Feuilleton.
Van 's levenspad
door COR. Onvergankelijk goed.
In een klein stadje was Adriaan geboren en opgevoed, daar braoht hij zijn jeugd-en jongelingsjaren door, totdat hij, teneinde zich een zelfstandig bestaan te verschaffen, zijn geboorteplaats verliet en in een groote stad een zaak overnam, welke hem, naar hij meende, een goed toestaan kon geven. In den beginne viel dit echter niet mee, zijn verwachting was grooter geweest dan de werkelijkheid en een oogenblik ontzonk hem de moed, vreesde hij het niet te kunnen volhouden. Die moedeloosheid duurde eöhter slechts kort, want hij was jong en krachtig, wat hem de vrees van zich deed werpen en met nieuwen moed deed beginnen te trachten zijn zaak op te werken. Hij deed dit echter, niet steunende en vertrouwende op eigen kracht alléén, want hij was opgevoed in de vreeze des Heeren, van jongsaf was hem voorgehouden dat aan 's Heeren zegen alles is gelegen en dat deed hem ook nu de toevlucht nemen tot Hem, Wiens oogen over alle dingen gaan, vragende om Zijn hulp en bijstand. Het oog gedurig op den Heere gericht houdende. Hem dag aan dag Zijn zegen smeekende, trachtte hij zich op te werken en spoedig was er vooruitgang merkbaar. Dat deed Adriaan met nog méér lust en opgewektheid op den ingeslagen weg voortgaan, vervulde hem met hoop dat zijn verwachting niet vergeefs was geweest, lederen morgen was hij reeds vroeg aan den arbeid, den geheelen dag zelf meewerkende, om dan 's avonds laat zijn administratie in orde te maken.
Steeds meer begon zijn zaak te bloeien, kon hij zich in haar vooruitgang verheugen, wat hem telkens weer voor den Heere deed nederbuigen, erkennende, dat Hij alleen hem dien voorspoed schonk.
Verscheidene jaren gingen voorbij, waarin hij niets dan voorspoed kende, alles ging zooals hij het wenschte, week aan week zag hij zijn zaak grooter worden en nadat hij was getrouwd, niét meer alleen over 's levenspad voortging, scheen hem niets meer te ontbreken, was het, alsof hem niets meer te wensohen overbleef. Alhoewel dit echter voor het oog der menschen zoo scheen. Was dit toch bij hem zoo niet, want bij al den voorspoed dien hij kende, wist hij dat dit alles vergankelijk goed, slechts tijdelijk aardsch geluk was, wat hij aan het eind zijns levens zou moeten achterlaten. Ofschoon hij zioh in zijn voorspoed verheugde, dankbaar was voor alles wat de Heere 'hem schonk, toch kon het hem niet bevredigen, daar hij wist, dat eenmaal het uur zou komen, waarin de dood hem uit het leven zou wegrukken, wijl hij dan voor den Heere zou moeten verschijnen. Die hem met zegeningen en weldaden had overladen, alles wat hij voor het tijdelijk leven noodig had, geschonken. Hoe zal ik dan voor den Heere verschijnen, hoe zal ik Hem dan ontmoeten, hoe zal ik dan voor Hem bestaan ? Deze vragen rezen gedurig weer op in zijn hart en daarom kon al de voorspoed hem niet bevredigen, maar daarom ook was zijn gedurige bede of de Heere bij al wat hij mocht ontvangen, hem óók het goed, dat nimmermeer vergaat, wilde schenken, hem verwaardigen, straks te mogen ingaan daar, waar hij den Heere mocht grootmaken, loven en prijzen.
Daarover sprak hij gedurig weer met zijn vrouw. Wanneer zij rustig bij elkander zaten dan spraken zij over de zegenende hand des Heeren, die hen voor den tijd zoo gelukkig deed voortgaan over 's levenspad, maar ook vertelden zij elkaar dan telkens weer opnieuw van het verlangen hunner ziele, om bij alles wat de Heere schonk te ervaren, dat hun geluk niet aheen voor den tijd was, maar dat na dit leven de eeuwigheid voor hen mocht zijn een eindeloos geluk in Zijne tegenwoordigheid. Bij den Heere te zijn. Hem te aanschouwen. Hem groot te maken, dat verlangen woonde in hunne ziel, dat was hun meer waard dan al hun aardsch geluk, wat hen ook gedurig weer tezamen daarom deed vragen. Samen knielden zij 's avonds terneer ; vóór zij zich ter ruste be gaven klonk hun danktoon voor wat de Heere hun wilde schenken, doch tevens hun bede om het behoud hunner ziel. Zij gevoelden dit diep onwaardig te zijn, daar geen recht meer op te hebben, maar toch bleven zij aanhouden, zich vastklemmende aan den Borg en Middelaar, Christus Jezus. Zij wisten : de Heere zou om hunnentwil niet hooren, zij moesten belijden niets dan 't eeuwig verderf verdiend te hebben, doch pleitende op het volbrachte werk van Christus Jezus, klonk hun bede, hun smeeken om het eeuwig, onvergankelijk goed.
En wanneer zij dan ternederlagen, stil vertrouwend dat de Heere naar hun vragen zou luisteren, het oor neigen naar hun roepen, rees de vraag op, waaróm hun dat alles werd geschonken, waarom zij niet als zoovele anderen in kommer en gebrek voortleefden, of wat hun nog grooter was, waarom zij niet als zoovele anderen voortleefden in alles wat de wereld bood. Dan gevoelden zij zich de ontetbare zegeningen, welke zij ontvingen, diep onwaardig, konden zij niet begrijpen, dat de Heere naar hen wilde omzien, hen met weldaden overlaadde. Lang lagen zij dan somtijds daarover nog met elkaar te spreken alvorens te gaan slapen, zich over zooveel voorspoed verwonderende, maar nog méér over de genade en ontferming des Heeren, die hunne harten naar Hem deed uitgaan, die hun een oog wilde schenken om te zien, dat zij alleen in Christus' Jezus vrede en vreugde konden vinden, dat zij, dien Borg en Middelaar kennende en bezittende, alleen konden sterven.
Naar Hem vragende en zoekende gaan zij thans nog voort over 's levenspad, om straks Hem te vinden. Hem te leeren kennen als hun Heiland, hun Koning, Die hen ook kocht met Zijn bloed en hen zal verwaardigen om eindeloos Hem te aanschouwen, Hem groot makende voor alles wat Hij hun deed.
Wellicht zijt gij voor het tijdelijke leven ook rijk met goederen bedeeld, zoodat ook gij voor dit leven niets meer te wenschen hebt, doch kent gij daarbij dan ook de begeerte naar het onvergankelijk goed, kunnen de schatten der aarde ook u dan niet meer bevredigen, wijl gij in uw ziel een heimwee gevoelt naar Hem, Die alleen uw volkomen heil kan zijn ? De rijkdom der wereld zal u nimmer bevredigen, nimmer zal die u kunnen voldoen en wat zal uw einde zijn, wanneer gij slechts leefdet met een begeerte naar aardschen rijkdom ? Weet gij niet dat uw einde het eeuwig verderf dan zal zijn, dat gij dan in de buitenste duisternis geworpen zult worden, waar uw klacht eindeloos weerklinkt over het gemis van Hem, Die het licht, den vrede en de vreugde in Zich heeft?
Bedenk dat toch, nu gij nog in het heden der genade zijt, want nu is het nog tijd te vluchten tot Koning Jezus, om dan, in Hem geborgen, straks den dood in te gaan, wetende, dat door Zijn bloed uw zondeschuld is betaald, dat door Zijn dood uw dood is verslonden en door Zijn opstanding u het leven bereid. Donkere, bange dagen vol vrees en twijfel zullen dan wellicht aanbreken, daar satan, ziende dat gij hem zult ontglippen, alles in het werk zal stellen om u in zijn macht terug te voeren. Hij zal u influisteren dat Koning Jezus niet zal hooren, wanneer gij tot Hem roept, dat Hij nimmer uw Borg en Middelaar zal zijn ; hij zal u vertellen, dat gij slechts naar Koning Jezus vraagt uit angst voor de straf, uit vrees voor den dood en dat Deze daarom niet naar u zal willen hooren ; hij zal u wijsmaken dat gij uzelf bedriegt, dat gij slechts voor het oog van anderen de wereld vaarwel zegt, dat uw vragen naar Koning Jezus enkel schijn en zelfbedrog is en nog veel, veel meer zal satan tot u spreken, trachtend u van Koning Jezus af te voeren of u tot wanhoop te brengen. Doch indien gij in waarheid naar den Heere vraagt en zoekt, wanneer gij Hem mist, wijl gij zonder Hem niet meer kunt voortgaan, wanneer uw lust en verlangen is Hem groot te maken. Die u, hoewel gij dit diep onwaardig zijt, niet Zijne weldaden en zegeningen overlaadt, wanneer uw hart naar Hem uitgaat, dan ook zal Hij u doen ervaren dat Hij u gadeslaat, uw smeeken en roepen hoort, u de vreugde schenken straks te zijn daar waar Hij woont, waar gij Zijn lof en grootheid moogt vertellen.
Een verlangen om bij den Heere te zijn, een zoeken naar het onvergankelijk goed, o dat dit in rijkdom of armoede, in voor-«' tegenspoed bij u gevonden mocht worden, want indien gij dat niet kent, zijt gij zoo diep rampzalig, terwijl dat verlangen, dat zekerlijk eenmaal vervuld wordt, u zoo gelukkig én rijk maakt, want het is méér-dan alle schatten der wereld, de tijd kan het niet doen vergaan, de dood kan het u niet ontrooven, het zal u eeuwig, eindeloos gelukkig maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's