De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

26 minuten leestijd

Uit de Synode, III.

Men is hier en daar niet tevreê over de wijze van beroepen van predikanten en het  benoemen van kerkeraadsleden. Ook zijn er, die nog al wat op de kiescolleges tegen hebben. Zoo komt het, dat telkens voorstellen worden'gedaan om tot andere en betere wijze van benoeming en beroeping te komen. Een van de lievelingsdenkbeelden is dan : de benoeming der kerkeraadsleden te doen geschieden door de stemgerechtigde gemeenteleden en de predikanten dan te doen beroepen door den kerkeraad. Men oordeelt, dat zoo de kerkeraad het meest zal afspiegelen het beeld van de gemeente , en dat het beroepingswerk het veiligst is als de kerkeraad dat behartigt en uitvoert. 

De Classicale Vergadering van Hoorn had in dezen geest een voorstel gedaan, verzoekende het Reglement op de benoeming alzoo te wijzigen. Ds. T a m m e n s bracht rapport uit en het bleek, dat de Commissie niet eenstemmig was om advies te geven. De meerderheid stelde voor het verzoek af te wijzen, mede omreden dat 't Reglement pas geheel gewijzigd is. De minderheid der rapporteerende commissie was echter vóór inwilliging van het verzoek.

Bij de discussie bleek, dat prof. Aalders en ds. Van Paassen zich schaarden aan de zijde van de minderheid en zij redeneerden ongeveer aldus : dat de kiescolleges moeten verdwijnen en de beroeping der predikanten moet worden opgedragen aan de kerkeraden, die het nauwst met de predikanten in aanraking komen. Zij zouden wenschen, dat er een commissie werd benoemd, die in 1922 in deze zaak van advies kan dienen.

De secretaris meende, dat op het oogenblik zware problemen om oplossing vragen en daarom wil hij nu op het voorstel der minderheid niet ingaan, al gevoelt hij er veel voor.

Ds. Tammens sprak namens de meérderheld en wees er op, hoeveel jaren het heeft geduurd vóór het tegenwoordig reglement tot stand is gekomen en dat men in 1919 ook geen oplossing voor deze kwestie vond.

Ook de President wilde niet direct het reglement op de benoemingen zoozeer wijzigen.

Daar een lid afwezig was, staakten de stemmen over de conclusie der minderheid, maar toen er Maandag d.a.v. weer gestemd werd, is de conclusie van de minderheid, om op het voorstel in te gaan, verworpen. De heer Sneep, ouderling van Numansdorp, gaf den doorslag.

Op de Classicale Vergaderingen is hier en daar nog al breed gesproken over het voorstel van den kerkeraad van Tiel, om het „persoonskaartenstelsel" in te voeren in de Kerk, daarbij aan de Regeering verzoekend om de gemeentebesturen te verplichten tot het afgeven van de daarvoor noodige gegevens. De Synode heeft dit voorstel verworpen.

Een onderzoek is ingesteld naar het godsdienstonderwijs. De leiding van deze enquête was bij dr. Pe Vrijer. Nu het rapport is ingekomen, hoewel alleen maar geteekend door dr. De Vrijer en niet door de commissie, wordt voorgesteld dit in handen te geven van de Synodale Commissie, opdat het dan in 1922 definitief zal worden behandeld. Aldus besloten.

Mr. Phaff rapporteert over een verzoek van de Classicale Vergadering van Amsterdam om eventueel maatregelen te nemen, dat aan B. de Ligt en Kruyt de bevoegdheid tot de bediening des Woords worde ontnomen. Dat rapport wordt ter inzage gelegd en zal later worden behandeld.

Uitvoerig is het rapport der commissie tot bespreking van de regeling der geestelijke verzorging van militairen. Uit dit rapport blijkt, dat de Minister de uitkeering voor dien arbeid in eene som ter hand wil stellen aan de vertegenwoordigers der kecken, ter distributie onder de daarvoor in aanmerking komende kerkeraden. De Algemeene Synodale Commissie heeft nu drie leden, t.w. de h.h. L. W. Bakhuizen van den grink, mr. H. J. M. Tyssens en F. P. Couvret aangewezen, teneinde voordrachten en uitbetalingen te doen in naam van die comm.

De exploitatie-rekening van het Weekblad der Ned. Hervormde Kerk wijst een saldo van ƒ220.30 aan, welk bedrag evenwel niet aan de Algemeene Weduwen-en Weezenbeurs kon worden afgedragen, maar tijdelijk in kas moest worden gehouden. In de 12de zitting komt o.a. ter tafel het Overzicht van den staat der Ned. Herv. Kerk Te Sittard werd eene tweede-predikantsplaats gevestigd, volgens bericht van het classicaal Bestuur van Maastricht. Er zijn eenige gemeenten met elkander gecombineerd. In het afgeloopen jaar zijn geen nieuwe rijkstractementen verleend.

In de 13de zittinig komt in behandeling het rapport over een verzoek van de Classicale Vergadering van Amsterdam om maatregelen te nemen, dat aan de vroegere predikanten B. de Ligt en J. W. Kruyt, indien zij destijds de bevoegdheid van emeriti hebben verkregen, die bevoegdheid te ontnemen. Aangezien de vroegere predikant B. de Ligt die bevoegdheid niet heeft, , stelt de commissie (rapporteur mr. Phaff) voor, het verzoek van Amsterdam voor zoover den heer Kruyt betreft, door te zenden naar het Provinciaal Kerkbestuur van Utrecht. Deze conclusie wordt aangenomen met 13 tegen 6 stemmen.

De heer A. de Haan leest het rapport over de consideratiën betreffende de voorloopig aangenomen wijziging van hoofdstuk III van het Algemeen Reglement, benevens van de artt. 5 en 15 en van een aantal artikelen in het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, enz. Deze wijziging heeft betrekking op de z.g. „Groote Synode" en op de uit de wijziging van art. 56, al. 1 voortvloeiende veranderingen.

Het rapport wordt ten inzage gelegd.

Dr. Aalders rapporteert over een voorstel van de Classicale Vergadering van Emmen, strekkende om in het Reglement op het hulppredikerschap art. 2 in te voegen : „Bovendien kan de bevoegdheid tot het hulppredikerschap verleend worden aan godsdienstonderwijzers in nieuw gestichte gemeenten, waar zij voorgangers waren tijdens zulk eene gemeente zelfstandig werd, zoo zij de akte tot het geven van godsdienst onderwijs in de Ned. Hervormde Kerk bezitten en ten minste 15 jaren diensttijd volbracht hebben."

De meerderheid der commissie verklaarde zich tegen dit voorstel. Zij acht het optreden van niet universitair opgeleide predikanten niet gewenscht. Zij is ook van oordeel, dat sectarische en gereformeerde tendenties er niet door worden voorkomen. Hier zou een generale maatregel worden genomen die alleen door lokale behoeften is gemotiveerd en een eerste stap worden gedaan in geheel verkeerde richting. De minderheid daarentegen is van oordeel, dat het hier in de eerste plaats geldt het belang van gemeenten. en niet van personen. Het voorstel is uit de practijk geboren en wil deze dienen, door de ontwikkeling van gemeenten tot zelfstandigheid te bevorderen. Het is dan. ook een gelegenheids-en overgangsmaatregel. Bovendien zal aan deze hulppredikers beperkte bevoegdheid moeten worden gegeven. Zoo zal hun het recht tot het bedienen van Doop en Avondmaal en van de bevestiging van predikanten moeten worden onthouden. De minderheid zou bovendien den termijn van 15 jaren willen terugbrengen tot 5. De minderheid stelt derhalve voor in beginsel aan het verzoek van Emmen te voldoen en zij heeft verschillende wijzigingen geformuleerd, welke daartoe  in het Reglement op het hulppredikerschap noodig zullen zijn.

De vice-president, de heer A. de Haan, acht het van groote beteekenis dat de Classicale Vergadering van Emmen eenstemmig is geweest bij het indienen van dit voorstel. Dit wordt echter door den heer Scholte, den afgevaardigde uit Drenthe, betwij|eld, omdat het voorstel eerst aan het einde van de Classicale Vergadering ter tafel kwam.

De heer Tammens ontkent, dat het hier minder het belang van de personen dan van de gemeente zou gelden. Hij verdedigt het gevoelen van de meerderheid der rapporteerende commissie en sluit zich aan bij den president, als deze verklaart, dat wij nu twee soorten van hulppredikers zouden krijgen. Wij weten waar wij beginnen, zoo zegt hij, doch waar zullen wij eindigen ?

Daarentegen verdedigen de h.h. Van Paas sen en Prins het gevoelen van de minderheid, terwijl weder andere leden, zooals de h.h. Flieringa en dr. Deeleman, tegen het voorstel zijn, eerstgenoemde vooral hierom, wijl het middel erger zal zijn dan de kwaal en zulk een hulpprediker op den duur al te vast aan de gemeente zal blijven verbonden.

De president, hoewel niet bepaald tegen het gevoelen der minderheid, vindt hier toch vele bezwaren en meent dat in elk geval in de wetswijzigingen welke de commissie voorstelt, veranderingen zullen moeten worden aangebracht.

Nadat de hoogleeraren, prae-adviseurs-en de secretaris vóór hebben geadviseerd, wordt het gevoelen der minderheid met 10 tegen 9 stemmen aanvaard.

Voorts wordt besloten den in het voorstel genoemden tijdsduur niet op 15, evenmin op 5, maar op 10 jaren te stellen. Ook andere wijzigingen worden aangebracht alvorens het geheel van de invoegingen in het Reglement op het hulppredikerschap aan de eind-redactie wordt toevertrouwd.

In de 14de zitting is iets bizonders gebeurd. Daar is bezoek geweest. En wel de heer L. E. Brandt, voorzitter van de Algemeene Kerkvergadering der Ned. Herv. Kerk in Zuid-Afrika, die den groet dier Kerk kwam overbrengen. In 1907 is dat ook nog eens gebeurd, zooals de president dan ook in z'n welkomstwoord opmerkte. Ds Brandt deed eenige mededeelingen over de Algemeene Kerkvergadering, welke een vertegenwoordigend lichaam is, dat eens in de 3 jaren bijeen komt, terwijl eene commissie de lóopende zaken afdoet. Zijne kerk is in de laatste jaren zeer vooruit gegaan. Zij telt 35000 zielen, terwijl het aantal lidmaten 16669 en het aantal gedoopten (in 1920) 1189 is. In het vorig jaar legden 889 personen hunne geloofsbelijdenis. af, en werden 432 huwelijken ingezegend. Het aantal predikanten bedraagt 13 en dat der gemeenten 35, terwijl nog vier gemeenten op verderen afstand in West-en Oost-Afrika, tot de Hervormde Kerk behooren.

Hare predikanten kunnen in het vervolg worden opgeleid te Pretoria, alwaar aan de Universiteit eene theologische faculteit is verbonden.

Zeer gevoelt men daar ginds nog steeds behoefte den band mét de Kerk in, Nederland vast te houden. Men staat er voor groote moeilijkheden, want de districtsgemeenten zijn zeer uitgestrekt en in de groote centra eischt de arbeid de volle toewijding, en geheel de kracht van den man, die tot het werk is geroepen.

De president verheugt zich na deze mededeelingen over den bloei van de Hervormde Kerk in Afrika. Hij merkt op, dat in 1907 het aantal gemeenten 22 en dat der predikanten 9 bedroeg.

De afgevaardigde geeft daarna nog eenige inlichtingen over de verhouding van zijn kerk tot de z.g. Vereenigde Gereformeerde Kerk. Die verhouding blijkt zeer goed te zijn, door onderlinge waardeering, ofschoon samensmelting der beide Kerken niet te verwachten is. Er worden Predikantenvergaderingen gehouden, waar predikanten van verschillende Kerken aanwezig zijn. Over en weer stelt men elkander de kerken ter beschikking. Hij had ook de opdracht om te vragen, of er misschien predikanten zijn in Nederland, die naar Zuid-Afrika willen gaan, omdat men daar te weinig predikanten heeft. Er komen wel predikanten over van de Vereenigde Kerken naar de Nederduitsch Hervormde Kerk, niet omgekeerd. De Gereformeerde Kerk zingt alleen Psalmen, maar een Gezangen-kwpstie is er niet. Men heeft den bundel van Psalmen en Gezangen, behalve den Vervolgbundel. Het zou ook moeilijk zijn den Vervolgbundel er in te voeren.

Ds. Brandt spreekt den wensch uit, dat er nog een Hollandsch predikant bereid mocht zijn om naar Zuid-Afrika over te komen. Het bestuur van het Opvoedingsgesticht „'Valkenheide" heeft medegedeeld, dat in de plaats van-Jhr. mr. W. A. Beelaerts van Blokland, tot secretaris dier stichting is benoemd mr. W. F. E. Spiering te Breukelen Dr. Deeleman rapporteert over een voorstel van de Classicale Vergadering van Dokkum tot wijziging van art. 40, Reglement Godsdienstonderwijs, zoodat aldaar worde gelezen : „Elders woonachtigen, onverschillig van welke kerkelijke origine, worden tot de aanneming en bevestiging als lidmaten niet toegelaten, dan na te hebben overgelegd een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door of vanwege den kerkeraad hunner woonplaats." Het betreft hier dus de invoeging van de woorden „onverschillig van welke kerkelijke origine." De commissie van rapport acht deze invoeging echter ongewenscht, o.a. omdat het niet aangaat de bepalingen van art. 40 ook toepasselijk te maken , op personen uit een andere Kerk afkomstig, eenvoudig door het inlasschen van die woorden.

De heer Flieringa zegt, dat het voorstel ingediend is door de onverkwikkelijke geschiedenis tusschen Ferwerd en Hoogebentum. Hij vindt de uitdrukking : „onverschillig van welke origine" niet fraai, maar zou toch wel eenige verduidelijktng wenschen.

Of is art. 38 alinea 3 hier ook van toepassing? De conclusie van het rapport wordt aangenomen.

De heer Franke rapporteert over een voorstel van den kerkeraad te Wester-Blokker tot wijziging van art. 38 van het Algemeen Reglement, dat bedoelt het mogelijk te maken dat gecombineerde gemeenten ieder een ouderling naat dé Classicale Vergadering kunnen afvaardigen. De meerderheid van de rapporteerende commissie is tegen deze wetswijziging. De minderheid acht, dat ze aanbeveling verdient. Eene gemeente, die geen ouderling naar de Classicale Vergadering kan afvaardigen, mist een zeker recht. Een deel van de meerderheid is er vooral tegen omdat zij' het combineeren van gemeenten niet al te veel in de hand werken wil. De conclusde van de meerderheid wordt, naar 3 adviezen, met 12 tegen 7 stemmen aangenomen.

De Ring Terschelling-Vlieland, die thans behoort bij de Classis Alkmaar, heeft verzocht dezen Ring bij de Classis Franeker te voegen, omdat er geen direct verband bestaat tusschen de eilanden en Noord-Holland. De Ring wijst er op, dat de Staat de. eilanden, voor wat openbare instellingen betreft, bij Noord-Holland gevoegd heeti Op het oogenblik is de toestand onnoodig moeilijk. Het Classicaal Bestuur van Alkmaar en het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland adviseeren het verzoek toe te staan. De Ring Harlingen, het Classicaal Bestuur van Franeker en het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland zijn er tegen. De rapporteerende commissie stelt voor den Ring Terschelling-Vlieland b ij d e C 1 a s-sis Franeker te voegen. De conclusie van de rapporteerende commissie wordt aangenomen in overeenstemming met 3 adviezen met 18 tegen 1 stem. In de 15de ziitting kwam aan de orde het rapport over de consideraties met betrekking tot „de groote Synode." De conclusies, waartoe de commissie komt, zijn 1°. De meerderheid meende, op grond van de gegeven adviezen, u te moeten adviseeren de wijzigingen, zooals zij voorloopig aangenomen werden, niet vast te stellen. Mocht uwe vergadering de conclusie der meerderheid verwerpen, dan moet geacht worden de wijziging van hoofdstuk III enz. in haar geheel vastgesteld te zijn. Neemt uwe vergadering de conclusie der meerderheid aan, dan komt de minderheid der commissie met een conclusie in den vorm van een voorstel tot wijziging van art. 56 Algemeen Reglement aldus :

„De Synode is samengesteld uit 23 leden bij de eerste verkiezing uit 12 predikanten en 11 ouderlingen, bij de volgende uit 11 predikanten en 12 ouderlingen, enz., door de daarvoor in aanmerking komende Classicale Vergaderingen en de Waalsche Reunie voor den tijd van twee jaren uit haar ressort te kiezen ; met dien verstande : 1°. dat naar de in art. 34 voorkomende volgorde, de eerste afvaardiging in 1923 geschiede door de Classicale Vergaderingen, die een oneven cijfer hebben, alzoo 1 (Arnhem) een predikant; 3 (Zutphen) een ouderling ; 5 (Bommel) een predikant, enz. ; de afvaardiging in 1925 door de even cijfers, n.l. 2 (Nijmegen) een predikant; 4 (Tiel) een ouderling 6 (Harderwijk) een predikant, enz. ; de afvaardiging in 1927 door de oneven cijferi, n.l. 1 (Arnhem) een ouderling ; 3 (Zutphen) een predikant; 5 (Den Bommel) een ouderling, enz. ;

2°. dat de Waalsche Reunie steeds een lid afvaardigt, in 1923 een predikant, in 1925 een ouderling, enz. Behalve de gewone leden enz. blijft onveranderd.

De eerste conclusie der rapporteerende commissie werd naar het advies van de beide hoogleeraren en den Secretaris aangenomen met 13 tegen 6 stemmen (tegen  h.h. De Haan, Van der Grient, Sneep, Bongers. Tromp en Weener). Deze conclusie luidt: de wijzigingen zooals zij voorloopig werden aangenomen niet vast te stellen.

Daarna werd de conclusie van de minderheid (het instellen van eene Synode van 23 leden gekozen door de Classicale Vergaderingen) ve r w o rp e n met 12 tegen.7 stem men (vóór de h.h. De Haan, Van der Grient, Sneep, Van Paassen, Bom, Tromp en Weener).

De President stelde daarna eene stemming aan de orde over h e t b e g i n s e 1 dat aan de wijziging van art. 56 Algem Reglement ten grondslag ligt, opdat de leden zich hier vóór of tegen kunnen verklaren.

Naar het praeadvies van de beide hoogleeraren stemden 10 leden vóór dit beginsel en 9 leden tegen (vóór de h.h. dr. Van Nes, dr. Aalders, A. de Haan, Van der Grient. Sneep, Van Paassen, Bom, Bongers, . Flieringa, Tromp, Weener en dr. Weyland ; tegen de h.h. mr. Phaff, Scholte, Frank, Genouy, Prins, Stoel, Tammens, Franke en dr. Deeleman).

Daarna werd besloten eene comrnissie tebenoemen die het beginsel, uitgedrukt in het in 1920 voorloopig aangeno men en aan de consideratiën der Kerk onderworpen art. 56 Algemeen Reglement zal bestudeeren, en eene uitwerking zal geven, in reglementswijziging belichaamd, waar door de toepassing van dat beginsel mogelijk zal zijn. Deze commissie zal zich twee leden buiten de Synode moeten assumeeren en vóór 15 Juni 1922 haar rapport bij de Synode moeten indienen. Benoemd werden de h.h. dr. W. J. Aalders, C. J. van Paassen en dr. G. J. Weyland.

Dit is dus het pover resultaat van alles wat over de Groote Synode is geschreven ken daarvoor is gedaan, met de traditioneele stemmenverhouding van 10 tegen 9. 't Welk, naar dezelfde tfaditie, 't volgend jaar dan 9 tegen 10 worden moet.

O ! dat Danaïden-vat

De verhouding van Kerk en Staat.

Het vraagstuk van Kerk en Staat is en blijft allerbelangrijkst. Wat beginselen zijn in deze zoo al aan de orde ?

We noemen in (Ie eerste plaats de opvatting van het Byzantijnsche of caesaropapistische stelsel, dat op voetspoor van Constantijn den Groote de Kerk aan den Staat onderwerpt, haar tot orgaan van den Staat maakt en den landvorst zeggenschap in kerkelijke aangelegenheden toekent.

Op dat standpunt stond Luther ook. Hij wilde van een scherpe onderscheiding tusschen kerkelijke en burgerlijke gemeente niet weten en hij dacht zich de kerkelijkburgerlijke gemeente als een eenheid, aan wier hoofd de Overheid staat. Haar komt de hoogste autoriteit in de kerkelijke zaken toe en het „cuius-: regio, illius religio", d.i. „hij, die regeert, beslist over den godsdienst des lands", werd voor hem de geldende regel. De Luthersche vorst moet er voor zorgen dat het volk Luthersch is en blijft ; de Calvinistische vorst moet er voor zorgen dat het volk Calvinistisch is en blijft, enz.

Van deze opvatting moeten wij niets hebben. De Kerk moet niet aan den Staat onderworpen zijn.

Ten tweede noemen wij de Roomsche opvatting, die den Staat geheel aan de Kerk onderwerpt en de pauselijke macht als een tweevoudige beschouwt, waarin het geestelijk en wereldrijk regiment begrepen zijn. Aan Jezus Christus is immers alle macht in hemel en op aarde gegeven en daarom bezit ook Zijn stedehouder op aarde (de Paus) deze dubbele bevoegdheid, aan wien de Overheid dan ook haar glans ontleent, evenals de maan haar licht ontvangt van de zon. , ; Door Mij regeeren de vorsten" — werd ook op den Paus (op de Kerk) toegepast.

Dat dit het Staatsieven verknoeit en vermoordt, springt in het oog. De opperheerschappij van de Kerk (van den Paus) gaat dan over alles en alles wordt aan de Kerk dienstbaar gemaakt.

Ook deze opvatting verwerpen we. We willen noch dat de Kerk aan den Staat onderworpen wordt (Constantijn de Groote, Luther) noch dat de Staat aan de Kerk onderworpen wordt (Rome). Staat en Kerk hebben van den Heere elk een eigen terrein ontvangen.

Wat de Dooperschen in deze geleerd hebben, moeten we óók niet hebben. Die leerden tegenover beide bovengenoemde stelsels in den tijd der groote Reformatie een absolute scheiding tusschen K e r k  e n  S t a a t. Zij wilden allen band en alle relatie tusschen deze beide terreinen doorsnijden en beschouwden, op hun dualistisch standpunt, de Overheid als een profaan (wereldsch, onheilig) gebied, waarop geen christen zich bewegen mocht. „Wat samenstemming heeft Christus met Belial ? "

Hiermee zijn we het absoluut niet eens ; en men moet dan ook ons telkens niet in de schoenen schuiven, dat we in deze in de Doopersche lijn gaan.

Men weet beter ! Men kan en men moet althans beter weten.

Dat een christen den Staat, het terrein van de Overheid, als een wereldsch, onheilig terrein moet beschouwen en dat geen christen zich daarmee inlaten mag — is immers heelemaal onze gedachte niet.

De Overheid heeft wel degelijk een goddelijke roeping en een christen heeft zich wel degelijk met Staatsaangelegenheden in te laten.

De Overheid heeft wel degelijk op te komen voor de eere Gods en te vragen naar de beginseleji, ons in Gods Woord geopenbaard. Van „de Doopersche mijdinghe" moeten we dus niets hebben.

Als wij dan niet met het Luthersche stelsel, dat de caesar of vorst alles te zeggen heeft over de Kerk ; ook niet met het Roomsche stelsel, dat de Paus of de Kerk alles te zeggen heeft over den Staat; ook niet met de Doopersche leering, dat het Staatsterrein moet beschouwd worden als profaan gebied, waarop geen christen zich bewegen mag — meegaan, dan hebben we nu te zeggen, wat dan w è 1 ons standpunt in deze is.

En dan willen we, dat Staat en Kerk ieder een eigen terrein zal innemen. Beide zijn van goddelijken oorsprong.

En daarom mag ook van scheiding tusschen Staat en God, tusschen Overheid en Godsdienst geen sprake zijn.

De Heere heeft als Schepper van hemel en aarde de Overheid verordineerd na den zondeval om met.dwingend gezag op te treden, om de goeden te beschermen en de kwaden te straffen en zorg te dragen, dat de dingen des lands rechtvaardiglijk worden geleid, tot eere Gods en tot welzijn van de menschen.

Een godsdienstloozen Staat begeeren we niet ; dat gaat lijnrecht tegen onze beginselen in. Dat willen de Communisten, Anarchisten, Bolsjewiki, Socialisten — de mannen van „geen God en geen meester" ; van „vrijheid, gelijkheid en broederschap." Gelijk de liberalistische gedachte altijd geweest is : zich op Staatkundig terrein niet bemoeien met God en godsdienst; wat in de practijk altijd weer neerkwam op : tegen God en tegen Zijn Woord ageeren I Wij willen dat niet!

Ook de Overheid moet gedragen worden door de begeerte: God te dienen en den menschen tot zegen te zijn. De Staat moet rusten op godsdienstigen grondslag.

Maar — en dat willen we met nadruk nu tegelijk zeggen — de Overheid heeft geen „Apostolische zending." Het karakter van de Overheid is héél anders, dan van de Kerk.  Het ambt van den Vorst, van den Rechter enz., is héél anders dan van den dienaar des Woords, den ouderling enz. Overheid en Kerk zijn beide van God verordineerd.

Maar tot verschillend terrein beperkt ; tot verschillende taak geroepen ; een onderscheiden doel voor oogen hebbend.

Daarom zijn we tegen scheiding van Staat en godsdienst. Daarom zijn we vóór scheiding van Staat en Kerk.

Staat en godsdienst niet gescheiden ; want wat God vereenigd heeft schelde de mensch niet. "*

Staat en Kerk gescheiden ; want wat God gescheiden heeft vereenige de mensch niet.

Vroeger was dit vraagstuk eenvoudiger dan nu.

Constantijn de Groote maakte het Christendom, dat in de eerste eeuwen onzer jaartelling door de Romeinsche keizers als eene ongeoorloofde en Staatsgevaarlijke religie was verboden, tot Staatsgodsdienst. De Christelijke Kerk werd Staatskerk. De keizer werd Opper-Bisschop. Alle betrekkingen werden ingenomen door leden van de Christelijke Kerk. De Christelijke Kerk werd door den Staat gesteund. Het liep alles zoo makkelijk als 't kon Maar men voelt de fout van deze regeling en men kent de schrikkelijke ellende die er uit is voortgekomen I

't Is een vloek en een oordeel als zóó een Christelijke Overheid over de Kerk komt heerschen en haar mee komt bederven. Wij begeeren een andere verhouding van Staat en Kerk.

Die er ook gekomen is in latere eeuwen. De Kerk viel al spoedig in tweeën, mede als een gevolg van de scheuring van het Romeinsche Rijk in een Westersch en Oostersch Keizerrijk.

De Overheid zag zich geplaatst tegenover twee Kerken.

En in de eeuwen die volgden is de Kerk hoe langer hoe méér verdeeld geraakt; en er is geen land waar er maar één Kerk is. Overal staat de Overheid tegenover twee, tegenover veel méér Kerken.

Daarbij heeft men willen vasthouden aan de stelling : de Staat mag en moet slechts één Kerk erkennen ; en de andere Kerken mag de Overheid alleen dulden; liefst nog verbieden.

De Overheid moet zich dan met de interne aangelegenheden van het kerkelijk leven gaan bemoeien. Ze moet de ééne Kerk veroordeelen als zijnde niet de ware Kerk; ze moet de andere Kerk daarentegen bevoordeelen, want, zoo zegt men, de Overheid moet opkomen voor de ware religie, voor de eere Gods, enz. enz.

Hier begaat men een grove fout in de redeneering en men haalt hier waarheid en leugen door elkaar.

Zeker ! de Overheid moet opkomen voof de eere Gods en de Overheid mag niet onverschillig zijn tegenover de religie.

Maar de Overheid heeft geen Apostolische zending! De Overheid is niet geroepen om met het zwaard dwingend op te treden op het terrein van de Kerk ; door hier „de waarheid" te beschermen en daar „de leugenleer" uit te bannen, enz. enz. Doet zij dat toch, dan gaat de Overheid haar boekje te buiten en de grootste verwarring is de vrucht,

Ds. Otto Schrieke zegt daarvan in zijn brochure „Scheiding van Kerk en Staat, een politieke eisch" (Groningen, J. B. Woltèrs, 1899) : „Onder de kinderen der Reformatie heeft de Scheiding van Kerk en Staat ook niet aanstonds gezegevierd. Wel werd, na dat de bitterheid van den krijg, die herhaaldelijk tot het toepassen van weerwraak aanleiding gaf, ophield, weldra meerdere en straks schier volkomen godsdienstvrijheid toegestaan, maar er bleef toch meestal een innige band tusschen Staat en Kerk. In de Duitsche landen volgde de Kerk meest den Vorst, al had de vrede van Munster dezen dwang rechtens opgeheven. Was de Vorst Roomsch, Luthersch of Hervormd, dan was de Kerk het. ook en moesten menigmaal andersdenkenden zijne Staten verlaten. Gelukkig waren die vaak niet zoo heel groot, zoodat de uitgewekenen dra binnen de landpalen van een ander vorst een toevluchtsoord bij gelijkgezinden konden vinden.

Bij de Hervormden leerde men, dat de Overheid geroepen is den waren godsdienst te handhaven. Vandaar de .erkenning van een Staatskerk, zooals in onze Vereenigde Nederlanden, zij 't niet bij officieel wettig genomen besluit, dan toch feitelijk in de practijk. Die Staatskerk was eene begunstigde Kerk. Van haar moest men lid zijn om in het gestoelte der eere te zetelen. De ware godsdienst moest door de Overheid gehandhaafd worden. Calvijn had al geleerd, dat het de dure plicht is der Overheid, alle zonden ook aan den lijve te straffen, gelijk zulks in de wetten van Mozes voorgeschreven wordt. Hij zegt ook, dat gelijk Christus met een geesel de verkoopers van offerdieren uit den voorhof des tempels heeft gedreven, zoo ook de godvreezende Overheid de bevoegdheid heeft met 't zwaard de apostaten (afvalligen) te dwingen, die den geheelen tempel verontreinigen. Hij noemt 't „blasphemie of godslastering" te zeggen, dat men zonder recht de ketters en lasteraars bestraft.

Zóó de meester, zóó de leerlingen. Bogerman, de bekende voorzitter der Dordtsche Synode en Geldrop hebben in 1601 een vertaling uitgegeven van het geschrift van Theodorus de Beza over h e t s t raffen va n d e ketters. In de Voorrede van dit geschrift, gericht tot de regeering der stad Sneek, verklaren zij, dat men, om vrede tusschen de ingezetenen te bewaren, de ketters niet mocht verschoonen, want dat dit niet anders is dan vrede 'houden met den Satan. Volgens hem was het beter nering en hanteering er aan te geven en een woeste en onbevolkte stad te hebben, dan een neringrijke stad vol ketters." (blz. 2).

Tot zoover het citaat uit de brochure van ds. Schrieke, betrekking hebbend op de dagen van de Dordtsche Synode. Vermenging dus van Staat en Kerk werd begeerd. Maar de Overheid heeft het recht niet om uit te maken, wat leugenleer is ot niet. De Overheid heeft op haar terrein te waken voor Gods eere, door b.v. een moordenaar te straffen naar Gods Woord ; door de heiligheid van den eed te bevorderen, enz. leder op eigen terrein !

Gelijk ook de Kerk b.v. niet 't recht heeft om te 'komen op het terrein buiten de Kerk gelegen en zich met Staatszaken in te laten.

De Kerk moet zóó krachtig en zóó waakzaam zijn, dat zij op kerkelijk terrein niet de hulp van het dwingend gezag van de Overheid moet behooren in te roepen, om de leugenleer te veroordeelen en uit te bannen.

Dat 'heeft ze b.v. gedaan op de Dordtsche Synode. Daar werden de Remonstrantsche leeringen veroordeeld. Gelukkig

Maar het is toch jammer dat, toen 24 April 1619 in de 137ste zitting het oordeel der Synode over de Remonstranten werd voorgelezen, niet alleen werd gezegd, dat zij werden afgezet 'van hunne bediening, waardoor 200 Remonstrantsche predikanten werden ontslagen — dat is het recht der Kerk ! — maar dat toen ook last gegeven is, om zich te schikken tot een stil en a m b t e-loos leven ; in welk geval de Algemeene Staten voor hun onderhoud zouden zorgen, hetzij ze in 't land bleven, hetzij ze naar het buitenland gingen.

Dat laatste is niet recht geweest. Als de Kerk afgezet en uitgebannen heeft, 'is het proces afgeloopen

Dan moet de Staat er niet tusschen komen niet betalen of niet betalen van tractement. En men moet niet gedwongen worden — onder Staatscontrole en Staatsdwang — tot een „ambteloos" leven.

Waarom zou men geen vrijheid van de Overheid krijgen om zich afzonderlijk als godsdienstige gezindheid te constitueeren, als men uit een of andere Kerkgemeenschap is uitgebannen ?

Ziet men wel, hoe gevaarlijk het is den Staat te betrekken op het terrein van de Kerk ?

Want hetzij dat de Staat de Kerk dwarsboomt door b.v. te verhinderen dat men in gemeene Synode samenkomt (zooals vóór de Dordtsche Synode) hetzij de Overheid zich mengt in de uitwerking van kerkelijke besluiten en vonnissen, 't is in beide gevallen glad verkeerd, want 't brengt de Overheld op een gebied waar ze heelemaal niet thuis hoort en het leidt — het m o e t leiden — tot geweld en onderdrukking in zake de religie ; tot bevoorrechting of tot benadeeling op kerkelijk gebied.

(Wordt vervolgd).

Vacaturen in de Ned. Hervormde Kerk. Was dat getal op 1 Januari dezes jaars 235, thans, op 1 Juli, is het tot 240 ge­klommen. De getallen, volgens de provincies opgemaakt, zijn als volgt Zuid-Holland 52 plaatsen vacant. Noord-Holland 51 plaatsen. Friesland 27. Gelderland 24. Groningen 20. Zeeland 16. Noord-Brabant 16. Utrecht 13. Overijsel 10. Drenthe 6. Limburg 5.

Is het niet vreeselijk, dat zooveel gemeenten zonder herder en leeraar zijn ? Alleen Zuid-Holland heeft 52 vacante plaatsen en Noord-Holalnd 51 !

Er is wel oorzaak den Heere te bidden, dat Hij toch arbeiders mag uitstooten tot het werk in Zijn wijngaard en voor ons Studiefonds is er reden te over, om te doen wat onze hand vindt om te doen, waarbij een beroep gedaan wórdt op de liefde en de offervaardigheid van allen die de Gereformeerde Waarheid liefhebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's