Stichtelijke overdenking.
»Alzoo dan, mijne geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijne tegenwoordigheid alleen, maar veel meer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, want het is God, die in u werkt, beide het willen .en het werken, naar Zijn welbehagen.* Filipp. 2 vers 12 en 13.
WERKT UWS ZELFS ZALIGHEID.
Paulus spreekt van zijn „afwezen." En hij, bedoelt daarmee, dat hij, nu hij in de gevangenis zit, niet bij. zijn geliefde gemeente is. Maar van harte hoopt hij, dat zij niet minder dan toen hij bij hen was, bezig .zullen zijn om hun roeping en verkiezing vast te maken en in oprechtheid voor Gods aangezicht zullen wandelen, Opdat hun zaligheid mag worden bevestigd en vaster gemaakt. «
Dat is het verband. En dat verband moeten we, vooral bij een tekst als deze, goed in het oog houden.
't Gaat Paulus, zooals het vader en moeder die „van huis" zijn wel gaat. O, neen ! ze hebben geen kwade gedachten van hunne kinderen. Maar — zal alles wel goed gaan ? Zal het feit, dat vader, en, moeder wèg zijn niet van invloed zljn. Zal misschien dit of dat gebeuren, dat minder , goed" te noemen is ? Én daarom zet vader dit in den brief en moeder dat, om de kinderen te vermanen toch hun best te doen, opdat alles goed gaat; -opdat alles gaat, net zooals het zou gaan wanneer vader en moeder thuis waren.
Lees den brief aan de gemeente van Filippi maar eens en dan zult ge bemerken, dat Paulus als een vader en moeder saam over z'n kinderen waakt. De gemeente te Filippi is hem als een kind. Wat liggen er innige banden, door den Heere zelf gelegd ! En nu is Paulus zoo vèr van z'n gemeente verwijderd. Hoe zal het nu gaan met de geloovigen te Filippi ?
Toen hij bij hen was, ging het goed. Zij liepen wèl. Daarom kan hij er in ons tekstwoord ook van getuigen, 't Ging door Gods genade goed. Maar hoe zou het nu verder gaan, nu hij in de gevangenis, in banden, zat en nu het gevaar volstrekt niet denkbeeldig was, dat hij hen nooit, nooit weer zou zien ?
Over die-banden treurde Paulus niet. Hij schrijft Gode geen ongerijmde dingen toe. Ja, hij mag zelfs gelooven, dat zijn banden anderen nog tot een eeuwigen zegen geworden zijn. En daar dankt hij z'n God voor; dien God, die alles bestuurt naar Zijn Raad en welbehagen ; die wonderen werkt. Blijmoedig schrijft hij er dan ook over aan „alle de heiligen in 'Christus Jezus .die te'Filippi zijn, met de Opzieners en Diakenen", betuigende : en ik wil dat gij weet, broeders, dat hetgene aan mij (is geschied) meer tot bevordering vaii het Evangelie gekomen is ; alzóó, dat mijne banden in Christus openbaar geworden zijn in het gansche rechthuis en aan alle anderen." (1 : 13).
Paulus zegent de gevangenis ! Hij prijst God in de verdrukking.
Oók hierom : „dat het meerder (deel) der broederen in den Heere door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken." (1 : 14).
Een dubbele vrucht dus van zijne verdrukking : sommigen zijn toegebracht tot het geloof, die eertijds vreemd waren aan de genade; anderen zijn aangemoedigd om meer onbevreesd het Evangelie te verkondigen. En dat alles, doordat de banden van Paulus een prediking voor hen geweest zijn.
Zoo had de .duivel het ten kwade bedoeld, maar de Heere heeft het ten goede gedacht !
En zou Paulus nu in de gevangenis moeten sterven, dan vindt hij het goed. Hij kan er zelfs naar verlangen. Neen, hij zoekt den dood niet. Maar als de keizer misschien straks besluit, dat hij zal worden onthoofd, welnu, hij vreest den dood niet. De keizer denkt misschien, dat hij Paulus dan 'n kwaden dienst bewijst. Maar eigenlijk kan hij hem geen grooter genot aandoen. Want als de banden tot den dood zijn, dan is zijn eeuwige verlossing nabij. Dan gaat het tot Christus ; om het bruiloftskleed dit boven voor hem klaar ligt!
Zóó is het sterven en ontbonden worden, om met Christus te zijn, eigenlijk verre het beste. (.1 : 23).
Maar — dan denkt hij weer aan z'n geliefde gemeente, die te Filippi is. En dan is 't weer : „Maar in het vleesch te blijven, is noodiger om uwentwille" (1:24).
De gemeente heeft nog zoo noodig vermaand, getroost, gewaarschuwd en geleerd te worden." Daarom wil hij dan ook wel blijven ; „tot uwe bevordering en blijdschap des geloofs." (1 : 25).
Hier is 't weer de vader en moeder tegelijk die leeft voor z'n kinderen, die door Gods genade mede door hem zijn toegebracht tot de kennisse der zaligheid in Jezus Christus. En hun roept hij toe : „alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken moge hooren, dat gij staat in éénen geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies" (1 : 27).
Paulus heeft hier dus op 't oog de geloovigen, de geroepen heiligen, die te Filippi zijn. 't Zijn menschen, waaraan wat gebeurd is. Die uit de duisternis zijn overgezet in Gods wonderbaar licht ; die kinderen des Koninkrijks zijn, door de wederbarende kracht van Gods Geest. En tot dezulken, die de beginselen der genade mogen kennen, schrijft hij nu in zijn „afwezen" : „werkt UWS zelfs zaligheid met vreeze en beven."
Paulus weet z'n woorden altijd zoo te kiezen, dat hij spreekt en schrijft naar hetgeen zijn hoorders van noode hebben. En dan spreekt hij op den Areopagus, voor 'n schare van blinde heidenen, die bij zichzelf meenen dat zij heel wat weten, héél anders dan wanneer hij zich richt tot de geloovigen. Natuurlijk ! Want of Paulus met rijken of armen, vrijen of slaven, geleerden of eenvoudigen te doen heeft, hij weet, dat allen tezamen van den Heere zijn afgevallen en dood zijn in zonden en misdaden, blind en ellendig uit en van zichzelf.
Tot dezulken zegt hij dan niet: „want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te gelooven, maar ook voor Hem te lijden." Ook schrijft hij dan niet: „werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven." Want wat 't eerste is, moet ook het eerste blijven ; en het eerste voor den natuurlijken mensch is, dat hij leert arm en ellendig te zijn in zichzelf en uit de diepte van verlorenheid te leeren roepen tot God om genade en geen recht.
Het eerste is ontkleed en niet overkleed te worden.
Onze tekstwoorden worden dan ook zoo dikwijls misbruikt. En dan gaat er geen kracht van uit. Al gaat men iemand aan 't werk zetten en al troost men iemand en al overkleed men iemand, die onbekeerd en dood is in zonden en misdaden, dat kan toch immers niet baten en dat zal toch immers alleen maar kunnen bederven ?
Waarom onderscheidt men de dingen bij elke wetenschap en op elk terrein .des levens en waarom haspelt men bij de geestelijke dingen alles zoo gemakkelijk en zoo graag door elkaar ?
Laat men toch leeren te onderscheiden ! En neen ! „werkt uws zelfs zaligheid" kan, dan ook nooit beteekenen : werkt toch om van uw zondeschuld verlost te worden en werkt toch om uit uw verlorenheid gered te worden, om Gods kind te worden. Zélf zich verlossen in den weg van werken gaat nu eenmaal niet.
En Paulus heeft het ook nooit gepredikt. Integendeel ; hij kon zoo innig medelijden hebben met dat pogen, om zichzelf te rechtvaardigen. En uit het diepst van zijn ziel schreeuwende vol liefde en ontferming, kon hij al dat werken en al die eigengerechtigheid op één hoop werpen, om te zeggen, dat het voor God niet bestaan kan en dat de ziele in diepe verlorenheid genadebrood zal moeten leeren eten, om door Christus' gerechtigheid te worden bekleed in de verzoening der zonden door Zijn bloed. Jood en heiden kon hij tegentreden, om hun alles, alles te ontnemen ; opdat ze zich op genade in de armen des Heeren zouden leeren werpen, om uit Christus' volbrachten arbeid gerechtigheid en verzoening en vrede en zaligheid te ontvangen, in niets anders roemende dan in het kruis. De Jood moest z'n vleeschelijke gerechtigheid en dwaze hoogmoedigheid leeren wegwerpen, en de heiden z'n offeranden en z'n goden. Om dan van genade te leeren leven en het te leeren verstaan, wat het is : dat een goddelooze om niet gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet, door het geloof in Christus.
Maar ziet, als een ziele daar iets van kennen mag, om Christus en Zijne gerechtigheid te zijn Ingeplant door het geloof, dan wijst de Schrift er ook altijd op en Paulus spreekt en schrijft er van : dat de ziele in dat geloof moet groeien en toenemen ; en waar allerlei schadelijke invloeden daarop werken kunnen, moet in dien weg worden gewaakt, gebeden, gewerkt, en wel met vreeze en beven, opdat het werk van Christus voor het oog der ziele niet verduisterd maar verhelderd, niet verzwakt maar versterkt worde ; opdat het genadeleven niet inzinke, maar opbloeie, Gode tot eere en der ziele tot vreugd.
Een ernstige vermaning dus voor allen die God vreezen.
Door biddende geestelijke werkzaamheid moeten zij in gemeenschap met hun God en Vader, die in de hemelen woont, verkeeren en daarbij strijden tegen den duivel, de wereld en hun eigen vleesch. Zij moeten met blijdschap wandelen, vervuld met levende hope, den God en Vader van oiizen Heere Jezus Christus dankende voor Zijne genade en liefde. En aldus zullen zij hunne roeping en verkiezing vast maken.
Paulus zal er spoedig niet meer zijn. Hij zal spoedig afgelost zijn, als zijn loop is vol eindigd, om dan uit de hand zijns hemelschen Vaders het erfdeel der heiligen te ontvangen, tot roem van Christus' volmaakten zoenarbeid.
Maar — de Gemeente blijft achter. Die heeft nog een taak hier ; een strijd des geloofs ; en die Gemeente spoort hij aan, om maar alles schade en schande te achten voor de uitnemendheid der kennisse Gods en maar dicht bij den Heere te verkeeren en de deugden Zijns Naams groot te maken.
Dus zooals de dichter van Ps. 119 zingt : „'k Heb in mijn hart Uw rede weggelegd, opdat ik mij mocht wachten voor de zonden. Gij zijt, o Heer, gezegend ! Leer uw knecht door 't Godlijk Woord — een helder licht bevonden — en door Uw Geest, al de eischen van Uw recht: zoo wordt Uw eer nooit stout door mij geschonden", (vers 6).
Neen ! Gods kinderen kunnen niets tot hun zaligheid toedoen. Maar het goede werk dat God in Zijn kinderen begonnen is, moet worden voltooid. En waar Paulus afwezig is, vermaant hij nu, dat de Gemeente naar de voltooiing en beëindiging van dat verlossingswerk staaai zal. Want dat proces des geestelijken levens, in de afsterving van den ouden mensch en de opstanding van den nieuw.en mensch, geschiedt niet „van zelf". Daar moet door Gods kinderen naar gestaan, om gestreden en om gebeden worden. Goids kinderen mogen niet zorgeloos en lusteloos zijn. Dat is een uitblusschen van den Geest.
Ook mogen ze niet bezig zijn om een ander fundament te leggen.
Hier liggen velerlei gevaren, maar die er waarlijk naar staan mogen, om het werk der zaligheid voltooid te zien, die mogen ook vertroost worden, .met deze belofte : want het is God die werkt beide het willen en het werken.
't Gaat om het „willen" ; om het innerlijk leven des harten en het oprecht 'begeeren der ziele, om gerekend te mogen worden in Christus Gode tot gerechtigheid.
't Gaat om dat werk des Geestes, uitkomend in een veranderde zielegesteldheid, met een hongeren en dorsten naar God en Christus.
En die door genade zóó gesteld mag wezen, wil de Heere ook lust geven om vóór Gods aangezicht te wandelen en Zijne deugden te roemen en te doen Zijne geboden.
Dat is het „werken."
En beide dat „willen" en dat „werken" komt de Heere werken in Zijne kinderen.
In Zijne kinderen. Want het gaat niet buiten het hart om. De geloovigen zijn geen „stok en blok".
En zóó komt het ook, dat de vermaning van den Apostel luidt : staat er naar, dat gij dat kennen en doen moogt, want de Heere wil het u alles geven naar Zijn welbehagen.
God doet alles en de geloovige heeft een roeping. Zóó liggen de dingen kunstig door den .Geest saamgeweven en die het leest die merke er op !
Hier liggen groote gevaren. D i t gevaar: dat we zeggen de mensch moet het doen. En dat is onze dood en ondergang !
Maar er is ook d i t gevaar : dat ee zeggen, de Heere moet het doen, waarbij dan de mensch aan" zichzelf wordt overgelaten, als ware hij een steen, een stok of een blok.
Hier heeft Gods kind te zoeken naar een oplossing, om bij licht des Geestes in rechte paden te wandelen.
En hier moet groote nauwkeurigheid wor den betracht.
Een christen, die er iets van verstaat wat het is, om den goeden strijd des geloofs te strijden, mag er maar niet wat van maken. Daarom gebruikt Paulus ook in ons tekstwoord die uitdrukking „met vreeze en beven."
Dat beteekent niet, dat de geloovigen „bang" moeten zijn voor God ; dat ze met angst en schrik vervuld moeten zijn voor den Heere. Want ze mogen spreken van hun God en Vader, die in de hemelen is en ze mogen staan in een verzoenden staat met God door Jezus Christus hunnen Heere. Maar 't wil zeggen, dat de geloovigen niet onachtzaam mogen zijn in 'den weg des nieuwen levens en niet mogen verwaarloozen wat de Heere zelf hun geven wil. Ze moeten ernstig er naar staan om den Heere welbehagelijk te wezen en hun zaligheid moeten ze voltooien met blijde hope.
Dit is de heerlijke zaak, waar het om gaat dat de Heere alles voor Zijn kinderen wil goed maken, dat ze vast gefundeerd zijn in het stuk der zaligheid ; dat ze staan mogen in het geloof ; dat ze vervuld mogen zijn met blijde hope.
Maar aangezien het hier op aarde voor de geloovigen altijd weer gaat om een strijd waarbij de vijanden duivel, wereld en eigen vleesch verderfenis werken, zoo mag Sion vernemen, dat de Heere voor de Zijnen zorgt dat ze niet uitvallen. Maar opdat de ziele genieting zal hebben van vrede en zaligheid hier beneden en de Heere door Zijn volk zal geprezen worden, hebben de geloovigen te staan naar een oprechten wandel voor God, opdat ze gelooven en niet wankelen.
En zal het dan hier altijd maar ten deele zijn, straks komt de tijd, dat de volmaaktheid daar zal zijn. De volmaaktheid van Christus' zoenarbeid in volle heerlijkheid en dan de volmaaktheid van Sions gerechtigheid.
Dan is er niet anders dan een begeéren naar God en een leven uit en voor Hém. Dan zijn de vijanden, 'die de zaligheid van Sion tegen staan, uitgeworpen. Zalig dan, die volharden mag tot het einde in den weg des geloofs. Als Christus het leven is, zal het sterven gewin zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's