Uit het kerkelijk leven.
De Volkskerk-idee.
VL
Met een betere formuleering van proponentsformule en belijdenisvragen zou het Besturen-stelsel van ons kerkelijk leven niet veranderd zijn ; en daarom reeds kan een dergelijk pogen, om een betere formuleering te krijgen, zonder meer, nooit ons ideaal zijn. Maar we hebben er indertijd hartelijk mee meegedaan en er ernstig vóór gepleit, omdat we meenden, dat op deze manier toch iets méér had kunnen worden aangegeven binnen en buiten onze kerkelijke kringen : dat onze Herv. Kerk geen Vereeniging van elk wat wils is, maar een Kerk met een positieven grondslag, waaraan ieder, vooral de voorgangers zich hebben te houden.
En in beginsel zouden we altijd weer bereid zijn een dergelijk pogen als in 1914 is geschied, te steunen. Niet dus, omdat het voor ons in betrekking tot de oplossing van het kerkelijk vraagstuk een ideale weg is, maar we moeten alles in 't verband nemen. En dan denken we aan de voorstellen van de professoren Meyboom en Oort, gaande over dezelfde zaken, waarin welbewust werd gestuurd in de richting van het belijdenislooze Kerkgenootschap. Op die dingen ziende, 'zouden we elk oogenblik bereid zijn weer mee te doen aan een beweging als van 1914, opdat in het midden van onze Herv. Kerk blijken mocht, dat het geen belijdenislooze Kerkgemeenschap , is, maar een Kerk, die zich de .belijdenis van Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, niet schaamt.
Maar die formule-beweging, waarbij het volstrekt niet ging om een formule, maar om de belijdenis van den Christus naar do Schriften, is nu niet aan de orde. We staan nu weer voor een andere kwestie : de vraag van de Groote Synode.
Ook dat is het ideaal niet,
We wïlllen de synodale organisatie onzer Kerk méér nog gewijzigd en veranderd zien, dan in de omzetting van een Synode van 19leden, gekozen door de Provinciale Kerk besturen, in een Synode van 45 leden, gekozen door de Classicale Vergaderingen en de Waalsche Commissie. Wé willen héél het Besturen-stelsel veranderd zien in een geordend en geregeld samenkomen van de Kerk in Classicale, Provinciale en Synodale Vergaderingen ; opdat de mond der Kerk niet langer gegrendeld zal blijven. Maar dan is de Groote Synode van 45 leden een goed begin. Laat de keuze der Synodeleden maar eens komen in het midden van de Kerk zelve. Dan krijgt de Kerk, althans eenigermate, weer een mond om te spreken. Dan komt er opening voor het kerkelijk leven. En dan zal ook kunnen besproken worden wat in het midden der Kerk leeft en wat de Kerk, tot haar welstand, noodig heeft. Hoe de oplossing van het kerkelijk vraagstuk dan zal zijn, kan natuurlijk niemand zeggen. Maar dat er een oplossing komen moet, staat .bij velen, van onderscheiden richting, vast. Vandaar de antipathie ook tegen de tegenwoordige Synode van 19 leden. Men voelt : dat is nu heelemaal geen vertegenwoordiging van de Kerk. Langs den weg van een getrapte verkiezing is dat hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende lichaam er gekomen en bestaat alleen uit mannen, die reeds op alle bestuurszetels gezeten hebben en dus zoo synodaal mogelijk zijn. Met zoo'n Synode van 19 leden, gekozen door en uit de Provinciale Kerkbesturen, is niets te beginnen.
En neen, we zeggen niet, dat de strijd om de Besturen de moeite niet waard geweest is. Want voor ons staat het tegendeel vast. Maar met een Synode, zooals we nu hebben, is niets aan te vangen. Zij heeft ook het vertrouwen van de Kerk niet. Daarom, zoo is gezegd, moet er een nieuwe sfeer geschapen worden ; er moet gelegenheid gemaakt worden, dat de belangen van de Kerk breed en ernstig kunnen besproken worden, door mannen, die midden uit het kerkelijk leven gekozen worden. Dan kan er een begin gemaakt worden met te spreken, over dingen waarover tot nu toe nooit gesproken is of altijd op een manier, die een gewoon mensch wanhopig zou kunnen maken. De doffe, bedompte, gedrukte sfeer waarin we tot nu toe met onze oude Synode langer dan 100 jaar verkeerd hebben, moet een efnde nemen. Er moet iets nieuws komen, om dan de dingen waar het om gaat: om tot een nieuw, gezond kerkelijk leven te komen, te gaan bespreken en behandelen. En dan gaat het bij ons, om te komen tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Dat zal vvel niet wezen, dat héél de Kerk, in alle plaatsen van ons land, in Noord-Holland, Limburg, Drenthe, Friesland, enz., Gereformeerd kan worden gemaakt ; om overal een Gereformeerde Gemeente met Gereformeerde ouderlingen en diakenen en Gereformeerde predikanten te krijgen. Dat zal noch in de steden noch in de dorpen kunnen ge schieden. Maak Den Helder, Alkmaar, Nieuwe-Niedorp, Boskoop, Maastricht, Bolsward, Assen, Emmen — maar ook Haarlem, Amsterdam, Rotterdam, Arnhem maar eens met één hand omdraaien Gereformeerd.
Dat kan niet. Dat zal ook nooit gebeuren. Dat moeten, dat mogen we ons dan ook nooit voorstellen.
Ook de Groote Synode kan zooiets niet. En we zouden dan ook wel eens willen vragen of er iemand van „onze" menschen is, die ooit deze illusie zich gemaakt heeft, dat de Gereformeerd-Hervormden nog eens ooit de hééle Kerk van Noord tot Zuid en van Oost tot West in bezit zullen krijgen, héél de Kerk en in die Kerk héél het volk.
Zeker, we kunnen wel schermen met leuzen als : „héél de Kerk en héél het volk" — maar met vlaggetjes zwaaien is goedkoop, doch een ideaal tot werkelijkheid maken is wat anders ; en het kost méér dan een rijksdaalder in de week !
Onze Gereformeerde menschen zijn dan ook doorgaans wel zóó nuchter van aard dat ze zich ten opzichte van de Kerk en de oplossing van het kerkelijk vraagstuk door dergelijke schoonklinkende leuzen maar niet zoo, zonder meer, laten inpalmen.
Wat zal dan ook straks de Groote Synode moeten doen ?
Men zal daar de nuchtere werkelijkheid ten opzichte van het kerkelijk leven onder de oogen moeten zien en men zal, zoo breed mogelijk, in onderhandeling moeten treden met de verschillende richtingen, die er in het midden van onze Herv. Kerk nu langer dan 100 jaar zijn en die in alle rechten zijn ingezet, doordat men met opzet, met breking van z'n woord en z'n belofte, de mazen der wet, vooral dogmatisch genomen, zoo groot mogelijk gemaakt heeft, zoodat er dwaal-en leugen-leeringen zoo groot als een olifant, makkelijk door konden.
Bij andere dingen ging men de mug uitzijgen. Het kleinste vuiltje moest uitgewischt worden, want dit en dat was immers niet toelaatbaar in ons wél-georganiseerd Kerkelijk Genootschap !
Maar dogmatisch had men een keelgat waar makkelijk 'n bultige kameel door kon.
En zóó zijn er richtingen gekomen, waarmee straks, zonder af te laten van den wettelijken grondslag der Kerk, gerekend moet worden om der gerechtigheid wil.
(Wordt vervolgd).
Uit de synode. 1
Terwijl we dit schrijven is er nog weinig te vermelden „uit de Synode", daar de vergaderingen nauwelijks begonnen en de eerste vergaderingen bovendien gewoonlijk alleen voor „kleingoed" en voor financiëele zaken zijn. Daarom nu ook maar enkele mededeelingen. De 106de vergadering is geopend door het in jaren oudste Synode-lid ds. P. Flieringa te Scharnegontum, die opmerkte, dat we leven in een tijd waarin men schermt met luidklinkende woorden en dat het goed is herinnerd te worden aan het woord van Paulus : „staat in de vrijheid met welke Christus u vrijgemaakt heeft." Ziende op de agenda, zoo werd gezegd, kon dit wel eens de laatste vergadering zijn, die op den ouden voet geregeld is. Bij de verkiezing van het moderamen werd tot president benoemd dr. G. J. Weyland, predt. te Veere. Bij de stemming voor een vice-president kon men niet dadelijk tot een resultaat komen en moest een herstemming plaats hebben tusschen de heeren ds. de Haan van Zwolle (orthodox) en ds. Tammens (modern). Er waren blijkbaar orthodoxe leden die toch vooral aan de modernen geen onrecht wilden doen en gaarne hadden gezien, dat ds. Tammens vice-president was geworden, 't Is evenwel niet gelukt, want bij de herstemming werd ds. de Haan gekozen. Ds. Tammens werd — dat is de traditie van de laatste jaren — secundus van den vice-president ; waarbij de orthodoxen van heden verdraagzamer zijn dan de modernen van vroeger ; toen was er voor een orthodox man geen plaats in het moderamen. Dr. Weyland aanvaardt het president
Dr. Weyland aanvaardt het presidentschap, door hem sinds eenige jaren bekleed, met een toespraak. Hij hoopt gedurende het laatste jaar van zijn mandaat in staat te zijn de hem opgedragen taak te vervullen. Hij herinnert aan het jaar van zijn eerste optreden in de Synode (1905). Toen waren reeds dezelfde twee groote vraagstukken aan de orde, welke nu weder op de Agenda staan. De zaak van het beheer wordt door hem beschouwd als een cardinaal punt, waarvan veel afhangt voor den bloei der Kerk. Jammer genoeg moet hier zooveel tegenstand worden ondervonden, en zijn er bijkomstige omstandigheden, welke de oplossing van het vraagstuk vertragen.
Het tweede cardinale punt betreft de wijziging in de bestuursinrichting der Kerk. Zonder nu in deze zaak te willen treden, legt de president nadruk op het feit, dat sinds vele jaren verlangd is naar meer contact tusschen de leden der Kerk en haar bestuur.
Besloten wordt geene wetsvoorstellen van niet-leden der Synode welke na de eerste zitting alsnog inkomen, in behandeling te nemen.
De heeren W. J. Aalders en H. M. v. Nes, dienen alsnog het volgende voorstel in :
„De Synode noodige de kerkelijke hoogleeraren uit hun van advies te dienen ten aanzien van eventueele veranderingen die zullen moeten gebracht worden in de universitaire voorbereiding tot de Evangeliebediening in verband met : 1°. de bepalingen van het nieuwe academische statuut ; 2°. de eischen der Evangeliebediening in het algemeen."
De hoogleeraren zullen in een van de volgende zittingen de bedoeling van 'hun voorstel uiteenzetten.
De groslijst ter benoeming van leden der Synodale Commissie wordt opgemaakt. Het zal ons benieuwen of er aan den wensch, uitgesproken in een ingezonden stuk in het laatste nummer van „De Waarheidsvriend", welk nummer aan enkele leden der Synode is toegezonden, nu voldaan is ; of men eindelijk in de Synode ook weet dat er nog Gereformeerden (en Confessioneelen) in onze Herv. Kerk zijn. De Modernen en de Ethischen weet men altijd wel te vinden ; maar ook een paar Confessioneelen en Gereformeerden in het oog te krijgen, dat schijnt een moeilijk werk te zijn.
Doch we zullen zien — misschien zijn er wel betere tijden aangebroken 1
De financiëele aangelegenheden zijn, althans voorloopig, in de 4de zitting ten einde gebracht.
(Wordt vervolgd).
De Vrije Universiteit.
Wij kunnen het maar niet goed vinden, dat de Vrije Universiteit, die zoo nauw bij de doleantie-beweging is betrokken geweest, ook in den voortgang zich uitsluitend blijft bewegen in den kring van de Geref. Kerken. En wat de hoogleeraren èn wat de studenten èn wat de contribueerende leden der „Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag" betreft, is het alles en alles van „de Geref. Kerken", waarbij wat de theologie aangaat de sympathieën nog verdeeld zijn, daar de menschen van '34 — de Afgescheidenen — meer voelen voor de Theologische School te Kampen en de vroegere Doleerenden zich meer scharen rondom Amsterdam.
Het spreekt vanzelf, dat het op den duur heel moeilijk vallen zal om voor de Vrije Universiteit geschikte professoren, straks voor alle faculteiten, te vinden ; oo'k om een voldoend aantal studenten te krijgen (vooral voor de faculteiten van letteren en medicijnen, om die alleen maar te noemen) en dat het ook een héél moeilijk ding zal wezen, om het met de financiën klaar te spelen.
Want we willen gaarne erkennen en hier zelfs op den voorgrond stellen, dat men in de kringen van de Geref. Kerken veel, héél veel geeft voor Kerk en armen en Zending en óók voor de Vrije Universiteit, maar voor al wat dat laatste betreft zal het toch op den duur heel bezwaarlijk gaan om alles in die bepaalde kringen te bekostigen, vooral als de faculteiten vermeerderd worden en de Universiteit zoo wordt uitgebreid. En ja, nu spreekt men wel van Staatssubsidie. En in het algemeen genomen zijn wij er niet tegen, dat het vrije Hooger Onderwijs gesubsidieerd wordt, evenals hel Lager, Middelbaar en Voorbereidend Hooger Onderwijs •— hoewel over het stellen van die onderscheidene takken van onderwijs op één lijn nog wel wat te zeggen zou wezen — maar gaat het nu eigenlijk wel op, dat men een Universiteit gaat beperken tot een betrekkelijk kleinen kerkdijken kring, om dan voor de enorme uitgaven bij den Staat aan te kloppen, om Rijkssubsidie ?
Dat er menschen zijn, die op zoo'n voorslag zóó maar niet ingaan en daar dan eerst nog eens over praten willen, kunnen we begrijpen.
Wij voor ons willen het nog eens uitspreken, dat we het onverantwoordelijk vinden, dat men in de kringen van de Vrije Universiteit met de daad alles zoo eng en klein beperken wil en niet buiten den kring van de Geref. Kerken gaan wil. Wij achten de beteekenis van de Vrije Universiteit voor ons volksleven daardoor kleiner te zijn, dan het zou kunnen en moeten zijn.
Doordat we het laatste financieel verslag van „de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag" onder de oogen kregen, werden we weer bij vernieuwing bij deze zaak bepaald.
Want — we zeggen het niet om ons met eens anders doen te bemoeien, maar omdat we de dingen voelen en zien , zooals we boven hebben aangegeven - financieel staat de Vereeniging er niet best voor. En dat, niettegenstaande den vrij aanzienlijken vooruitgang, wat het aantal leden en begunstigers betreft.
„Er konden" — zoo lezen we in „N. Hollandsch Kerkblad" ^— „49 nieuwe leden en 1200 nieuwe begunstigers worden geboekt. Het bedrag der jaarlijksche contributies steeg boven de ƒ 60.000.— en de opbrengst van collecten en giften was belangrijk hooger dan in vorige jaren. Niettemin zullen de inkomsten beduidend moeten toenemen, zal de Vrije Universiteit met eere in stand gehouden en — uitgebreid kunnen worden. Berekend wordt, dat hiervoor jaarlijks een som van ƒ 200.000.—• noodig zal zijn, de kosten voor de Medische faculteit er niet inbegrepen. Geen wonder dus, dat Directeuren zich afvragen, of men er zonder Overheidssteun wel zal kunnen komen. Reeds ten vorigen jare werd er over gedacht, dien steun te vragen. Naar op de Jaarvergadering werd medegedeeld, zal deze gedachte weldrjf in een daad worden omgezet. ,
De gewone rekening sluit met een tekort van ruim ƒ 2500.—, en het nadeelig saldo vari de Medische faculteit, dat in 1919 ruim ƒ 35.000.— bedroeg, is gestegen tot ruim ƒ 55.000.—. Deze cijfers hebben ons wat te zeggen. Het zal noodig zijn, dat vele leden en begunstigers hun jaarlijksche bijdragen verhoogen, ook al zou de Regeering de subsidie, die nu slechts ƒ 400Ö bedraagt, vertiendubbelen. En — er is nog weinig uitzicht, dat dit gebeuren zal !"
En verder zegt het „N. HoU. Kerkblad" : „Ook van 't Studiefonds gaan de inkomsten - langzaam vooruit. Men had de hulp van oud-studenten ingeroepen, teneinde een som van ƒ 50.000.— bijeen te krijgen. Het bleek echter niet mogelijk meer dan ƒ 36000 te verzamelen.
Aan een nieuw , gebouw viel nog niet te denken."
Dit stemt tamelijk wel overeen met hetgeen we in „De Bazuin" en in „De Wachter' hieromtrent lazen. Want om bij dit laatste blad te blijven, dat schrijft : „Er zijn naar aanleiding van het jaarverslag op de jaarvengadering van de Vrije Universiteit minder opwekkende woorden gesproken over den geldelijken toestand der Vereeniging die de Vrije Universiteit in stand houdt.
De staat van ontvangsten, en uitgaven gaf bedenkelijke perspectieven te zien. Zelfs werd gezegd, dat indien de Vrije Universiteit een handelszaak was, zij op het punt stond te failleeren. De Medische faculteit verslindt schatten gelds, en oo^ voor de andere faculteiten zijn veel meer inkomsten noodig. Men is dit jaar weer ƒ 20.000.— achteruit gegaan ! En nu voor 1921 zullen de uitgaven weer aanmerkelijk stijgen. Voor de honoraria van de professoren zal zeker een bedrag van ƒ 30.000.— meer noodig zijn Er zal in de allernaaste toekomst een tekort berekend kunnen worden van 40 a 50 duizend gulden.
Alet dezen toestand voor oogen werd de vraag gedaan : „is de eerste liefde voor de Vrije Universiteit een weinig verkoeld, ja, werd de pertinente vraag gesteld : of er inzinking in de liefde voor de Vrije Universiteit moet worden geconstateerd.
Ter versterking van de financiën 'zal een beroep gedaan worden op de offervaardigheid van ons volk, en zullen Directeuren tevens zich nogmaals wenden tot den Minister om Rijkssubsidie „al beteekent dat het aanleggen van Rijkskluisters." Ook zal aan leden en begunstigers worden verzocht hun contributie ten minste te verdubbelen.
Het is wel geen bemoedigende toon die op deze eerste vergadering na den dood van den stichter der Vrije Universiteit op de jaarvergadering klinkt I"
Waarom wij deze dingen in ons Bondsblad opnemen ? Niet om onzen gescheiden Gereformeerde broeders een verwijt te maken, dat ze weinig of niets geven. Maar om nog eens te zeggen tot de voorstanders van de Vrije Universiteit, dat men goed zal doen om een nieuwen koers te kiezen — als 't nog mogelijk is — en de Vrije Universiteit niet in alles, 't kost wat 't kost, te maken tot een Hoogeschool die alleen voor en van de Geref. Kerken is !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's