Feuilleton.
Van 's levenspad
door COR.
Uit het Moorenland.
Nog kinderen zijnde, leerden Janna en Metje elkander reeds kennen, daar zij dicht bij elkander woonden en Metje meermalen bij Janna's moeder kwam om deze te helpen in de lichte huishoudelijke bezigheden, waar na zij dan met Janna mocht spelen. Met elkander groeiden zij op, totdat hun pad uiteenliep, daar Metje naar een betrekking ging ver van haar geboorteplaats, waardoor een scheiding werd veroorzaakt.
Weldra waren de twee vriendinnetjes elkaar vergeten, want een band was tusschen dit tweetal niet gelegd, waardoor zij, niet meer tezamen zijnde, ook niet meer om elkander dachten.
Beiden groeiden op met een hart dat naar den dienst der wereld uitging, dat lust en vermaak vond in alles wat buiten den Heere is. Nooit was hun voorgehouden dat zij op reis waren naar de eeuwigheid, dat zij na het sterven den Schepper van hemel en aarde zouden ontmoeten, Wien zij rekenschap zouden moeten geven van al hunne daden. Nooit was hun gesproken van Christus Jezus, den Borg en Middelaar dat zij alleen dan voor den Heere zouden kunnen bestaan, wanneer Hij als hun Voorspraak bij den Vader zou staan om te spreken dat Hij hun schuld betaalde, hun straf droeg met Zijn eiigen bloed en leven. Nooit waren zij er op gewezen, dat zij Hem bezittende, alleen konden sterven, zonder voor eeuwig verstooten te worden. Daarom ook ging hun hart daar niet naar uit, groeiden zij op, slechts vragend naar alles wat de wereld bood en daarom ook konden zij elkaar weer zoo spoedig vergeten, van elkander gescheiden over 's levenspad voortgaan, zonder den tijd terug te verlangen, waarin zij tezamen waren.
Vele jaren gingen voorbij, waarin zij beiden volwassen werden en trouwden, waarna zij weer dichter bij elkander • kwamen wonen ; slechts enkele uren gaans van elkander-verwijderd. Hoewel nu echter dichter bij elkaar zijnde, werd toch de oude vriendschapsband niet vernieuwd, zochten zij elkander niet op, was de begeerte er niet elkaar nog eens te ontmoeten.
Toch werden zij echter weer tot elkander gebracht, kwam de tijd, waarin zij elkaar weer ontmoetten, werden zij weer aan elkander verbonden ; doch thans niet door den licht verbreekbaren band, welken de werelddienst geeft. Neen, thans werden zij verbonden door den onverbreekbaren band, welke hen verbindt, die over 's levenspad voortgaan met een begeerte te leven tot eer van hun Schepper, hun Heere en God. Door dien band werden ook Janna en Metje opnieuw verbonden, want beiden kwam de Heere in Zijn wondere genade en ontferming opzoeken, door Zijn Geest in haar harten werken, zoodat dit naar Hem en Zijn dienst uitging. Eerst werd Metje uit 's werelds dienst getrokken, leerde zij zich zelve kennen, kreeg zij een oog om te zien dat de weg, welken zij betrad, haar naar het eeuwig verderf voerde, wat een roepen en zuchten geboren deed worden tot Hem, Die uit eeuwige liefde een weg ontsloot, waardoor zondige schepselen w«er verwaardigd worden in te gaan in de eeuwige welgelukzaligheid.
Zij keerde de wereld den rug toe, daar kon zij niet meer in leven, want haar hart was nret een begeerte vervuld om den. Heere groot te maken ; te spreken van Zijn wondere liefde werd haar grootst vermaak.
Maar ook Janna ondervond dat de Heere Zijn hand over haar uitgestrekt had, dat Hij haar toeriep : „Tot hiertoe en niet verder", waardoor ook haar leven een vragen en zoeken werd naar Hem, Die voor zondaren den dood overwon.
De Heere was ook tot Janna gekomen en gelijk Zijn wondere daden altijd onder Gods valk worden verteld, zoo vertelde men nu ook dat Hij, Die geen lust in den dood van zondaren heeft, Zijn wondere genade aan Janna had willen betoonen.
Dit kwam ook Metje ter oore en dat hoorende maakte zij het plan haar oude vriendin te gaan opzoeken, om van haar zelf te hooren wat de Heere gedaan had.
De dag werd bepaald en die gekomen zijnde ging Metje naar de vriendin uit hare kinderjaren, die haar sinds vele jaren niet had gezien, doch die haar nu met vreugde en blijidschap ontving.
Veel was er te vertellen over alles wat gebeurd was sinds den tijd waarin zij vrien dinnetjes waren, maar nog meer vertelden zij elkander van het groote wonder dat de Heere naar haar had willen omzien, dat Hij gekomen was om haar uit 's werelds dienst te trekken, haar leidende op den weg waar haar hart uitging naar Hem.
Thans werden zij opnieuw aan elkaar verbonden, waren zij weer vriendinnen geworden, die met elkander over 's levenspad voortgingen, het oog gericht op den Borg en Middelaar Christus Jezus, met de gedurige bede of Hij ook haar Voorspraak bij den Vader wilde wezen. Een nieuwe band was gelegd, daardoor verbonden gingen zij nu voort, menigmaal elkander opzoekende, sprekende over de wondere daden des Heeren. Nooit komen zij uitgepraat over het groote wonder dat de Heere naar haar heeft omgezien, haar kwam opzoeken toen zij nog leefden buiten Hem en Zijn dienst. „Wij komen uit het Moorenland, " zegt Janna telkens weer wanneer zij bij elkander zijn, doelende op hun Jeugd, die voorbij ging zonder dat zij in de vreeze des Heeren werden opgevoed, „in het Moorenland zijn wij opgevoed, maar nochtans heeft de Heere op ons nedergezien ; wij Mooren uit het Moorenland en tot zulken wil de Heere nog komen, sprekende dat het bloed van Christus Jezus reinigt van alle vuile en zwarte zonden, waardoor ook wij straks voor den Heere kunnen bestaan, vlekkeloos rein gewasschen in Zijn bloed".
„Wij Mooren uit het Moorenland", zegt zij gedurig weer, nimmer kunnende begrijpen dat de Heere haar niet liet omkomen in het leven der zonde. Menigmaal zoeken zij elkaar op en immer is er ruime stof tot spreken over de onbegrijpelijke liefde; welke den Heere bewoog zulken te gedenken, die geboren en opgevoed waren in het Moorenland.
Hebt gij u zelven reeds als een Moor leeren kennen, geheel zwart door de zonden, welke gij hebt bedreven ? Óf weet gij nog niet dat gij een Moor zijt, hebt gij nog nooit uw zwartheid aanschouwd ? O, smeek dan toch den Heere of Hij u een oog wil schenken, om dat te zien, opdat een vragen en zoeken mocht geboren worden naar Hem Die dóór Zijn bloed u van al uwe zonden kan wasschen en reinigen. Zonder Hem', den Borg en Middelaar, Christus Jezus, zult gij nimmer voor den Heere kunnen verschijnen, want niemand zal voor Heim kunnen bestaan, die niet in het bloed van Christus Jezus van zonden en schuld is gereinigd ; dat bloed maakt u witter dan sneeuw, dat maakt u vlekkeloos rein, zoodat gij weer voor den Heere kunt bestaan.
Neen, gij bedrukte, door onweder voortgedrevene, die vreest dat Uw zonden te groot zijn, die voortgaat, verwachtend dat de Heere u zal verstooten, dat gij voor Hem niet zult kunnen verschijnen, denk niet dat gij te zwart zijt, want het bloed van Christus Jezus reinigt u van alle zonden. Al komt gij uit het Moorenland, al leert gij uzelf kennen als een Moor, die van dag tot dag moet erkennen dat het naar recht is wanneer de Heere u voor eeuwig verstoot, nochtans wil Hij u in genade en ontferming gadeslaan, u verwaardigen straks bij Hem te zijn, vlekkeloos rein, om Zijn lof en grootheid te vertellen. Hem te danken en te prijzen dat Hij naar u heeft willen omzien. Al fluistert de satan u gedurig in, dat de Heere u nimmermeer zal gedenken, toch zult gij ervaren dat Christus Jezus uw schuld heeft betaald, waardoor gij voor den Heere kunt verschijnen niet als een Moor, doch vlekkeloos rein, bekleed met de witte kleederen des heils, voor u door den Borg en Middelaar verworven.
Waarom de Heere u in het Moorenland kwam opzoeken, waarom Hij zulk een als gij waart niet in de zonde liet voortleven om u straks voor eeuwig te verstooten ? Waarom Hij u straks zal vergunnen eindeloos bij Hem te zijn ? Klimmen die vragen gedurig bij u op, kunt gij daar nooit over uitgedacht komen ? Weet gij niet wat de oorzaak is, dat Mooren vergund wordt vlekkeloos rein, hun Schepper te danken. Zijn lof te verbreiden ? Roept gij gedurig uit: „Waarom, Heere, zijt Gij tot zulk een diep onwaardige als ik ben, gekomen ? " Hoor, de gansche strijdende Kerk roept het uit, de triumfeerende Kerk stemt er jubelend en juichend mee in en gij zult straks uw stem bij die velen paren, en eindeloos den jubelkreet doen weerklinken : „Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's