Stichtelijke overdenking.
»En God opende hare oogen dat zij een waterput zag, en zij ging en vulde de flesch met water en gaf den jongen te drinken.« Genesis 21 vers 19
DORST EN LAFENIS.
Daar zal wel niemand onder mijn lezers wezen, die niet weet wat dorsten is.
inzonderheid in deze dagen kunnen we dat merken in het rijk der natuur. Nietwaar. Daar is een algemeene dorst naar het water des hemels. Zoowel bij mensch als bij dier en plant is daar een dorst naar regen.
Als in de dagen van Joel immers heeft een vuur de weiden der woestijn verteerd en heeft een vlam alle boomen des velds aangestoken. Als in de dagen van Elia zijn de rivieren en de beken schier verdroogd en is daar schier geen gras overgebleven om de dieren des velds te verzadigen. Dorre tijden staan ons te wachten wanneer de Heere Zich niet wendt van de hittigheid Zijns toorns en wanneer Hij niet weldra de sluizen des hemels opent en de regen als bij stroomen over ons uitgestort wordt.
O, dat de Heere het land mocht bezoeken en als deze woorden gelezen worden, het reeds groatelijks verrijkt mocht hebben. Dat de Heere eens toonen mocht dat de rivier Gods nog altoos vol waters is en dat Hij machtig is om met de droppelen uit de Godsrivier het uitspruitsel van het dorstig aardrijk te bevochtigen.
Maar nu is die dorst die daar in het rijk der natuur bij mensch en dier en plant vaak gevonden wordt, het zinnebeeld van een anderen dorst.
Nietwaar, daar is óók een dorst naar geestelijke dingen. Daar is ook een dorst als van den dichter van Psalm 42 : Ja, mijn ziel dorst naar den Heer'. Daar is ook een dorst als van den dichter van Psalm 63 : Zijn ziel dorst naar U, zijn vleesch verlangt naar U, in een land, dor en mat zonder water.
Mocht zulk een dorst ook de onze zijn.
Het woord dat we hierboven schreven, bepaalt ons ook bij een dorst, een dorst, die door den Heere echter op wondere wijze gelescht is geworden.
Zooals we weiten, is het een woord ontleend aan de levensgeschiedenis van Hagar, de dienstmaagd van Abraham.
Het moet wat voor deze Hagar geweest zijn, toen zij daar rondzwierf in Berseba's woestijn.
De flesch water die zij uit het huis Abrahams had meegekregen was leeg, en Ismaël, liaar kind, schreide van dorst. Het moet wat voor een moeder wezen, als de kinderen schreien om forood en daar is geen brood meer in huis.. En erger nog, als de kinderen schreien om water, en daar is geen enkele druppel water te vinden om den dorst te kunnen lesschen.
Welnu, zoo was het met Hagar, als zij haar kind onder de struiken had neergelegd. O, wij kunnen ons voorstellen, hoe zij gezocht zal hebben of «r dan niet ergens een enkele teug waters te vinden ware ; wij kunnen ons indenken hoe zij her-en derwaarts geloopen zal. zijn en hoe zij allerwege gespeurd zal hebben of ér dan in het Oosten of in het Westen, in het Noorden of in het Zuiden niet ergens uitkomst of redding zou zijn.
Maar neen, zoo ver haar oog reikte zag zij niet anders dan de dorre zandwoestijn. Geen ander vooruitzicht dus dan dat haar kind weldra sterven zou ; geen ander vooruitzicht dan dat daar onder de struiken weldra het lijk van een knaap gevonden zou worden ; geen ander vooruitzicht dan dat Hagar weldra van haar kind beroofd, in eenzaamheid haar weg zou moeten vervolgen.
Het was daar voor Hagar in de woestijn dus een afgesneden zaak geworden. Maar wat dunkt u, is daar wel een kind des Heeren die in het geestelijk leven niet iets kent van dien toestand dien Hagar daar heeft doorgemaakt ?
Ja, als God ons aan onszelf ontdekt heeft, dan is het wat in de woestijn van dit leven te moeten zien dat er geen water is, waardoor de dorst onzer ziel gelescht kan worden. Of is het dan zoo ook niet met ons ?
O zeker, zoolang wij in onzen natuurstaat leven, , hebben wij in de woestijn van deze wereld water genoeg. De wereld toch weet altoos nog wel een antwoord op de vragen : wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken en waarmede zullen wij ons kleeden ? Maar als daar door de werking van Gods Geest en genade in ons hart een andere vraag is geboren, de vraag van een stokbewaarder •b.v, .: wat moet ik doen, opdat ik zalig-worde ? , dan is dat een vraag, waarop de wereld het antwoord niet geven kan. Dat is een dorst, die in de woestijn van Berseba, die in het Mesech der wereld, niet gelescht kan worden.
Wanneer wij dus kennis hebben aan dat dorsten naar God, naar den levenden God, dan gaat het ons in het geestelijk leven net ais het Hagar in het natuurlijk leven ging. Dan mogen wij ons her-en derwaarts begeven, dan mogen wij zoeken in het Oosten of in het Westen, in het Noorden of in het Zuiden of er dan niet ergens een teug waters te vinden is, waardoor de dorst onzer ziel gelescht kan worden. Maar zoover ons oog reikt is daar in de dorre woestijn van dit leven geen plaats te ontdekken waar ook maar eenige lafenis te vinden is. Is 't wonder dat wij, evenals Hagar haar jongen, onze ziel dan wel eens onder een van de struiken leggen en dat wij niet anders zien kunnen dan dat het voor die ziel een omkomen zal zijn ? Is het wonder dat wij bij het gemis van dat water uit de geestelijke levensbron het den dichter dan wel eens moeten nazeggen : 'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zoodat mijn dood voorhanden scheen. En allfe hoop mij gansch ontviel. Daar niemand zorgde voor mijn ziel ?
Maar ziet, als Hagar daar in moedeloosheid nederzit, niet anders vreezend dan dat weldra het laatste uur voor haar kind geslagen zal zijn, dan heeft de Heere haar redding beschikt. Immers dan opent, God hare oogen, dat zij een waterput ziet. Of die put er tevoren niet geweest is ? Sommigen doen dat voorkomen en stellen het voor dat de Heere voor deze Hagar door een wonder Zijner almacht daar in die woestijn van Berseba plotseling een put heeft doen ontstaan. En het spreekt wel vanzelf, dat dat voor den Heere ook niet te wonderlijk was.
Maar meer waarschijnlijk komt ons de meening voor van hen die verklaren dat de put er wèl was, maar dat Hagar dien in haar smart, door haar tranen, niet had bemerkt. Daarom staat er ook, dat hare oogen er voor geopend werden. Het oog van Hagar was tot liiertoe alleen voor de nooden van haar kind geopend geweest. En omdat zij daar alleen op gezien had, had zij niet bespeurd dat datgene wat zij zocht, in haar onmiddellijke nabijheid te vinden was.
Wat een wonder van genade echter dat de Heere nu juist nog bijtijds kwam om de oogen van Hagar te openen. En o, wij kunnen ons eenigermate voorstellen, nietwaar, hoe alleen door het zien van die bron haar hart, reeds met blijdschap vervuld is geweest. Nu was er dus nog hope dat haar kind niet zou sterven maar leven ; nu was er nog hope dat de belofte des Heeren, ook aan haar verpand, in vervulling zou gaan. Ja, met haar oog op dien waterput gevestigd, zal het in Hagars ziel al wel geweest zijn : Loof, loof den Heer', mijn ziel, met alle krachten. Verhef Zijn Naam, zoo groot, zoo heilig t' achten. Och, of nu al wat in mlj is Hem prees.
En wat dunkt u, zou het zoo ook niet wezen als het oog onzer ziel 'Voor die geestelijke heitfontein ontsloten is ? Immers net zoo goed als er in de woestijn van Berseba een waterput was, ook toen Hagars oog dien put nog niet zag, net zoo goed is er ook nu in de woestijn van ons leven een Geestelijke Waterput, ook al is ons oog er nog voor gesloten gebleven.
Ik behoef u niet nader te zeggen wie die fontein van het Water des Levens is. Die fontein is niemand anders dan Christus, Hij, van Wien de dichter van Psalm 36 reeds zong : Bij U is de fontein des levens. In Uw licht zien vi^ij het licht. Christus de fontein, Christus het water des levens ! Daarom kon Hij zelf ook eenmaal zeggen tot de Samaritaansche vrouw : Een ieder, die van dit water (uit de natuurlijke Jacobsbron) drinkt zal wederom dorsten, maar zoo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem zal geven, dien zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
Christus een put, een fontein, een bron, waaruit het water des levens als vanzelve opkomt. En dan een bron die nooit uitdroogt, een put, die, hoeveel water er ook uitgeschept wordt, niet te ledigen is. O, hier op aarde, nietwaar — het blijkt in deze droge tijden zoo telkens — is daar geen bron die niet kan uitgeput worden. Maar de levensbron Christus blijkt onuitputtelijk te zijn. En hoe verschillend is het water dat aan die levensbron-Christus ontspringt. Zoo is Hij de bron van alle leven, de bron van alle licht, de bron van alle kennis, de bron van alle gerechtigheid, de bron van alle heiligheid, de bron van alle liefde, de bron van alle hoop, de bron van alle geloof, de bron van allen troost, de bron van allen vrede, de bron van alle zaligheid.
Gelukkig als ons oog nu ook door den Heere zelf geopend mag wezen, zoódat ook wij dien geestelijken waterput zien. Immers van nature dan is het bij ons net als bij Hagar, dan is de bron er wel, maar wij zien haar niet. En zeilfs als ons oog voor den geestelijken nood onzer ziel is opengegaan, dan zien wij nog niet dat daar in onze onmiddellijke nabijheid 'n geestelijke Levensbron is om in onzen nood te voorzien en met Zijn water den dorst onzer ziel te lesschen. Eerst als de Heere zelf door het licht Zijns Geestes ons oog er voor opent, dan zien we den waterput die daar in het Middelaarswerk van Christus voor dorstenden naar de gerechtigheid is en met het oog op die Levensbron gevestigd, mogen dan ook wij weer hopen dat het voor onze ziel geen sterven, maar leven zal zijn.
Maar toen Hagar den waterput zag, is zij er ook heengegaan.
Gij gevoelt wel dat dat noodzakelijk was. Immers alleen door haar zien van den put kon de dorst van haar kind niet worden gelescht. Zij had zich dus te stellen in den middellijken weg en met haar flesch had zij naar den put te gaan om zich dan van den put weer naar haar kind te spoeden. En o, we kunnen ons voorstellen dat Hagar na het zien van den put niet langer op haar plaats is gebleven. De liefde tot haar kind en de hoop op zijn behoud waren de vleugelen die haar voeten zich hadden aangedaan. En zoo is zij'weldra tot den put gekomen, waarvoor de Heere haar oogen ontsloten had. Nu zag zij eerst recht wat een helder water daar uit dien put opborrelde en zij verheugde zich reeds in de hope dat dat kostelijke water weldra; haar stervend kind tot verkwikking zou zijn.
Nu, in die hoop is zij dan ook niet beschaamd geworden. Immers met de gevulde flesch is zij op de arendsvleugelen harer moederliefde naar de struiken gegaan. Wellicht heeft eerst bange vrees haar ziel vervuld dat haar hulpe misschien te laat zou komen en haar kind reeds van dorst gestorven zou zijn. Maar neen, haar jongen smakte, haar jongen ademde nog.
O, met w.at zachte hand heeft zij toen de flesch aan zijn lippen gebracht ; met wat moederlijke teederheid zal, zij toen zijn tong nat gemaakt hebben. En weldra bleek het, dat het water uit den waterput, dien God haar had aangewezen, haar kind ten zegen was. Weldra was dan nu ook de vrees voor sterven geweken en het duurde niet lang of verkwikt door het kostelijke bronwater kon de reis door de woestijn van Berseba door moeder en kind voortgezet worden. En o, wij kunnen ons voorstellen, hoe het ook toen in Hagars ziel weerklonken zal hebben : Gij, God des aanziens, heb ik ook hier gezien naar dien die mij aanziet ?
Maar wat dunkt u, zou wat Hagar hier deed in het natuurlijk leven de weg niet zijn dien de Heere in het geestelijk leven met al Zijn kinderen houdt ?
Neen, ook voor hen is het niet genoeg dat hun oogen voor de levensbron, Christus Jezus, ontsloten worden. Zij moeten met de voeten des gelobfs tot Hem de toevlucht nemen en zij moeten met de hand des geloofs het water des levens uit die bron leeren putten.
Zij mogen dus niet blijven zitten, maar hebben, evenals Hagar, in den middellijken weg te gaan tot dien waterput Christus, waarvoor de Heere hun oogen geopend heeft. Zij hebben dat te doen door zich getrouw te stellen onder de bediening des Woords. Zij hebben dat te doen in den weg des gebeds. Zij hebben dat ook te doen wanneer in het Sacrament des Avondmaals de tafel voor hunne oogen staat toegericht. Dan moeten zij in waarachtig geloof, gedreven door de liefde tot en de hoop op het behoud hunner ziel, tot die bron des levens hun toevlucht zoeken. Dan moet de flesch worden gevuld en dan moeten zij op die wijze, evenals Hagar haar jongen, hun ziel te drinken geven.
Immers gij gevoelt wel, als zij dat niet doen, dat het dan eigen schuld is, Is er met het oog op de bron gevestigd, tóch geen verzadiging Is. Maar ook als zij dat wel doen en zij mogen, zij het misschien ook met bevende hand, de flesch brengen aan de lippen hunner ziel, dan zal de Heere ook tóonen dat er van dat water des levens uit de levensbron Christus verkwikking en verzadiging is. Dan zal door de kracht van dat levende water de weg door de woestijn van dit leven kunnen voortgezet worden en het zal niet alleen met Hagar, maar óók met den Psalmist onze belijdenis zijn :
Wat zal ik met Gods gunsten overlaarn. Dien trouwen Heer' voor Zijn gena vergelden, "k Zal bij den kelk des heils Zijn Naam vermelden. En roepen Hem met blijd' erkent'nis aan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's