Feuilleton.
Van 's levenspad
Twee broers.
't Was kermis in het Zeeuwsche stadje B. en velen uit het stadje en .den omtrek daarvan gingen daarheen, om zich over te geven aan het genot wat nooit voldoening geeft, aan de vreugde, die nimmer bevredigt
Onder die velen bevonden zicH Toon en Jacob, twee broers van 22 en 20 jaar oud. die reeds lang te voren gespaard hadden opdat zij, wanneer de kermis gekomen was, voldoende geld zouden hebben om te verteren. Zoolang zij spaarden verheugden zij zich reeds in het vooruitzicht dat het spoedig weer kermis zou zijn, daar zij dan, nog meer dan anders, konden genieten van alles waar hun hart naar uitging en met vreugde begroetten zij den dag waarop de kermis begon. Eindelijk was dan toch de lang verwachte kermis gekomen, was de tijd weer daar, waarin zij naar harte lust konden genieten, zich geheel niet behoefden in te houden, want immers in den kermistijd was alles geoorloofd.
Nauwelijks was de dagtaak geëindigd of zij haastten zich huiswaarts, om, na zich verkleed te hebben, naar het kermisterrein te gaan, waar zij spoedig een aantal vrienden ontmoetten, met wie zij weldra zingend en schreeuwend ronddwaalden.
Na eenigen tijd echter werd Toon, die eerst een der luidruchtigsten was, steeds stiller, totdat hij ten laatste tegen Jacob zeide • „Laten we maar naar huis gaan, want ik ben niets goed en het wordt steeds erger.
Eerst wilde Jacob dat niet doen, wilde hij tegen zijn broer zeggen dat deze maar alleen moest gaan, doch hem aanziende en bemerkende dat zijn gezicht doodelijk wit was geworden en dat zijn oogen zoo vreemd stonden, durfde hij hem niet alleen laten gaan, waarom zij beiden het kermisterrein verlieten en huiswaarts gingen..
Thuis gekomen ging Toon direct naar bed en nog dienzelfden nacht werd de dokter gehaald, daar hij steeds erger werd. Na hem onderzocht te hebben, zeide deze, dat hij door een gevaarlijke ziekte aangetast was, welke Hem wellicht in enkele dagen ten grave zou doen dalen. Nog zoo jong en dan reeds sterven, niet meer van bet leven te kunnen genieten, neen, dat wilde Toon niet, met gebalde vuisten lag hij neer, als wilde hij den dood van zich weren, wanneer deze kwam, gedurig uitroepende : „Ik wil niet sterven".
De dood lette daar echter niet op, stoorde zich niet aan zijn roepen dat hij niet wilde sterven, na drie dagen naderde hij het bed van Toon, sneed zijn levensadem af en op dën laatstén kermisdag werd hij weggedragen naar den doodenakker
En Jacob? Achter het lijk van zijn broer gaande vertoefden zijne gedachten op het kermisterrein, uitte hij verwenschingen dat zijn broer juist nu was gestorven, waardoor hem de kermisvreugd ontgaan was, daar hij nu maar enkele uren daarvan had kunnen genieten
't Was twee jaar later. Weer was de eerste kermisdag aangebroken in het stadje B. en weer had Jacob zich huiswaarts gespoed, na 'het beëindigen van den arbeid, » verkleedde hij zich en richtte zijne schreden naar het kermisterrein.
Plotseling was het hem als zag hij zijn broer voor zich, die hem toeriep : „Nu zijt gij ook twee en twintig jaar, nu moet gij ook sterven." Niet in staat zijnde verder te gaan, bleef hij vol vrees staan, zich herinnerende dat hij juist twee jaar geleden met Toon naar de kermis ging, waarna deze enkele dagen later stierf.
Zal het nu met mij ook zoo gaan, vroeg hij zichzelf af, moet ik over drie dagen sterven ? Bevend vervolgde hij zijn weg, aan de kermis dacht hij niet meer, het was als zag hij den dood, die zijn arm naar hem uitstrekte, om ook hem uit het leven weg te nemen. Overal achtervolgde hem dit, nergens kon hij het ontloopen, geheel ontdaan kwam hij na eenige uren rondgedwaald te hebben thuis, denkende dat de slaap zijn angst zou verdrijven. Inplaats van te verdwijnen werd zijn angst echter steeds grooter, de slaap vatten was hem onmogelijk, gedurig zag hij den dood, die weldra zijn leven zou afsnijden.
Eenige bange dagen braken voor hem aan nergens kon hij rust vinden ; radeloos dwaal de hij rond, niet in staat zijn werk te verrichten. Moet ik dan sterven, kan niets me dien vreeselijken. angst ontnemen, kan niemand me helpen ? vroeg hij zichzelven gedurig af.
Weer radeloos door het stadje dwalende, kwam hij voorbij het huisje van een ouden Christen, welken hij altijd om zijn vroomheid had uitgelachen en bespot. Zou, dacht hij, die mij misschien raad kunnen geven, die mij kunnen helpen ? Zonder zich goed bewust te zijn.wat hij deed, liep hij op het huisje toe en stapte binnen, waar de oude man hem verwonderd aanzag, niet wetende wat hij kwam doen. Nog voor deze echter iets kon vragen, begon Jacob reeds te vertellen van zijn angst, zijn vrees te moeten sterven en vroeg of hij hem kon helpen of raad geven.
Bewogen luisterde de oude man toe, om, nadat Jacob uitgesproken was, hem te gaan vertellen van zijn Koning, zijn Jezus, zijn Borg, van Hem, Die uit eeuwige liefde den dood had overwonnen voor een zondig volk. „Hij is het, Die dat alles heeft bewerkt, mijn jongen", zeide hij, „want Hij heeft in je dood geen lust. Vlucht tot Hem, dan zal de rust wederkeeren. Hij zal je de vreugde schenken, die alle verstand te boven gaat, die zelfs de dood je niet kan ontnemen daar die eindeloos zal duren."
Met die woorden ging Jacob weer weg en nadat hij was vertrokken, knielde de oude man neer, smeekte zijn Koning, zijn Heiland, Die zoo rijk is dat Hij van geven niet armer wordt, dien jongeman Zijn genade te schenken, hem in Zijn bloed te wasschen van zijn zware schuld. Zich aan hem te openbaren als zijn Koning, zijn Borg en Middelaar.
Voor Jacob werd het echter nog banger. Was hij eerst slechts bevreesd te zullen sterven, nu vvaren zijne oogen geopend om te zien wat hem na het sterven wachtte, wat hem met nog meer vrees' vervulde, wam hij zag dat dan zijn plaats de eeuwige ramp zaligheid zou wezen!
Enkele bange, benauwde dagen bracht hij door, zijn gansche zondenschuld zag hij voor zich, weldra moest hij sterven om dan voor eeuwig om te komen ; dat, dat alleen gevoelde hij zich waardig. Als een wanhopige liep hij rond, niets verwachtende dan dat weldra de dood hem zou wegnemen, hem voeren voor den Rechterstoel des Heeren voor dien God, Dien hij zoovele jaren door gedachten, woorden en werken had gelasterd, terwijl Deze hem met Zijne zegeningen overlaadde, om hem dan te verstooten in de plaats van eindeloos Godsgemis.
Maar dan, als hij meende om te komen, kwam de lijdende Borg tot hem, toonde hem Zijn wonden, deed hem Golgotha's kruis aanschouwen, waaraan Hij werd geklonken en riep hem toe dat daardoor ook zijn schuld was betaald, ook hij vrijgekocht was uit satans macht, dat daardoor ook hem het eeuwige leven werd geschonken.
Nu vreesde hij niet meer te moeten sterven, verlangde hij zelfs dat die ure spoedig mocht komen, want dan zou hij immers bij dien dierbaren Koning zijn. Die zulk een onwaardige als hij was in wondere liefde en ontferming gadesloeg.
Hoewel naar die ure uitziende, kwam die toch nog niet, werd hij nog in het leven gelaten, om te spreken van dat groote wonder, te vertellen van die onbegrijpelijke liefde van Koning Jezus, Die hem opzocht, uit 's werelds dienst rukte en deed ervaren dat het bloed van Christus Jezus van alle zonden reinigt.
Vele, vele jaren zijn sindsdien vergaan, nog altoos gaat Jacob voort over 's levenspad, dag aan dag 'm verwondering wegzinkende dat de Heere hem van het verderf wilde redden. Geen dag gaat voorbij waarop hij niet aan zijn broer denkt, hem weer op zijn sterfbed ziet liggen, uitroepende : „Ik wil niet sterven" ; dan richt hij het betraande oog hemelwaarts, roept hij uit : „Waarom, waarom toch, Heere, naamt Gij mijn broer weg uit het leven, deedt hem voor eeuwig omkomen, terwijl Gij mij in genade aanschouwdet ? Waarom hebt Gij mij ook niet verstoeten, mij in de buitenste duisternis geworpen, daar ik dat alleen waardig was ? " Dan vertelt hij van zijn broer Toon, die op twee en twintig jarigen leeftijd voor eeuwig in het verderf werd gestooten, terwijl hij op dien leeftijd voor eeuwig behouden werd. Nooit kan hij daar over uitgedacht komen en straks zal hij in eindelooze verwondering daarover neerzinken aan de voeten van zijn Koning, want immers zelfs de eeuwigheid zal te kort zijn om uitgedacht te komen over het wonder dat zondaren daar mogen verkeeren, hun Koning aanschouwend en eer bewijzend.
Zult 'gij daar ook zijn ? Zult gij daar ook bij behooren ? Zondedienaar, wereldzoeker, blijft gij nog voortgaan in het kwaad, wilt gij de zonden niet verlaten ? Bedenk dat gij moet sterven, jongen en ouden, weet, dat ieder oogenblik uw einde kan komen, wat zonder Koning Jezus voor u zal zijn 't begin der eeuwige smart. Nu zijt gij nog in 't het heden der genade, o, laat dien tijd niet voorbijgaan, laat de zonde varen, vlucht tot dien dierbaren Koning, om bij Hem den waren vrede en de ware vreugde te vinden. Nooit zijt gij te diep gezonken, nimmer is uw zondenschuld te groot. Koning Jezus heeft volkomen betaald en daarom roept Hij u toe: „Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn, zij zullen wit worden als witte wol !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's