Ingezonden.
Geachte collega Van Grieken,
Beleefd verzoek ik U opname van het navolgende in het eerstvolgend nummer der , ,Waarheidsvriend".
Bij voorbaat mijn dank.
Van een ambtsbroeder ontving ik heden een Waarheidsvriend van 17 Juni I.l.
Ik meende, dat het tot de goede persmanieren behoorde, te zorgen, dat mij rechtsstreeks een nummer ware toegezonden. Ik neem u dat echter niet kwalijk.
De zaak waar het om gaat, is reeds van ouden datum. 6 Februari 1.1. doopte ik het kind van den heer Heemskerk. Waarom van 6 Februari tot 6 Juni werd gewacht tegen den predikant van Numansdorp een valsche getuigenis te spreken, bewust of onbewust, is mij niet recht duidelijk. Vergeten ben ik niet, wat er geschied is. Ik richt mijn antwoord aan U, geachte collega, omdat U als redacteur van „De Waarheidsvriend" de waarheid en niets dan de waarheid gaarne een plaats in Uw blad zult afstaan. Ik zal trachten zoo kort mogelijk te zijn en bepaal mij tot de zaak, waar het om gaat : de bediening van den Heiligen Doop. Ik volg Uw antwoord op den voet.
1. Den heer Heemskerk werd bij de aangifte van zijn kind tot driemaal toe gevraagd, wat het doel van zijn komst was. Hij heeft dus zijn kind kunnen aangeven en wanneer hij schrijft, dat door den plaatselijken predikant gezegd is, dat hij geen reoht had zijn kind aan te geven, dan spreekt hij, bewust of onbewust, onwaarheid.
2. De kerkeraad handelde dus ook volgens U correct. Die censuur is niet zoogenaamd, maar werkelijk, effectief, heeft kracht van einduitspraak gekregen. Maar dit is hier bijzaak. Het gaat over den H. Doop.
3. Ik ga geheel accoord met Uwe opvatting aangaande de beteekenis van vraag twee uit het formulier. Alleen, U moet het woordje „alhier" niet weglaten. Het is mij niet onbekend, dat over de beteekenis van het woordje „alhier" verschil van meening bestaat, maar met prof. Kuijf, Liturgiek, blz. 146, 147, ben ik van oordeel, dat „alhier" plaatselijk bedoeld is, derhalve, de leer der Kerk, welke overeenkomstig Gods Woord en de artikelen des Christelijken Geloofs in de kerk te Numansdorp geleerd wordt - door wien ? Natuurlijk door den wettigen herder en leeraar onder toezicht der ouderlingen.
Nu verkondigde de heer Heemskerk ter doopszitting, gevraagd, of hij voor God met een gerust geweten „ja" op vraag twee en vraag drie kon zeggen : „ik zeg „ja" op het formulier !" Het was den man niet aan zijn verstand te brengen, dat in het formulier de beteekenis van den Heiligen Doop wordt uiteengezet en in de tweede vraag aan de orde Is de leer der Kerk, gelijk die „alhier" geleerd wordt en geleerd moet worden overeenkomstig Gods heilig Woord en de belijdenis. Toen heb ik gezegd, waar bovendien de heer Heemskerk door zijne houding en spreken voortdurend prikkelt, al wil ik wel aannemen, dat hij dat zelf niet gevoelt : „roep uw vrouw." In dit verband zeide ik : de kerkeraad heeft tenslotte niet met U te maken, want U moogt als gecensureerde toch niet antwoorden.
Wanneer dus de heer, Heemskerk z o n-d e r m e e r schrijft, dat de kerkeraad niets met hem te maken had, niet meedeelt, warom de predikant hem dit toevoegde, dan spreekt hij, bewust of onbewust, onwaarheid.
In den doopdienst heb ik vóór het lezen van het formulier doopouders en Gemeente in het bizonder gewezen op den ernst en de zuivere beteekenis van vraag twee. Op vraag twee had men te antwoorden en niet op den inhoud.van het formulier. En om dit voor een enkele maal eens duidelijk te doen gevoelen, heb ik mijn vollen naam genoemd, niet om de doopouders te laten zeggen dat ik Gereformeerd ben — de Heere moge den man zijne zonde vergeven, om zooiets zelfs te durven denken — maar om het volk te waarschuwen niet lichtvaardig tot het Sacrament van den Heiligen Doop te komen, gelijk hier velen doen ; de Kerk is goed voor den Doop, verder veracht men de Kerk in den geordenden dienst des Woords en in het Heilig Avondmaal. Het volk moet weten, dat het bij den Doop alhier in de Kerk „ja" zegt op de leer, welke in de Kerk door den plaatselijken predikant geleerd wordt.
Geachte Collega, U zult toch ook wel eens een oogenblik op den kansel hebben gehad, waarin U voeldet de ontzaggelijke verantwoordelijkheid, welke ook in de bediening van het Sacrament op óns rust. Zulk een oogenblik doorleefde ik in dien doopdienst in zeer sterke mate. Ik sidderde van verontwaardiging toen ik weer stond voor het feit : over enkele oogenblikken wordt er weder gelogen voor Gods heilig aangezicht bij het beantwoorden van vraag twee en drie.
Wanneer dus de heer Heemskerk den treurigen moed heeft te durven schrijven, dat ik gevraagd zou hebben of ik Gereformeerd ben, dan spreekt de heer Heemskerk, bewust, het kost me nu moeite te schrijven : of onbewust, onwaarheid. •
Neen, Collega, het is hier kerkeraad noch predikant om complimentjes te doen. Niet om de eer van menschen, wèl om de eere Gods, met hoeveel zwakheid en zonde ons pogen dan ook gepaard moge gaan.
Ik hoop en vertrouw, dat U als hoofdredacteur van „De Waarheidsvriend" en nog meer als Bedienaar van het Goddelijk Woord, heel voorzichtig zult zijn met een oordeel uit te spreken over zeer ingewikkelde plaatselijke toestanden, waarvan u zelf schrijft, dat de zaak vertroebeld is en hoe langer hoe meer vertroebeld wordt.
Daar staat geschreven : liegt niet tegen elkander, en ook : gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste. Ik weet, geachte Collega, dat U dit niet zult doen, maar wanneer U hadt geweten, wat U thans weet, dan vermoed ik dat Uw onderschrift toch wel ietwat anders zou zijn uitgevallen.
Tenslotte neem ik de vrijheid U te doen opmerken, dat het niet mijn plan is over deze zaak verder in debat te treden. Ik heb de waarheid geschreven en niets dan de waarheid. God is mijn getuige, dat ik niet lieg. Uit ondervinding weet ik, dat alle geschrijf en gepraat hier niets geeft en niets geven zal, zoolang niet gemeenschappelijk den Heere God ootmoedig schuld wordt beleden en men voortgaat in het openbaar en vooral ook achter de schermen . in hoogmoedige verdwazing alle, alle schuld te werpen op den kerkeraad alléén, op ds. Breen, die stierf, en op mij.
U nogmaals dankzeggende voor de opname.
Met heilbede gaarne Uw medebroeder in Christus,
J. A. TEN BOKKEL HUININK.
V.D.M.
Numansdorp, 25 Juni 1921.
Mijnheer de Redacteur.
Naar aanleiding van verschillende geruch ten over den toestand in de kerkelijke gemeente te Zeist, die hun weg vinden in de niet Christelijke pers, zou U mij zeer verplichten het volgende ter verduidelijking in Uw blad op te nemen.
De zaak is, dat het kiescollege in overgroote meerderheid een zestal opmaakte, waarvan ieder der genoemden principieel op den bodem der belijdenis stond, zonder dat nochtans allen gerekend konden worden tot de „gereformeerden" in engeren zin, met name tot de leden van den Geref. Bond.
Toen nu 882 leden der gemeente aan het kiescollege verzochten, uit dit door het kiescollege zelve, zonder eenigen drang van buiten opgemaakte zestal, een zoodanige keuze te doen, dat een niet-Geref.-Bondslid op het drietal zou komen en beroepen zou worden, werd dit verzoek zonder meer ter zijde gelegd.
Aangezien ondergeteekende, (hoewel zelve lid van den Geref. Bond) niet voor deze kleine partij-politiek, welke niet in het belang der gemeente is, verantwoordelijk wilde zijn, was dit voor hem een reden om te bedanken als lid van het Kiescollege
Dankend voor de plaatsruimte.
Hoogachtend,
H. J. VAN NIE, Pres. Kerkvoogd.
Geachte Redactie,
Zoudt ge in het belang van 600 zwakke kinderen aan dit stukje een plaatsje willen geven in Uw blad ?
Met viiendelijken dank.
' Het Bestuur van „Vacantie Buiten"
G. MUYS, Ie Secr.
Nergens meer plaats ?
Slechts enkele tientallen gingen pas uit. Moeten onze „Vacantie-Buiten"-kinderen dit jaar bij honderdtallen thuis blijven ?
Men vertelt, dat de Centrale Commissie in Den Haag bij de duizend kinderen uitzond. Ja, dat velen hunner in Christelijke gezinnen een plaats vonden. Is men vergeten, dat. „Vacantie-Buiten" alleen leerlingen van Christelijke Scholen uitzendt ? Heeft men voor deze kinderen geen plaats en voor die van Openbare Scholen wèl ? Wij weigeren het vooralsnog te gelooven en doen opnieuw een beroep op alle meergegoede Christenen in de gezonde streken van ons vaderland.
Zou ernergens meer plaatszijn om één of meer dezer kleinen gedurende ten minste vier weken gastvrij te ontvangen ? Niet minder dan zeshonderd wachten er nog, hoofdzakelijk uit Amsterdam en Rotterdam, maar ook uit Leiden en andere plaatsen. Slechts een zestigtal werden er geplaatst. Daarom mogen wij nu wel eens krachtig aan de alarmklok trekken, opdat het luide moge klinken door het gansche land : Mede-Christenen, helpt I Laat niet de neutrale organisatie voorgaan. Stelt uw hart en uw huis open voor de zwakke leerlingen van Christelijke Scholen. Zou God niet een rijken geestelijken zegen schenken, zoo men om Zijnentwille barmhartigheid betoont aan het zwakke kind ?
leder, wiens huis en harte ruimte biedt verblijde ons en onze kinderen door zich spoedig aan te melden uitsluitend bij onzen secretaris, den heer G. MUYS, Ie Hugo de Orootstraat, Amsterdam.
het Bestuur van „Vacantie-Buiten"
J. Th. R. SCHREUDER, Voorzitter.
H. A. SCHOLTZ, Vice-Voorzitter.
Q. MUYS, Ie Secretaris.
J. KLOPPER, 2e Secretaris.
J. VAN DER SLUIS, Ie Penningm.
K. VAN DEN BERG, 2e Penningm.
Dr. W. J. KOLKERT jr., Alg. Adjunct.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's