De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

De onwaarheid in het Paaschfeest bij de Modernen.

Onlangs hebben we een artikel van prof. Oort uit „De Hervorming" overgenomen, waarin hij sprak van dé onwaarheid bij de modernen, die Paaschfeest vieren, terwijl zij de opstanding van Christus, zoo als de Bijbel ons die leert en zooals de orthodoxen die leeren, loochenen, zeggende, dat er met Jezus, nadat Hij aan het kruis is gestorven, en daarna begraven, niets bijzonders gebeurd is.

In „De Hervorming" (van 21 Mei '21) vinden we nu een stukje van mevrouw A. C. E. Beijnen—van Geuns, die op deze zaak nog eens terugkomt.

Dat artikel luidt als volgt :

Met groote belangstelling las ik het stukje van prof. Oort en de daarop gevolgde replieken van dr. Van Mourik Broekman en dr. Drijver en ik heb mij verwonderd en bedroefd. Verwonderd om meer dan één reden : ten eerste omdat Z.H.G. nu eerst tot de overtuiging is gekomen, die uit zijn schrijven spreekt, en ten tweede omdat niemand hem gelijk gaf en alleen twee antwoorden in tegengestelden zin inkwamen.

Het tweede deel van prof. Oort's betoog, de quaestie van bezoldiging van deugd en ondeugd, laat ik geheel er buiten, daar dit de hoofdzaak maar zijdelings raakt. Ik spreek nu alleen over de viering van het Paaschfeest door de modernen ; en dan blijft het een feit, dat hetgeen eeuwenlang door de Christenheid is herdacht, en nu nog door Katholieken en orthodox Protestanten wordt herdacht bij de viering van het Paaschfeest is : het weder levend verschijnen van Jezus van Nazareth, drie dagen na zijn marteldood.

En wie deze gebeurtenis als onwaar en onmogelijk verwerpt, die moest geen Paschen vieren.

Het is heel mooi gevonden, om aan dien dag een ander karakter te geven, door hem te stempelen tot het opstandingsfeest van geestelijk leven, dat ruw door de wereld scheen vernietigd, of van de herleving der natuur, maar dit houdt geen steek.

Dat het geestelijk leven van groote mannen na hun dood in hun invloed en leeringen weer herleefde, is niet alleen op Jezus toepasselijk. Om slechts een paar voorbeelden te noemen : Socrates' leeringen werden door Plato opnieuw verlevendigd en beter voor het nageslacht bewaard, dan de apostelen en evangelisten dit voor Jezus' leer deden, en de denkbeelden van Johan Husz zijn niet met hem op den mutsaerd vergaan, maar werden door de groote hervormers weer opgevat. En in ieder geval zou Pinksteren dan een beter aangewezen dag zijn, om het onverwoestbare van het geestelijke leven te vieren, dan Paschen.

En als opstandingsfeest der natuur is Paschen in onze Noordelijke landen soms al zeer weinig toepasselijk. Ik herinner mij vele Paaschdagen, die echte winterdagen geleken, en waar van een beginnende lenteweelde al heel weinig te bemerken viel. Als men het onverwoestbare natuurieven wil herdenken, dan is daarvoor het oude Zonnewendefeest der Germanen veel meer geschikt, en de moderne predikanten, die dergelijke Paaschpreeken houden, doen niet onder voor de eerste Christenpredikers, die onze voorvaders het Östarafeest met het Paaschfeest deden vereenzelvigen.

Neen ! Indien de moderne protestanten nog steeds op het standpunt blijven staan, dat Jezus niet lichamelijk is teruggekomen na zijn dood, dat zooiets eenvoudig onmogelijk is ; indien de onderzoekingen op occult gebied in de laatste 50 jaar door bekende geleerden gedaan, welke bewezen hebben, dat menschen na hun dood weer in stoffelijke lichamen kunnen verschijnen, en spreken en handelen juist zooals ons van Jezus wordt bericht, zoodat de onmogelijkheid van zulk een gebeurtenis is te niet gedaan, indien deze onderzoekingen geheel aan het verstand en het begrip van de moderne theologen zijn voorbij ge'gaan, dan behooren zij zich te onthouden van het medevieren van een feest waarbij de overige Christenen zulk een gebeurtenis herdenken.

En ik-heb mij er over bedroefd, dat de modernen in hun eigenwijsheid voor onmogelijk en niet gebeurd verklaren, wat door de nieuwere wetenschap nu als mogelijk wordt ingezien en door een man als Paulus, die het feit toch uit den mond van meerdere ooggetuigen moet hebben vernomen, als waar beschouwd en tot den hoeksteen des geloofs wordt verklaard. (1 Corinthe 15 vers 13 en 14).

Laat ons toch niet alles wegredeneeren. wat in oude tijden door geloofwaardige getuigen werd te boek gesteld. Achtereenvolgens zijn de Pygmeën en menschen rnet kleine staarten, waarvan Herodotus vertelde, en waarover men . minachtend de schouders ophaalde, gebleken werkelijk bestaande volksstammen in Centraal-Afrika te zijn, en zijn Troje en de schat van Priamos, die slechts als een product van dichterlijke verbeelding werden beschouwd, in waarheid door Schliemann gevonden.

Eeuwenlang heeft de Christenheid er met aan getwijfeld, dat werkelijk Christus na zijn dood weer in menschelijke gestalte was verschenen. In de eerste eeuwen, en later ook had men toch ook manuscripten en zelfs m^er materiaal voor het onderzoek van texten, daar vele handschriften nu verloren zijn geraakt. Maar eerst toen men, op het gezag der materialistische wetenschap der 19de eeuw, er vast van overtuigd was, dat zooiets onmogelijk was, dat „de dooden nooit weeromkomen" is men de verhalen omtrent Jezus' opstanding gaan beschouwen alls eerst later toegevoegde verzinsels.

Zonder twijfel is er in later tijden heel wat ter versiering' bijgevoegd. Terwijl Paulus in het zoo even aangehaalde hoofdstuk van 1 Corinthe een vrij juiste teekening geeft van 't onderscheid tusschen het vleeschelijke lichaam en het geestelijke (incarnatie en materialisatie) hebben de schrijvers der Evangeliën het doen voorkomen, alsof het igestorven lichaam van Jezus weer verschenen was, daar zij in een tijd schreven, ' waarin men zich geen juist begrip kon vormen over het gebeurde tusschen Paschen en Hemelvaart. Noch Paulus, noch het overgebleven deel van het zoogenaamde evangelie van Petrus (dat toch blijkens den stijl is geschreven door iemand, die de gebeurtenissen zelf heeft meegemaakt) spreken van een ledig graf of een verdwenen lijk Zoo, als de Evangelisten het voorstellen, is Jezus Opstanding niet in zijn werk gegaan, maar even stellig als prof. Oort zegt: „er is nadat Jezus aan het kruis stierf niets met hem gebeurd", even stellig en met meer waarschijnlijkheid zeg ik : „er is na zijn kruisdood wel iets met Jezus gebeurd, hij heeft zich-meerdermalen verstoffelijkt aan zijne leerlingen vertoond, zooals dat nog heden ten dage mogelijk is, en ook gebeurt, dat overledenen zich verstoffelijken en aan vrienden en bloedverwanten verschijnen en met hen omgang hebben. En de eerste maal dat dit met Jezus gebeurde heeft de Christenheid herdacht bij het Paaschfeest.

Ik kan hier niet verder over deze waarschijnlijkheid uitwijden. Wie in bijzonderheden wil zien nagegaan, hoe juist kleine trekjes in de Evangelieverhalen overeenstemmen met de eigenaardigheden, die de hedendaagsche onderzoekers bij gevallen van verstoffelijking hebben geconstateerd, waardoor deze Evangelieverhalen voor deskundigen juist groote waarschijnlijkheid krijgen, die leze wat ik daarover schreef in mijn werk „Het Spiritisme", in 1920 bij Van Dishoeck te Bussum verschenen, dat een ieder gratis uit de Koninklijke Bibliotheek kan bekomen indien hem de prijs te hoog is.

A. C. E. BEIJNEN~v. GEUNS.

Nog eens de onwaarheid in het Paaschfeest.

In „De Hervorming" van 4 Juni vonden we nog een stukje van dr. K. V o s. Doopsgezind predikant te Middelstum (Fr.) wat we ook hier laten volgen. Het luidt aldus :

Mevrouw Beijnen heeft zich verwonderd, dat niemand prof. Oort gelijk gaf. Ik geloof, dat voor die verwondering weinig reden is. Het spreekt vanzelf, dat ook al publiceeren zij dit niet, een zeer groot aantal theologen het hierin met professor Oort eens is. Maar Mevrouw B. hecht waarde aan hét spiritistisch weder levend verschijnen van Jezus na zijn dood. Dit is een even groote onwaarheid in het Paaschfeest. Dit is het feest van : „De Heer is waarlijk opgestaan." De vrijzinnige spiritist gelooft iets geheel anders. Ook al zou ik haar spiritistische opvatting moeten deelen, dan nog is dat geloof volstrekt waardeloos, behalve dan dat deze verschijning één der bewijzen was voor het bestaan van geesten of astrale lichamen. Wat zij bewijs acht, is voor mi] vrijwel hetzelfde als hallucinatie. De antieke opvatting is : Jezus Christus, die'tegelijk God en mensch was, is na zijn kruisdood herleefd en opnieuw in zijn aardsche lichaam' verschenen, dat de functie van het eten weder kon verrichten. Dat is een bewijs, dat alle dooden weder zullen herleven en in de wederopstanding des vleesches opnieuw in hun aardsche lichaam zullen rondwandelen op aarde. Dat geschiedt eerst bij de wederkomst van Christus, gevolgd door het laatste oordeel, waarna de Christenen op een nieuwe aarde gelukkig zullen zijn en de ongeloovigen worden gestraft. Tot aan die wederkomst is Christus met zijn lichaam ten hemel gevaren.

De moderne gelooft in de onsterfelijkheid der ziel, de orthodoxe in de wederopstanding des vleesches. Maar iets geheel anders is het spiritistische geloof, dat menschen na hun dood weder in een stoffelijk lichaam zich vertoonen kunnen, spreken en handelen. Want dit laatste is iets dat dan tijdelijk, gedurende een gedeelte van een dag, door sommige menschen zou zijn waargenomen. Dit is zeer stellig niet te beschouwen als wederopstanding des vleesches, die trouwens tegelijk voor allen en voorgoed moet geschieden. Zoowel de spiritistische als de niet-spiritistische moderne geeft met Paschen nooit iets anders dan een surrogaat Hij zegt dan misschien wel zeer mooie en stichtelijke dingen, maar al wat hij zegt staat diametraal tegenover het antieke geloof. Het allergebrekkigste dogmatische denken van velen doet hen met Paschen niet veel meer zeggen dan onbewust uitgesproken fraseologie.

Middelstum.

K. Vos.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's