Staat en Maatschappij.
Het gezantschap bij den Paus.
(Slot).
Wanneer beknopt wordt samengevat, hetgeen wij in het vorig nummer over de houding van de Christelijk Historischen ten opzichte van het gezantschap bij den Paus schreven, dan blijkt uit de gepubliceerde stukken, dat van Christelijk Historische zijde terzake van het herstel van het gezantschap bij den Paus, het volgend standpunt wordt ingenomen :
Ie. dat de zaak zelf, ook al komen er enkele teere punten bij in 't geding n i e t v a n zoo buitengewoon belang is; voorts dat de beslissing, welke over het herstel van 't gezantschap genomen wordt, afhankelijk is van de vraag of de n o o d-z a a k van den maatregel aanwezig is en dat indien dit het geval is in het onvermijdelijke moet worden berust ; en eindelijk dat voor het geval 't Protestantsch beginsel van de Christelijk Historischen zoo weinig beteekent, dat het reeds zal ten onder gaan, als een Nederlandsch gezant de poort van het Vaticaan binnentreedt, dit Protestantsch beginsel dan niet beter verdient dan ten onder te gaan ;
2e. dat het oordeel onder Ie. aangegeven vrijwel onderschreven, wordt door die leden der Chr. Hist. Kamerclub, die aan het afdeelingsonderzoek der Kamer over den post van het gezantschap deelnamen en zich daarover in de afdeelingen uitspraken ; en
3e. dat de houding van dr. De Visser als Minister volstrekt onverdedigbaar is te achten, en deze, zoodra de zaak van het herstel van het gezantschap bij den Paus in den Ministerraad werd aanhangig gemaakt, de portefeuille-kwestie had moeten stellen.
Hoe staat het nu met de houding van de Anti-Revolutionairen ?
Staan dezen, zooals beweerd wordt, tegenover het gezantschap bij den Paus anders dan de Christelijk Historischen?
Deze vragen willen wij in de tweede plaats overwegen en doen dit dan weer eveneens aan de hand van de verschenen stukken.
Wat blijkt nu ten aanzien van die houding ?
In de zitting van de Tweede Kamer van 22 December 1920 deed de heer de Savornin Lohman een voorstel om de gelden, benoodigd voor het gezantschap bij den Paus, niet toe te staan. Dit voorstel kwam den daarop volgenden dag, 23 December, in stemming. Vóór het toestaan der gelden stemden de zes aanwezige Anti-Revolutionairen, d.w.z. de kleinste helft van de Kamergroep. De zeven andere Anti-Revolutionairen namen aan de stemming geen deel. Waarom zij dit niet deden, laten wij een oogenblik in het midden. Het eenige feit, dat dus vaststaat, is, dat de minderheid der Anti-Revolutionairen zich hier tegenover de Christelijk Historischen uitsprak. Daarmede is de bewering tegengesproken, dat de Anti-Revolutionairen als zoodanig ten aanzien van het gezantschap bij den Paus anders staan dan de Christelijk Historischen.
Uit de beraadslagingen, die bij gelegenheid van de behandeling van het voorstel-Lohman gevoerd werden, blijkt voorts, dat slechts één Anti Revolutionair het woord voerde, n.l. dr. Beumer.
Bij 't nalezen van diens redevoering treft het, dat dit Kamerlid, in tegenstelling van den heer de Savornin Lohman, die uitdrukkelijk verklaarde namens zijne vrienden te spreken, niet uit naam van zijn club, maar geheel voor eigen rekening het woord voerde. Zoo sprak ook voor zich persoonlijk mr. Van den Berg in de Eerste Kamer. Dit komt duidelijk uit in de redevoering, die de heer Idenburg in dit lichaam hield, toen hij zeide, namens zijn geestverwanten te zullen spreken, en zich daarbij losmaakte van de redevoering van den heer Van den Berg, die gesproken had geheel voor zich persoonlijk
Welke houding nam nu de heer Idenburg in ten opzichte van den gezantschapspo? t bij den Paus ?
De heer Idenburg zeide in de zitting van de Eerste Kamer van 11 Maart 1921 dit :
Wat nu het algemeen nationaal belang betreft, de redevoering van den Minister lijkt mij bevredigend en overtuigend, echter niet om te voeren tot de vestiging van een a 1 t ij d durend (wij spatieeren) gezantschap bij den Paus. De Minister zegt, dat, nu de omstandigheden sinds 1915 zijn veranderd, het gezantschap toch niet kan worden opgeheven. Hij motiveert dat met een beroep op „de onzekere en netelige tijden", die wij doormaken en door de mededeeling, dat „de internationale toestand nog niet van dien aard is, dat Nederiand zich zonder schade uit dat belangrijk internationaal centrum zou kunnen terug trekken." Voor mij is het gezantschap bij het Vaticaan niet een vanzelfsheid, zooals dat te Brussel, Berlijn, Londen of Parijs. Vóór 1914 hadden wij er geen en wanneer de bijzondere omstandigheden, waarop de Minister wijst en die nu pleiten voor de handhaving van den post, veranderen, zal voor ons het oogenblik aangebroken zijn om na te gaan, of wij onze houding moeten herzien. In dien zin aanvaarden wij het voorstel van den Minister.
Zoo sprak de heer Idenburg, die niet alleen lid der Eerste Kamer is, maar ook 2de voorzitter is van het Centraal Comité van Anti-Revolutionaire kiesvereenigingen. Hij plaatst zich in zijn redevoering op het standpunt van 1915, toen tot de instelling van een tijdelijk gezantschap bij den Paus besloten werd en toen voor dezen maatregel ook alle Christelijk Historische Kamerleden stemden.
Wij hebben grond om aan te nemen, dat de zeven Anti-Revolutionairen, die in de Tweede Kamer over het gezantschap bij den Paus zich niet uitspraken, van gelijk gevoelen waren als hun partijleider in de Eerste Kamer.
En zoo de zaak staande, lijkt het ons geheel ongemotiveerd om het te doen voorkomen, alsof ten aanzien van het herstel van het gezantschap bij den Paus de Anti-Revolutionairen een gansch andere houding aannamen dan de Christelijk Historischen en wel zoo, dat de laatsten tegenstanders en de eersten voorstanders van het gezantschap zouden zijn. Zij, die zoo redeneeren zijn met de feiten óf niet op de hoogte, óf spreken, zoo zij ze wél kennen, om welke redenen dan ook, onwaarheid.
Zeker, er zijn Anti Revolutionairen, even goed als Christelijk Historischen, die uit volkenrechtelijke overwegingen of uit een krachtig ontwikkeld vrijheidsgevoel, geen bezwaar maken tegen een gezantschap bij den Paus, ja, zelfs zulk een gezantschap verdedigen, maar tegenover dezen staan er anderen en wat de Anti-Revolutionairen betreft, zouden we zelfs durven zeggen, staat de overgroote meerderheid van die partij, die van het herstel van het gezantschap bij den Paus niet willen weten.
En onder deze laatsten scharen ook wij ons.
Maar onze bezwaren tegen het gezantschap bij den Paus zijn daarbij van geheel anderen aard dan die van zoo menigen Protestant, die alleen uit anti-Papistische gevoelens tegen Rome protesteert. Met de zulken, die vaak o zoo weinig ophebben met het voeren van een Christelijke politiek ja, zelfs in zoo menig opzicht het leven naar de Christelijke beginselen op staatkundig terrein tegen staan, hebben wij geen gemeenschap. Velen dezer Protestanten behooren tot een Protestantisme, dat tegen alles protesteert behalve tegen het ongeloof.
Onze bedenkingen tegen het herstel van het gezantschap bij den Paus zijn van principiëelen aard. Zij vinden hun grond in den grondtoon van ons volkskarakter, gelijk dat door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming omstreeks 1572 zijn stempel ontving.
En met dat beginsel : terugkeer van ons volk tot de Reformatie en het opkomen voor het Woord Gods en de aloude belijdenis heeft het anti-papisme heet weinig te maken
Het Calvinisme leeft niet uit een negatief maar uit een positief beginsel. Zijn kracht tegen Rome ligt niet in het anti-papisme maar het werpt tegen de groeiende macht der Roomsche Kerk de Gereformeerde banier op. Dat is zijn glorie.
De strijd tegen, wat men noemt, het Roomsche gevaar, behoort daarom niet tot de taak van de overheid, maar tot die van de Kerk. En in dien strijd, staan zij, die de Gereformeerde religie liefhebben, het sterkst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's