er niet aan. Het is alles wat zij er door verkrijgen Anderen zijn er, die meenen dat de godsdienst wel in de binnenkamer kan blijven. Zij spreken er zelfs van, dat de godsdienst zóó heilig is dat deze niet naar buiten uitgedragen mag worden. En op het terrein van het publieke leven is dan geen plaats voor de eeuwige beginselen. Het is de groote vraag of God Zelf in hun binnenkamer wel iets bemerkt van Zijn heiligen dienst.
Gebeden en aalmoezen. Bij Cornelius gingen zij saam. De gebeden getuigen van een verborgen leven met God, de aalmoezen van godsdienst onder de menschen. En van die gebeden en aalmoezen staat dat zij tot gedachtenis zijn opgekomen voor God.
De engel Gods die tot Cornelius kwam, sprak allereerst van zijn gebeden. Deze hoofdman wordt wel godzalig genoemd omdat hij op den weg der godzaligheid zijne voeten gezet had, maar zeker niet omdat hij zich reeds gelukkig gevoelde. Zijn gebeden zullen toch juist een bewijs zijn geweest van het gemis waarin hij leefde, het gemis van vrede, van zielerust, het gemis van God Zelf. Het leven der genade was wel in hem geboren, maar hem ontbrak nog het licht en de vertroosting dier genade. Vandaar dat wij zijn gebeden niet mogen noemen den ademtocht der ziel, zooals het toch is bij Gods kinderen in de heiligste tijden van hun geloofsleven, een omgang met God, waarin gebed en dankzegging samenvloeien. Neen, zoo is het bij Cornelius niet. Het zijn de gebeden van een zoekende ziel, 'die in de duisternis rondtast Vraag nu niet hoe dat gebedsleven in hem gekomen is. Daarvan spreekt de Schrift niet. Het kan zijn dat hij een Jodengenoot was en reeds veel kennis had gekregen van de Wet en de Profeten ; dat hij van de prediking der apostelen veel vernomen had. Hoe dit ook zij, wij moeten denken aan de wondervolle werking der wedergeboorte, een werking, die onnaspeurlijk is. Hier geldt het woord dat de Heere sprak tot Nicodemus : »gij weet niet.« Er moeten vele vragen onbeantwoord blijven als het gaat over de diepe roerselen des harten van een mensch die naar God leert vragen. Die omzetting is zóó machtig, zóó ingrijpend, dat wij evengoed de druppelen zouden kunnen tellen van een kokende zee, als dat wij de verschillende bewegingen der ziel zouden kunnen noemen van een mensch die uit zïjn natuurstaat wordt overgeplant in het leven Gods. In dit opzicht is er veel godsdienst die in de binnenkamer blijft, om de eenvoudige reden dat deze niet uit te dragen is. De gedachten, die nooit stil stonden en altijd van God af gingen, worden omgezet om zich te bewegen in eene tegenovergestelde richting. Zóó is het met de begeerten, zóó is het met 's menschen wil. En dit geschiedt niet als met een machine die even door de draaischijf wordt omgezet en verder even snel in tegenovergestelde richting loopt. Weg met zulke voorstellingen van een machinale bekeering, zooals wel eens in methodistische kringen gegeven wordt. Het genadeleven is veel meer'te vergelijken met een plant, hoewel ook deze vergelijking weer te kort schiet. Maar in ieder geval gaat zij hierin op, dat het leven dat uit God komt, worstelend groeit. Zooals de vele op elkander inwerkende factoren niet met juistheid te noemen zijn, waardoor een zaadje ontkiemt, zoo moet de mensch er ook van af blijven om het nieuwe leven dat door den Geest gewerkt wordt, te beschrijven. Ook daarvan-'is te zeggen: Wij zien-het, 'maar doorgronden het niet.
Het komt er maar op aan, dat dit nieuwe leven in ons is. Zonder dit genade-leven bewegen wij ons in de lijn van den eeuwigen dood en is al onze uitwendige godsdienst niets anders dan vlagvertoon, dat dient om onze rampzalige lading te verbergen.
De gebeden van Cornelius waren een bewijs van het zoeken en worstelen zijner ziel om te ontkomen aan de zonde en het verderf en te geraken tot de gemeenschap met God.
Kent gij, mijn lezer, ook zulk een gebedsleven ? Weet dan dit, dat zulk bidden niet altijd onmiddellijk verhooring krijgt. Cornelius was gedurig biddende. Het gebeurt wel dat er een vragen is om licht en de duisternis wordt steeds grooter. Een gedurig kloppen en de deur wordt niet geopend. Een zoeken naar God, naar den levenden God, en God schijnt hoe langer hoe verder van ons verwijderd te zijn Vaak worden dan bij dagen en bij nachten de gebeden vermenigvuldigd, de stille verzuchtingen, de bange klachten. »En de Heere antwoordde haar niet één woord«, staat er geschreven van de Kananeesche vrouw.
En dan toch voort te gaan met smeeken ! Hoe is dat mogelijk ? Geloof mij, als de Heere Zelf niet de kracht gaf om te volharden, de zoekende ziel zou reeds lang met zoeken zijn opgehouden Hoe zou de mensch het kunnen uithouden tegen de oproerige gedachten die oprijzen ? Houd maar op met bidden ! Het geeft u toch niet! De Heere let niet op uw klachten ! Er is voor u geen genade meer!......... Die gedachten zijn als een geweldige storm. Het gekrookte riet zou er door verbroken worden en de rookende vlaswiek zou worden uitgebluscht, als de Heere Zelf niet voor de waarheid Zijner belofte waakte.
Het zoeken van den mensch die naar God zoekt, is louter nawerking van het zoeken waarmede God den mensch zoekt. Ook al zal hij die vraagt om vrede er zelf niets van vermoeden dat er een geheime kracht in hem werkt, toch is het zoo. Hierin is de liefde, niet, dat wij God lief hebben gehad, maar dat Hij ons eerst heeft liefgehad ; niet dat wij begeerden tot God te gaan, maar wel dat God begeert tot ons neder te dalen. De volharding van God is nu ook de volharding in het gebedsleven. Stel u voor een mensch die niet slechts zes keer, maar talloos vele keeren smeekt om genade en hij vindt geen verhooring, er komt zelfs geen wolkje als eens mans hand aan den wolkenloozen hemel. Vanwaar heeft een van nature ontrouw en wankelend mensch dat uithoudingsvermogen ? Uit Hem, Die machtig is boven bidden en denken te doen, maar ook Zijn kracht schenkt in het bidden en denken op zichzelf.
Dan worden ook de volgende overwegingen geheiligd aan het hart. Ik heb den Heere zoo lang tegengestaan. Hem laten kloppen aan de deur van mijn hart en op Zijn vermaningen niet gelet; zou nu de Heere maar onmiddellijk gereed moeten zijn om op mijn kloppen de deur te openen? Of, de Heere is toch een Waarmaker van Zijn Woord. Hij komt op Z ij n tijd en nief wanneer ik meen dat het de tijd der verhooring is Of, als de Heere mij doet naar mijne zonden, dan zal Hij mij eeuwig moeten laten vragen, weenen en smeeken.
Cornelius was God geduriglijk biddende. Dat zal later ook nog wel hebben plaats gehad. Ook nadat hij door - de prediking van het Evangelie zijn Heiland en Zaligmaker vond. Zijn gebeden zullen dan wel niet in het teeken van het Godsgemis gestaan hebben, maar veel meer in het teeken van de vrijmaking der kinderen Gods. Het gebed blijft, ook al wordt niet om hetzelfde gebeden. De Heere heeft Zich toch een arm en ellendig volk overgehouden, dat op Zijn genade blijft hopen. Het verborgen leven met God is een gebedsleven, ook al vloeien er tranen van dankbaarheid.
Gods verborgen omgang vinden Zielen daar Zijn vrees in woont.
Gebeden en aalmoezen. Wij lezen van Cornelius dat hij vele aalmoezen aan het volk deed. Die aalmoezen werden gegeven met een verootmoedigd hart. Zij vloeiden uit het gebedsleven voort, evenals het water uit de levende bron... Indien dit niet zoo was, zouden zij ook niet in gedachtenis zijn opgekomen voor God. Wij moeten niet meenen dat Cornelius deze aalmoezen deed om daardoor God gunstig voor hem te stemmen, ook niet om daardoor de zaligheid te verdienen. Wij stemmen toe, dit zou op zichzelf niet vreemd zijn. De mensch wil soms wel iets of veel geven, om daardoor veel terug te ontvangen, en de zaligheid trachten te verwerven door zijn milddadigheid En toch, bij Cornelius is het zoo niet. De gedachte zal bij hem overheerschend zijn geweest dat, hij, een ellendig zondaar, in de tijdelijke zegeningen nog zooveel gunst van God ontvangen had. En hij deelde gaarne van het zijne uit, waarover hij toch slechts rentmeester was, aan hen, die minder bedeeld waren Die aalmoezen zullen later niet minder zijn geworden, toen hij een Zaligmaker voor zijn ziel gevonden had. De liefde van Christus toch gaat alle verstand te boven. En een ieder die iets van die liefde kent en van de zelfofferande waarmede Christus zich aan Zijn Gemeente gaf, zal ook iets bezitten van het zichzelf opofferende leven tot heil van anderen. De liefde is mededeelzaam. Niet slechts wat de geestelijke goederen aangaat maar ook wat de tijdelijke zegeningen betreft.
Vanwaar komt het, dat men in onze dagen zoo bitter weinig voor elkander over heeft? Zij zoeken allen het hunne en niet hetgeen van Christus is. Men leeft vaak in een apart leventje, en onttrekt zich aan de velerlei ellende die er onder de menschen is. Ben ik mijns broeders hoeder ? Dit schijnt de overheerschende levensregel der menschheid te zijn. Zeer weinig komt het voor, dat er eens een opofferende daad gezien wordt die 'zuiver en alleen uit liefde geschiedt, uit liefde voor Christus, uit liefde voor den naaste. Vanwaar dit? Omdat men zich niet aan God geeft, wil men zich ook niet aan de menschen geven. Gebeden en aalmoezen ! Als er gebeden zijn, zullen er ook wel aalmoezen komen. Mocht er maar meer samenleven met God zijn, er zou ook meer meeleven met de menschen zijn. En er zou nog een zich geven gezien worden voor de eere Gods, voor het rijk van Koning Jezus en voor het heil van den naaste, en dat naarmate een ieder gaven van God ontvangen had.
Gebeden en aalmoezen. Als deze twee bij ons te zamen gaan, wordt door Gods Woord ook ons gezegd wat de mond van een engel Cornelius verkondigde : Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's