De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

6 minuten leestijd

»Hij nu had in zijne opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan.« Daniël 6 vers 2m.

Hoog was Daniël geklommen in eer en aanzien. Met twee andere vorsten stond hij boven de honderdtwintig stadhouders van Darius' gebied ; en van die drie vorsten was Daniël de eerste. Een hooge positie had Daniël verkregen ; hij stond onder Darius, als aan het hoofd van het gansche rijk. Maar van een rijk, dat bestond uit allerlei volken, door oorlog, en geweld onder één scepter gebracht. Hij stond 'boven de vorsten en stadhouders, maar al die overheden benijdden hem zijne eere en bespiedden zijn ambtelijk en huiselijk leven, om zoo mogelijk hem aan te klagen bij den koning. Hoe moeilijk was dus het leven van Daniël bij al die eere !

Maar wat is het geheim zijner bekwaamheid, dat al de vorsten geen aanmerking kunnen maken op zijn regeering, dat een gevangen Jood in de gunst blijft - bij Darius, dat Daniël zijn God dienend, rustig voort kan arbeiden aan het heidensche hof ? Dit : > > hij nu had in zijne opperzaal opene vensters tegen Jeruzalem aan.«

Daniël had een bidvertrek. Daar verscheen hij driemaal daags. Dan knielde hij voor die open vensters. Daar stegen zijn smeekingen op tot God ; daar deed hij .belijdenis voor den Heilige. Dan was hij niet de eerste minister van het wereldrijk, maar een boetende worm, die zich in het stof verootmoedigt voor zijn God. Daar zocht hij wijsheid voor zijn moeilijke taak ; daar worstelde hij om genade bij God. Daar brak weer het licht door het donker zijner ziel, als hij door tijdelijke en eeuwige zorgen gedrukt, zijn'opperzaal binnentrad en neerknielde-voor zijne opene vensters.

Want die vensters waren open tegen Jeruzalem aan.

En Jeruzalem sprak hem van God, 'zijn God, die hem ook in het verre land niet zou begeven, maar zijn Helper, zijn Raadsman, zijn Toevlucht was voor tijd en eeuwigheid. Jeruzalem was de stad, in wier poorten eenmaal — dat wist hij zeker — de voeten staan zouden van dien Messias, die heil zou brengen aan Zijn zuchtend volk en tot Wiens banier de volkeren zouden toevloeien.

Daniël mocht in eere zijn bij Darius, hij was een vreemdeling hier en zijn hart ging uit naar zijn Vaderland, naar Jeruzalem, de stad, die God verkoren had. De offeranden daar weleer gebracht, wezen zijn ziel heen naar h e t Offer dat eenmaal gebracht zou worden door den Messias, Jezus Christus. Voor de zonde zijns volks, ook voor zijn zonde.

Daarom, als Daniël geknield lag voor die open vensteren, open naar de zijde van Jeruzalem — dan werden zijn gedachten vermenigvuldigd in hem, over zijn land en volk en de zonde des volks. Maar dan werd ook zijn geloof versterkt op dien God, Wiens beloften ja en amen zïjn. Wiens trouw niet teniet gedaan wordt door onze ontrouw. Dan wist hij : eenmaal zou God zich weer ontfermen en zijn volk wederbrengen, het uit de ballingschap opvoeren en in Jeruzalem weer wonen in het midden van zijn volk met zegen en heil.

Daar voor die open vensteren heeft Daniël zijn Bethels en Pniëls genoten ; daar was ook menigmaal het venster der ziel open en de toegang open tot Gods harte. Daniël in de ballingschap, temidden van veel moeite, zorg, verre van zijn Vaderland en van Jeruzalem — heeft daar bij die open vensteren naar Jeruzalem, wellicht menigmaal voorsmaken genoten van het hemelsch Jeruzalem — oogenblikken, dat hij nabij God was, dat hij diens Vaderhand de zijne voelde drukken en in zijn ziele leefde, wat de dichter zong : 

In God is al mijn heil, mijn eer. Mijn sterke rots, mijn tegenweer ; God is mijn toevlucht in het lijden. Vertrouw op Hem, o volk in smart ; Stort voor Hem uit uw gansche hart : God is een toevlucht t' allen tijden.

Verwondert het u nu, lezer, dat Daniël toch bij die open vensteren knielde, toen Darius met den leeuwenkuil dreigde, alwie in dertig dagen eenig god of mensch iets zou verzoeken, behalve den koning ? Neen, het was niet alleen om trouw te betoonen aan zijn God, maar juist in die bange dagen, toen alles tegen hem samenspande, was hem die plaats onontbeerlijk. Al sperde de dood zijn kaken tegen hem open, daar voor die opene vensteren moest hij zijn, om zijn God te zoeken, om lucht en licht te vinden, om kracht te putten en in zijn ziel te vernemen het Woord des Heeren : »Mijn oog zal op u zijn.« Hij kön er niet vandaan blijven, ook al hoorde hij de voetstappen zijner belagers naderen. Als met touwen lag hij daar gebonden aan den troon der genade, tot zijn ziel ook in geloof kon zeggen : »Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend ; uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uwe rechterhand behoudt mij. De Heere zal het voor mij voleinden ; uwe goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid ; laat niet varen de werken uwer handen.« (Ps. 138 vers 7 en 8).

Wij hebben tegenwoordig allerlei kamers, maar een bidvertrek met open vensters naar Jeruzalem kan men meest wel missen. Vergaderzalen, pronk-en ontvangkamers kan men aanwijzen. Maar waar hebt gij uw bidvertrek ?

Helaas, niet alleen de wereldling kan zulk een opperzaal missen, maar ook wie zich tooit met het merk „Christelijk" — is zóó sterk en zoo wijs, dat hij veeltijds zichzelf wel kan 'helpen en redden.

Daniël was zwak en krachteloos in zichzelf, maar s t o n d in de ure der verzoeking. En wij ? Als de wereld lonkt, ja dreigt ; als het eigen vleesch prikkelt en vleit tot overtreding ?

Dat de Heere onze beenen breke en onzen sterken arm verlamme, opdat we weer zoeken de eenzame plaatsen om aan Gods voeten uit krachteloosheid en verlorenheid. Zijn hulp en heil te zoeken.

Maar in het bidvertrek blijft het vaak zoo donker, ook voor den verslagene van hart. Wordt echter wel geknield voor de open vensters naar Jeruzalem, naar Jeruzalem dat boven is? In die stad is God de Vader, Wiens hart met ontferming bewogen is over ellendigen. Daar is de levende Christus, die leeft om het neergebogene op te richten. Van den Vader en den Zoon daalt de Heilige Geest neer om te troosten het hart, dat tot den levenden God zucht en toe te passen met Zijn veelvuldige werkingen, het heil, door Christus verworven. Het is de stad des Grooten Konings, wier grondslagen zijn op de eeuwige heuvelen, die niet bewogen worden, maar eeuwig vaststaan.

Als de vensteren der ziel open zijn naar dat Jeruzalem, laat daii desnoods het bidvertrek zijn de stal, de schuur of het open veld, als Daniël zullen wij gedrenkt worden uit de bron van Gods kracht in den strijd des levens — lichtstralen uit het 'hemelsch Jeruzalem zullen vallen op het pad door het land der vreemdelingschap en zalige vrede zal gesmaakt worden zelfs in het aangezicht des doods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's