Stichtelijke overdenking.
»Schrijf het gezicht en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze wie voorbij loopt. Want Hij zal gewlsselijk komen. Hij zal niet achterblijven.« Hab. 2 vers 2b—3b.
Opdat daarin leze wie voorbijloopt.
De profeet heeft zijn wachtpost betrokken. Hij geeft acht op wat de Heere hem te aanschouwen geeft. En niet tevergeefsch is zijn wachten. De Heere antwoordt hem in duidelijke klanken. Hij moet op tafelen Ingriffen, wat de Heere hem te beluisteren geeft.
Het is dus een woord voor de komende geslachten ; voor de tijden die komen zullen leder, die voorbij loopt moet het lezen. Wij zullen dus ook wijs doen een oogenblik onze schreden in te houden, om eens acht te geven wat de Heere hier aan de natiën, aan ons volk, aan ons persoonlijk te zeggen heeft.
We worden gedwongen om te lezen. Zou het kwaad kunnen ? Wat 'n schrift wordt ons dagelijks voorgelegd, dat we ongehinderd terzijde konden schuiven. Met veel vermoeit zich onze geest, dat evengoed kon worden nagelaten. Hier staat iets op tafelen ingegrift, dat we moeten kennen. Want naar deze Schriften zijn de handelingen Gods ten opzichte dezer wereld. Zooals hier staat, zal het wereldprogram worden afgewerkt. Wat is het nu, dat hier is vastgelegd in blijvende letterteekenen ?
Dit, lezer : Aan de ééne zijde eene waarschuwing voor en ter anderer zijde eene vertroosting onder de kastijdingen Gods.
Ook de wereld wordt gewaarschuwd. Ook vanuit dit kamp zal nooit worden ingebracht : ik heb er niets van vernomen, mij is nimmer iets verteld.
In duidelijk schrift zijn hier de daden Gods verkondigd'. Moet 'het niet onomwonden worden toegegeven, dat bij zulk een handelwijze Gods niet anders voorzit dan Gods ontfermende liefde. Hij duldt en draagt en spaart zelfs den lezer, die zijn spotternijen in het voorbijgaan Gode naar het aangezicht slingert. Of zou dat nooit voorkomen ; zou het nimmer worden gehoord van een der voorbijgangers : „wat 'hier staat, zal toch nooit gebeuren" ? .Gelooft het vrij, zelfs deze spotlust kan den Heere niet afhouden van Zijn hooge en heilige bedoelingen. Hij laat het der wereld weten wat Hij ook met haar doen zal.
Het komt, spreekt de Heere.
Het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn. Hoe lang deze zijn zal, weet niemand. Alleen dit wordt ons medegedeeld : de tijd is bepaald. In al de gerichten, in al de oordeelen klinkt eenerlei sprake door : het zijn onderdeden en boodschappers tevens van den grooten en doorluchtigen dag des Heeren. En zoo zien we dan tenslotte dezen profeet met de bazuin aan de lippen : de Heere komt.
Eigenaardig en zeker geen blijk van hoog gestemd geestelijk leven is, dat in déze dagen zoo weinig gesproken wordt over de vertroostingen welke toch ook en zelfs in sterke mate kunnen worden afgelezen uit de oordeelen Gods onzer dagen. In eenigszins luchthartigen zin laat zich telkens vernemen dit woord : het loopt met de wereld op een einde.
Het gericht zal nog tot een bestemden tijd zijn, doch is die tijd daar, zoo zal Hij het voorbrengen. Hij liegt niet — aizoo wat op de tafelen Gods stond te lezen. Hij komt gewis.
En is deze aankondiging nu voor de wereld eene waarschuwing om te doen schrikken, voor Gods Kerk is zij een bron van rijke vertroosting. De wereld gaat voorbij. Het duurt nog tot een bestemden tijd.
Heerlijk wanneer zoo het wereldgebeuren mag worden verklaard. Dan krijgen we van tijd tot tijd het in zeer duidelijke letters voor ons : de eeuwigheidsklok heeft weer een nieuw sein gegeven.
Zou het wel vaak zoo 'verstaan worden ? Klagen we niet vaak steen en been, klimmen onze verzuchtingen niet dagelijks, wordt de vraag niet telkens gedaan : „waar moet het heen ? "
Natuurlijk is hierop geen ander antwoord te wachten dan : „naar de voleindiging der eeuwen'.
Als de z.g.n. beschaafde wereld waarin wij leven, ten onder moet gaan, zoo vormt ook dit een onderdeel van het groote wereldgebeuren. Daarin staan vast en zeker de voetstappen des Heeren. Twijfel hieromtrent behoeft niet te worden geopperd.
De Heere komt, ziet .hier de vertroostingvoor het volk, ook in Habakuks dagen.
Daar was veel wat hun de blijdschap roofde. Er was zoo weinig van te speuren dat de Heere kwam. De vijand immers kon doen en laten wat hij wilde, terwijl zij van alle kanten gebonden zaten.
Och, zegt de Heere, zie iets verder ; waar ge vastigheid in vindt is alleen in het leesbare Schrift, in Mijn Woord.
Houdt u daaraan, toetst hieraan alles wat u overkomt. Het gansche wereldgebeuren regelt zich naar het heilig blad.
Waar Israël toen nog vóór stond, waarop zij nog wachtten was de eerste komst des Heeren.
Eeuwen heeft Hij nog getoefd, maar toch kwam Hij. Wij staan aan de heirbaan der volkeren een heel eind verder. Christus is gekomen, Hij heeft den bestemden tijd volgemaakt. En eigenaardig is dit, hoe Hij elk onderdeel van Zijn leven zag ingeschakeld als een stukje van het geheel. Zijn zijn hier op aarde hing samen met en wees heen naar Zijn wederkomst. Naar Zijne alleszins duidelijke prediking behoeft niet expresselijk teruggewezen, alleen wordt uw aandacht gevestigd op het woord wat deze goddelijke lippen hebben gesproken toen Hij in het verbroken brood en den vergoten wijn een zichtbare prediking instelde : doet dit, tot dat Ik kom. En. als op den berg van hemelvaart de jongeren staan met verlangende oogen opblikkend naar boven, zoo wordt in het Engelenwoord al wederom dit troostevangelie ingeweven : gelijk ge Hem naar den hemel hebt zien henenvaren alzoo zal Hij wederkomen.
De Gemeente van Christus weet dus waar aan zich te mogen houden : Hij komt. Wat alzoo gezien mag worden en zelfs moet, is Hem beiden. Zou dit de gewenschte gestalte ook niet zijn, wat dunkt u ?
Zoo breed staat het er niet voor met een Christen, als hij temidden van deze wereld zichzelf zoekt te verliezen. Hij raakt er zich niet kwijt. Hij wordt verschrikt door alles, wat hij ziet en nog meer door alles wat hij hoort.
Heere, laat mij op U wachten, laat mijn hart en zinnen worden geleid op het pad Uwer geboden. Niets dat zekerder is dan deze twee dingen : de wereld gaat voorbij en met haar al hare begeerlijkheden. Wie niets anders heeft, gaat verloren, is reeds alles kwijt. Maar nu het andere : de Koning der Kerk, Christus de Heere, zal blijken een volkomen Zaligmaker te wezen voor allen, die Hem vreezen.
Als straks het wereldgebeuren een einde heeft genomen, als het heden van genade zijn bestemden tijd heeft volgemaakt, komt de groote Herder der schapen om Zijn arme kudde thuis te halen.
Thans is zeker de vraag niet overbodig : verbeidt ge Hem ook ? Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven.
Er is een toeven, eeuwen lang. Het geduld, de genade, de ontferming Gods staan als lin wedijver met elkander.
De leesbare tafelen zijn ons voorgehouden vanaf onze jeugd. Daar is reeds menige uitlegger ons op zijde gekomen. Wat heeft het ons geleerd ?
Is de sprake der oordeelen en kastijdingen Gods onzer dagen u ook niet tot een roepstem ?
Hij toeft, doch slechts voor een tijd. Bedenkt het wel. Ge hebt in alles uwe bestraffing te zien, doch opdat-ge behouden wordt.
Voor de zwakke broederen heeft dit woord wel een hoogst bekoorlijke klank. Zij wachten op 's Heeren komst in een nog anderen zin. „Och, dat Hij eens indaalde met Zijn Geest in mijn ziel. Ik heb al zoo lang uitgezien en gehoopt op Zijn genade; en toch wil Hij schijnbaar niet inkomen."
Lezers ! Ge ziet hier uw gang geteekend ; betrekt een wachtpost. Laat in de eenzaamheid uwe stemmen maar hooren. Zoekt slechts antwoord op deze vraag : „.Heere, wat zal ik mijnen smaders antwoorden ? "
Daar zijn aanklagers van buiten en van binnen en hierin zijn ze 't roerend eens : „hij is het niet waardig, dat God tot hem zoudt inkomen", doch laat uw stem maar hooren ; laat de vertroosting weerklinken : Ik kom.
De eenige raad dien ook ik u te geven heb is deze : Zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem., want Hij zal gewisselijk 'komen ; Hij zal niet achterblijven.
Weet ge wie Hem het eerste zien zal ? Die de deur achter zich gesloten heeft en tot zijn ziel heeft gesproken gelijk een Jakob : „Heere, ik laat U niet gaan tenzij Gij mij zegent."
Het is een ontroerende gedachte te lezen, dat eenmaal de tafelen des Woords tot aan den laatsten letterklank zullen zijn afigelezen, dan komt een onzichtbare hand en neemt ze weg, doch weet ge wie dan naar voren treedt : het levende Woord Zelf.
Dan is aan alle verwarring en verschrikking een eind gekomen ; dan klinkt het schoone lied van de meest zuivere harmonie : Hij is gekomen, onze Verlosser. Hij toefde niet. Nu zal Hij ons volkomen zaligmaken, eeuwiglijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's