Uit het kerkelijk leven.
Uit de Synode. IV.
Nadat de Synode voor de zooveelste maal zichzelf weer het leven gered had, maar daarmee ook voor de' zooveelste maal weer getoond had dat zij blind is voor het kerkelijk probleem dat reeds zoo lang om oplossing roept, werden in de volgende zitting de gewone werkzaamheden voortgezet.
Nadat de heer Prins als secundus-lid is vervangen door zijn primus ds. v. d. Beke Callenfels, brengt ds. Bongers een beknopt verslag uit over de inkomsten van de schriftelijke Kerkvisitatie over 1920.
Er blijken zeer verblijdende maar ook zeer bedroevende feiten te constateeren. Over 't kerkbezoek blijkt in vele gemeenten niet te roemen. Het aantal vrouwelijke catechisanten overtreft het aantal mannelijke aanzienlijk. Het gebruik maken van den Heiligen Doop neemt in de provincie Friesland af. Aan het Heilig Avondmaal wordt in vele gemeenten door velen deelgenomen, maar in sommige gemeenten is de deelname treurig, b.v. in Blauwkapel, waar éénmaal het Heilig Avondmaal bediend is en drie personen namen er aan deel. Door de Diaconieën is ter ondersteuning van de behoeftigen besteed in geld ƒ 2824641.39 en in natura ƒ 1036247. Er is veel dat ons stof tot danken maar ook veel dat stof tot verootmoediging geeft.
Verschillende leden maken enkele opmerkingen. De heer Van Paassen beantwoordt enkele vragen van de hoogleeraren over het verschil tusschen Noord-en Zuid-Holland. De president wijst nog eens op het groote bedrag dat de Diaconieën uitgegeven hebben. Er is ƒ 1247871.311/2 gecollecteerd voor de armen. De secretaris constateert dat het verslag thans beter is dan het verslag van het vorige jaar. Hij hecht groote waarde aan de persoonlijke kerkvisitatie, waar de schriftelijke kerkvisitatie is een verzameling van cijfers en gegevens, die helaas ! niet alle even betrouwbaar zijn.
De commissie van eindredactie rapporteert over de 3 Aug. aangenomen wijzigingen in het Reglement op het hulppredikerschap, noodlg geworden doordat voldaan is aan het verzoek der Classicale Vergadering van Emmen. De eindredactie wordt vastgesteld, zooals zij door den heer Aalders wordt voorgesteld.
De heer Sneep rapporteert over een verzoek om voorlichting van het Provinciaal Kerkbestuur naar de bedoeling van art. 28 Reglement op de Diaconieën. De zaak komt hierop neer : wat is een batig saldo ? De meerderheid zegt: een batig saldo is het gunstig verschil tusschen de gewone inkomsten en uitgaven van een bepaald boekjaar, zonder de uitkomsten van het vorige jaar. De minderheid van de commissie is van oordeel, dat er wel degelijk rekening dient gehouden te worden met de saldo's van vorige jaren. Deze minderheid meent, dat het er niet toe doet op welke wijze dit batig saldo verkregen is. Bij de discussie bleek, dat de kwestie van twee kanten bekeken 'kon worden, naarmate men let op de bedoeling dan wel op de formuleering van art. 28. De conclusie van de meerderheid wordt met 14 tegen 5 stemmen aangenomen.
Mr. A. S. de Blécourt, Waalsch ouderling te Lelden, heeft bericht ingezonden dat hij de benoeming tot secundus-lld-ouderllng van de Algemeene Synodale Commissie niet aannemen kan. In zijn plaats wordt nu benoemd de heer P. Landsman te Vlissingen.
In de volgende zitting komen aan de orde verschillende voorstellen die betrekking hebben op het veelbesproken Reglement op de Predikantstractementen. In de eerste plaats zijn er enkele voorstellen van den Raad van Beheer. De bedoeling is, dat de Raad van Beheer de bevoegdheid krijgt dispensatie te verleenen van de bepaling van art. la van het Reglement op de Predikantstractementen. Thans is het verleenen van de dispensatie beperkt tot 1921. Oe commissie van rapport stelt voor de voorstellen van den Raad van Beheer aan te nemen, maar daarbij den Raad te verplichten de Provinciale Kerkbesturen te hooren bij het verleenen van de dispensatie. De Provinciale Kerkbesturen zijn hier genoemd, omdat deze Kerkbesturen de liggers van de predikantstractementen goed moeten keuren. Wordt de wetswijziging aangenomen, dan kan zij pas in 1923 in werking treden. Hoe moet het nu in 1922 ? De heer Tammens zegt namens de rapporteerende commissie : hier is force majeure, de Raad van Beheer moet in 1922 naar zijn geweten handelen. De eerste conclusies van de rapporteerende commissie worden aangenomen.
Wat 1922 betreft, bij wijze van maatregel van orde verleent de Synode de bevoegdheici om ook in 1922 dispensatie te verleenen, (art. 27 alinea 2) na de Provinciale Kerkbesturen te hebben gehoord.
De heer Tammens rapporteert over een voorstel van de Classicale Vergadering te Zwolle, dat bedoelt eenstemmigheid te verkrijgen met (betrekking tot den Ligger van het predikantstractement. Het voorstel wordt afgewezen.
De heer Tammens rapporteert over eenige voorstellen tot wijzigingen in het Reglement op de Predikantstractementen, ingediend door den heer J. H. Eykman, predikant te Rossum. De commissie van rapport adviseert de voorgestelde wijzigingen af te wijzen. Zij zijn niet noodig of zouden tot ongewenschte dingen aanleiding geven. De conclusie wordt aangenomen.
De Ringen Helmond en Eindhoven hebben voorgesteld art. 2 van het Reglement op de Predikantstractementen (de bepaling van art. la geldt niet voor gemeenten met minder dan 100 zielen) te schrappen. De heer Tammens rapporteert over het verzoek De commissie concludeert, daar ook de predikanten van deze zeer kleine gemeenten reeds groote voordelen van het Reglement op de Predikantstractementen genieten en 't onmogelijk is aan het verzoek te voldoen, de voorstellen af te wijzen. De conclusie van het rapport wordt aangenomen.
De Classicale Vergadering van Gouda heeft voorgesteld de gemeenten vrij te stellen van de verplichting, zich aan te sluiten bij den Raad van Beheer.' De conclusie van het rapport, uitgebracht bij monde van den heer Tammens, is om het voorstel af te wijzen. Deze conclusie wordt aangenomen.
De h.h. M. J. de Vrijer, B. Klein Wassink en D. Boer hebben voorgesteld eene nieuwe alinea aan art. 18 van het Reglement op de predikantstractementen toe te voegen, welke toevoeging bedoelt 5% uit de Centrale Kas voor de predikantsweduwen en emeriti-predikanten te bestemmen. Om allerlei redenen — vooral omdat het praematuur is — wordt bij monde van den heer Tammens geconcludeerd het voorstel af te wijzen. Deze conclusie wordt aangenomen.
De heer dr. Van Nes rapporteert over een verzoek van den Raad van Beheer om goedkeuring van het Reglement op de Bijdragen en over een verzoek om goedkeuring van de ontworpen regeling betreffende de uitkeeringen van de Centrale Kas. De commissie concludeert de verzoeken van den Raad van Beheer in te willigen.
Nadat nog verschillende voorstellen o.m. van enkele predikanten der Classis Zierikzee, van de Classicale Vergadering van Leiden, van 30 leden der Classicale Vergadering van Zutphen, van de Classicale Vergadering van Meppel, van de h.h. dr. De Vrijer Boer en Klein'Wassink, zijn afgewezen, wordt een motie aangenomen van den heer Flieringa, van den volgenden inhoud:
„De Algemeene Synode is van oordeel dat de nieuwe Liggers die volgens art. 1 van het Reglement op de Predikantstractementen worden aangeboden, moeten bevatten het minimum tractement zonder eenige bepaling daaromtrent met betrekking tot den dienstdoenden predikant."
Hiermee heeft de Synode dus uitgesproken, dat ook de Ringen bij vacature recht hebben op het op den Ligger voorkomende minimum. Natuurlijk met dien verstande, dat ihet bedrag boven ƒ 1200.—, volgens het desbetreffend artikel in het Reglement op de Vacature, hun slechts voor de helft zal uitgekeerd worden
De heer Tromp rapporteert over een voor stel van den Algemeenen Kerkeraad der Ned Herv. Gemeente te Rotterdam tot wijziging van art. 3 X van het Algemeen Reglement en daardoor noodig geworden wijzigingen in andere Reglementen. De bedoeling is leden der gemeente stemgerechtigd te laten, als zij hun hoofdbedrijf in de gemeente blijven uitoefenen, terwijl zij hun domicilie naar elders verleggen. De meerderheid der commissie wil alleen ouderlingen en diakenen, die naar een naburige gemeente verhuizen, hun ambt laten blijven bekleeden tot hunne eerstvolgende aftreding. De minderheid van de commissie wil het geheele voorstel afwijzen. Bij de discussie blijkt, dat de meerderheid wel de moeilijkheid van den noodmaatregel gevoelt, maar gaarne de gemeente Rotterdam zoover het maar mogelijk is tegemoet komen wil. Het voorstel van de minderheid wordt aangenomen, zoodat het geheele voorstel-Rotterdam daarmede van de baan is
De heer Van der Grient heeft eene circulaire opgesteld, ter aanbeveling van de Generale Kas aan de Kerkeraden. Het concept wordt onder dankzegging aan den heer Van der Grient, onveranderd vastgesteld.
De heer dr. Van Nes komt terug op een 10-ial verzoeken om een dag van v e r o o t-m o e d 1 gi ng en gebed op 31 Oct. a.s. uit te schrijven. Geadviseerd wordt door de commissie aan het verzoek te voldoen, met dien verstande dat het ook een dag van dankzegging zal zijn. Dit advies wordi aangenomen. Naar het concept van dr. Van Nes wordt eene circulaire aan de Kerkeraden en Gemeenten van de Ned. Herv. Kerk vastgesteld.
Besloten wordt tot de uitgave van een nieuw kerkelijk wetboek over te gaan. De laatste druk van Douwes en Feith, bewerkt door J. Knottenbelt (uitgave van J. B. Wolters) is uitverkocht en wordt, althans nu, niet herdrukt. De Synode heeft nu besloten de h.h. dr. Weyland en L. W. Bakhuizen van den Brink uit te noodigen een nieuw kerkelijk Wetboek te bewerken. De president en de secretaris hebben de opdracht aanvaard. De nadere regeling en uitwerking is opgedragen aan de Synodale Commissie.
De eindredactie van de voorloopig aangenomen wijzigingen in het Reglement op de Predikantstractementen en daarmede samenhangende wijziging in het Reglement op de Vacaturen wordt vastgesteld.
De goedkeuring wordt verleend aan het besluit van het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland tot vestiging van eene tweede predikantsplaats bij de Gestichtsgemeente Weezenkapel (Neerbosch) met ingang van 15 September 1921.
De Bond van Godsdienstonderwijzers in Nederland heeft een tweeledigen wensch aan de Synode kenbaar gemaakt:
1°. De Synode bepale een wettig minimum van het salaris van Godsdienstonderwijzers, werkzaam in dienst van kerkeraden ;
2", De Synode ga niet door met het combineeren van gemeenten maar benoeme in kleine vacante gemeenten Godsdienstonderwijzers als hulpprediker. De heer Franke rapporteert over dit verzoek. De conclusie van het rapport is om beide verzoeken af te wijzen. Het eerste is om verschillende redenen niet doenlijk, het tweede acht de rapporteerende commissie niet noodig. De heer dr. Van Nes zou gaarne aan het eerste verzoek voldoen, maar hij ziet niet in dat het aan kerkeraden opgelegd worden kan. De heer dr. Aalders wijst er op, dat de Synode bij het toekennen van subsidie de kerkeraden reeds aanspoort voor hunne godsdienst onderwijzers te doen wat zij kunnen. De secretaris zou toch wel onder de aandacht van de kerkeraden willen brengen dat de Godsdienstonderwijzers dikwijls te weinig salaris hebben. De conclusie van de rapporteerende commissie wordt aanvaard. Overeenkomstig het advies van den secretaris zal aan de kerkeraden een schrijven gericht worden.
De Bond van Godsdienstonderwijzers heeft de Synode verzocht zich uit te spreken over het verschil tusschen art. 36 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs en art. 18 van het Algemeen Reglement op het Beheer. De Synode kan in dit verzoek niet treden.
Hierop ontvangt de Synode weer bezoek en wel van prof. G. van Antal, die eenige mededeelingen doet over den toestand van het Protestantisme in Hongarije. Deze toestand blijkt zeer treurig te zijn, zoodat niet eens Bijbels naar het van Hongarije afgescheurde gebied gezonden kunnen worden. Prof van Antal dankt echter voor den financiëelen en moreelen steun door Nederland verleend.
Hierna komt aan de orde het verzoek van mej. dr. C. Gerlings om vrouwelijke doctoren in de Theologie tot het Hulppredikerschap toe te laten. De heer Deeleman rapporteert over dit verzoek. Het rapport komt tot de conclusie dat aan het verzoek, zooals het ter tafel. ligt, niet tegemoet gekomen kan worden. Aan den eenen kant eischt het verzoek te veel, aan den anderen kant te weinig. Bij de discussie blijkt het dat sommigen wel een ambtelijke functie voor de ontwikkelde vrouw willen gecreëerd zien, niet het geheele ambt maar een gedeelte van het ambt zouden zij kunnen bekleeden. Als er maar een goede weg gevonden wordt zouden deze leden de vrouw eenige ambtelijke werkzaamheid willen geven. De vicepresident geeft in overweging de kerkelijke hoogleeraren uit te noodigen de Synode van het volgende jaar in deze materie van advies te dienen. De heer Franke zou dan liever de vrouw tot het predikantsambt toegelaten zien.
De conclusie van de rapporteerende commissie wordt aangenomen.
Het voorstel van den vice-president luidt: De Synode verzoekt aan de kerkelijke hoogleeraren de Synode van het volgend jaar te dienen van advies om voor de in de theologie gestudeerd hebbende vrouwen een ambtelijken werkkring in de Kerk mogelijk te maken.
De heer Van Paassen verklaart zich hier tegen om prinoipiëele en practische redenen. Het wordt aangenomen, naar 3 adviezen, met 12 tegen 7 stemmen.
Eenige Classicale vergaderingen hebben verzocht niet langer aan de predikanten te verbieden lid van een der Kamers der Staten-Generaal of van de Provinciale Staten te zijn. Namens de commissie rapporteert de heer Franke hierover. De commissie wil het predikantsamibt slechts dan vereenigbaar achten met het lidmaatschap van eene der Kamers der Staten-Generaal als de ker keraad van de betrokken gemeente er zijne goedkeuring aan heeft gehecht en het Classicaal Bestuur zijne toestemming heeft gegeven na zich verzekerd te hebben dat in alle deelen van het predikantsambt op bevredigende wijze is voorzien. Bij de discussie blijkt dat velen het groote bezwaar hebben dat en het predikantsambt en het lidmaatschap van de volksvertegenwoordiging beide den geheelen mensch eischen. De heer Van Nes wil den toestand laten zooals hij nu is. De heer Aalders wil geen absoluut verbod, maar de toestemming geven onder groote reserves. De secretaris ziet geen reden de bepaling van 1905 terug te nemen. De vice-president zou wel willen dat de Kerk een officiëelen volksvertegenwoordiger had, maar nu dit niet kan is hij er voor het verbod onder reserves, op te heffen. De heef Franke verdedigt het rapport. De commissie heeft alles nauwkeurig overwogen. De president herinnert aan den toestand, die aanleiding gegeven heeft de verbodsbepaling te maken. Het blijkt duidelijk dat vele leden der Synode bezwaar hebben tegen de opheffing van het verbod omdat zij het ambt van predikant zoo hoog achten. Naar advies wordt besloten de verbodsbepaling van 1905 niet te handhaven met 10 stemmen, terwijl 9 stemmen naa^ 2 adviezen de verbodsbe-paling wel willen handhaven. Naar 3 adviezen wordt met 15 tegen 3 stemmen be ^ sloten groote waarborgen te eischen. De wetswijziging, oorspronkelijk voorgesteld door de heeren Coolsma en Van Herwerden te Groningen, zal aan het oordeel der Kerk worden onderworpen.
Er zijn verschillende verzoeken ingediend om bij de Regeering aan te dringen op zuivere toepassing van art. 171 der Grondwet en om Staatssubsidie van de kerkgenootschappen. De commissie stelt, bij monde van jhr. Phaff, voor niet op het verzoek als zoodanig in te gaan, maar wel nogmaals aan te dringen op verhooging der rijksuitkeeringen, die jaarlijks aan de predikanten geschieden. De heer Van Nes licht het stand punt van de commissie toe. De heer Aalders is het eens met het Ie gedeelte van wat de commissie wil, maar niet met het 2e gedeelte. De Synodale Commissie heeft aangedrongen. Er is geen reden nogmaals aan te dringen. De secretaris meent dat wat nu gevraagd worden moet, wat anders is dan wat de Synodale Commissie gevraagd heeft, er moet z.i. nu gevraagd worden om eene ruimere toepassing van art. 171 der Grondwet. Er kan dus niet van „nogmaals" gesproken worden. Besloten wordt met 15 tegen 4 stemmen zich in den geest van den secretaris tot de Regeering te wenden.
Een verzoek van de Classicale Vergadering van Haarlem, dat bedoelt 't mogelijk te maken dat een kerkelijk hoogleeraar de benoeming tot gewoon of buitengewoon hoogleeraar aanvaardt, over welk verzoek de heer Deeleman rapporteert, wordt met 17 tegen 2 stemmen aangenomen.
Een verzoek van de Classicale Vergadering van Nijmegen om art. 38 Algemeen Reglement te wijzigen in dien zin dat ook aan Diakenen de toegang tot de Classicale Vergaderingen gegeven wordt, wordt afgewezen. De conclusie van het rapport, dat uitgebracht wordt door den heer Deeleman en zonder hoofdelijke stemming wordt aangenomen luidt dat dan eerst de geheele positie der Diakenen herzien zou moeten worden.
De heer Bongers rapporteert over een verzoek van de Vereeniging van Vrijzinnig-Hervormden om het Reglement op de vorming van filiaalgemeenten aan te nemen. De commissie wijst op het uitvoerig rapport in 1918 over deze zaak ingediend en behandeld en somt op wat er toen vóór en tegen gezegd is. Na de argumenten vóór en tegen te hebben besproken, komt de meerderheid der commissie tot de conclusie dat het reglement niet aan het oordeel der Kerk moet worden onderworpen, terwijl de minderheid oordeelt dat dit wel gebeuren moet. De meerderheid meent dat de uitvoering van het Reglement op de predikantstractementen door eene eventueele aanneming van het Reglement op de filiaalgemeenten bemoeilijkt worden zou, terwijl de minderheid precies het tegenovergestelde denkt.
De president herinnert er aan, dat het ingediende Reglement hetzelfde is als dat van 1918. Hij zou willen handelen als de commissie van rapport gedaan heeft. De argumenten pro en contra behoeven niet te worden herhaald.
De heer Van Nes is voor de conclusie der meerderheid, waartoe de heer Aalders behoort. Deze heeft principiëele en practische bezwaren tegen het ingediende Reglement, maar geeft uiting van zijn leedwezen dat de toestanden in de Kerk sommige leden gedrongen hebben het Reglement weer in te dienen. Het Reglement op de Predikantstractementen is aangenomen zonder reserve, nu moet men geen reserves maken. Met de aanneming van het Reglement op de Filiaalgemeenten zou de Kerk niet gebaat zijn. De secretaris spreekt er zijne verwondering over uit, dat de Vrijzinnig-Hervormden weer het Reglement op de Filiaalgemeenten ingediend hebben, waartegen vorige Synodes zulke gewichtige bezwaren ontwikkeld hebben. De vice-president meent dat dit ingediende Reglement in de practijk buitengewoon tegenvallen zou. De heer Tammens zegt, dat het hem moeilijk valt, kennende de stemming van de meerder heid der Vergadering, het ingediende Reglement te verdedigen. Hij erkent dat er bezwaren tegen ingebracht zijn, maar dezelfde bezwaren bestaan of het Reglement al dan niet ingevoerd wordt. Hij ontkent dat de aannemipg van het Reglement ons in strijd zou brengen met de belijdenis der Kerk. Hij gelooft dat de rust en de vrede in de Kerk door aanneming van het Reglement zouden bevorderd worden.
Voor de goede werking van 't Reglement op de Predikantstractementen acht hij aanneming van het Reglement op de Filiaalgemeenten noodzakelijk. De heer Scholte onderstreept enkele opmerkingen van den heer Tammens. Eén van de wantoestanden in onze Kerk is dat er onrecht aan de minderheden gedaan wordt, bepaaldelijk aan dt Vrijzinnige minderheid, meent de hr. Scholte De heer Franke sluit zich daarbij aan. De heer Van Paassen zet uiteen dat de toestanden in de Kerk wantoestanden zijn in menig opzicht. Hij zou daarom willen zoeken naar eene oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Maar om p r i n c i p ië e 1 e redenen èn practische redenen is hij tegen de oplossing, die het Reglement op de Filiaalgemeenten aan de hand doet ; deze oplossing zou het partijwezen sanctloneeren, hetgeen hij verderfelijk acht. De heer Genouy verdedigt het Reglement. De heer Van der Grient betoogt, dat de belijdenis van de Kerk een rechtzinnige belijdenis is. Er moest een beroep mogelijk zijn op Gods Woord. .
Het Reglement op de Filiaalgemeenten maakt van de Kerk eene Vereeniging. De heer Flieringa verbaast er zich over dat de Vrijzinnigen zich niet kunnen indenken dat het voor de rechtzinnigen onmogelijk is een dergelijke oplossing te aanvaarden. Er is z.i. maar ééne oplossing : dat de Vrijzinnigen en Rechtzinnigen uit elkander gaan. De heer Franke zegt, dat de Vrijzinnigen dat niet willen. Hij begeert toenadering. De heer Bom wijst op de lauwheid van de Vrijzinnigen. Wanneer waar zal worden wat de heer Franke bedoelt, dan moeten wij bidden dat God ons tot elkander brengt. De heer Van Nes zegt met groote stichting den heer Tammens gehoord te hebben, maar hij kan het niet met hem eens zijn. Kerkrechterlijk kan er tegen het Reglement op de Filiaalgemeenten niets gezegd worden, maar in de practijk zal er niets van terecht komen. De president zegt, dat hem in de Ned. Herv. Kerk altijd bekoord heeft dat er geloofsvrijheid is. Hij gelooft dat de verschillende gees tesstroomingen door God gewild zijn. Maar hij acht het jammer dat de richtingen zich vormen tot partijen, wat in strijd is met het beginsel van Christus. Door gebrekkige middelen tracht het ingediende Reglement te doen wat alleen langs Gods weg op Gods tijd gebeuren kan.
De conclusie van de meerderheid, die ontraadt het Reglement op de Filiaalgemeenten aan het oordeel der Kerk te onderwerpen, wordt naar 3 adviezen verworpen met 12 tegen 7 stemmen (Rechtzinnigen tegen Vrijzinnigen) aangenomen.
Jammer dat de Synode, blijkbaar om de Modernen te believen, den volgenden dag weer een pleister op de wonde ging leggen, door aan te nemen een voorstel van de h.h. Franke, Scholte en Tammens, om n.l. een commissie te benoemen om te geraken tot een oplossing van het door het Reglement op de Filiaalgemeenten aan de orde gestelde vraagstuk. Als de pil niet verguld was, mocht hij voor de Vrijzinnigen ook eens te bitter geweest zijn I
De commissie voor de predikantspensioenen (voorzitter D. Eilerts de Haan, secr.rapporteur D. Boer) heeft een rapport en een Reglement ingediend. De heer Tammens rapporteert over het een en ander. De rapporteerende commissie is van oordeel, dat de Synode het recht heeft zulk een Reglement te maken en ook het recht heeft de predikanten te verplichten er aan deel te nemen. De commissie heeft tegen het ingediende Reglement algemeene en technische bezwaren. Zij komt tot de conclusie : 1". het voorloopig niet aan te nemen en 2 het Reglement in handen van de Algemeene Synodale Commissie te stellen, die met de commissie-Eilerts de Haan en anderen overleg kan houden, en hetzij dit Reglement gewijzigd, hetzij een nieuw Reglement kan indienen bij de Synode van het volgende jaar. De secretaris zou het advies willen inwinnen van den Quaestor-Generaal. De vicepresident had gewild dat de commissie het advies ingewonnen had van de h.h. dr. Holwerda en dr. D. Boer. Er gaat nu weer een jaar verloren. De heer Tammens merkt op, dat, naar het voorstel der rapporteerende commissie, de Synodale Commissie in overleg met de commissie-Eilerts de Haan en anderen treden zal. De heer Genouy merkt op, dat het misschien voordeeliger zou zijn bij eene Levensverzekeringsmaatschappij. De conclusie wordt met algemeene stemmen aangenomen.
De president zegt dat de comm.-Eilerts de Haan zich buitengewoon verdienstelijk gemaakt heeft. Hij zegt dank voor al de moeite, die zij heeft gedaan en hoopt dat de arbeid vroeger of later vruchten dragen mag
Het Classicaal Bestuur van Heusden heeft voorlichting verzocht betreffende toepassing van middelen tegen nalatigheid ten opzichte van het Reglement op de Predikantstractementen. De heer Van der Grient rapporteert over deze zaak. Het rapport komt tot de conclusie dat het niet wenschelijk zou zijn strafbepalingen te maken, daa het de verhoudingen bederven zou. Deze conclusie wordt aangenomen. lijk zou zijn strafbepalingen te maken, daa het de verhoudingen bederven zou. Dezt conclusie wordt aangenomen. De president deelt mede het resultaat van het overleg tusschen eene commissie nii de Synode en eene commissie van het Algemeen College van Toezicht. De Raad van Beheer en de Vereeniging van Kerkvoogdijen hebben geschreven dat zij de behandeling van het Reglement op het Beheer ontraden, met het oog op het Reglement op de Predikantstractementen. De commissie uit de Synode, die met het Algemeen College van Toezicht overleg gepleegd heeft is verdeeld ; 2 leden zijn van oordeel dat de behandeling moet worden uitgesteld met 't oog op de buitengewone omstandigheden waarin wij verkeeren ; 2 leden meenen dal deze buitengewone omstandigheden de Synode niet mogen verhinderen voort te gaan op den ingeslagen weg. Bij de discussie blijkt dat de leden het een zaak van wijs beleid achten de zaak van het Beheer nu niet verder te behandelen. Naar 3 adviezen wordt met 13 tegen 5 stemmen besloten thans met de regeling van het Beheer niet door te gaan. Onder de voorstemmers zijn er, die meenen dat de Synode niet het recht heeft het Beheer te regelen en anderen, die uitdrukkelijk uitspreken dat zij het niet doen om de brieven die ingekomen zijn met de 2 leden van de commissie der Synode, die .vóór het ontvangen dezer brieven geadviseerd hebben het Reglement op het Beheer niet verder te behandelen.
De heer dr. A. W. Bronsveld heeft de vriendelijkheid gehad de Synode een afdruk toe te zenden van een opstel in de Stemmen van Waarheid en Vrede, getiteld : „Het ontstaan van den Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen." Hem zal de dank der Synode worden overgebracht.
Tot leden der commissie, die zal onderzoeken of er mogelijkheid bestaat een weg te vinden, die eene oplossing geeft voor de moeilijkheden, waarvan het verworpen Reglement op de Filiaalgemeenten wilde komen, worden benoemd de h.h. Van der Grient, Van Nes, Van Paassen, Phaff en Tammens.
De Synodale Commissie heeft een onder zoek ingesteld naar de bestaande collatierechten. De antwoorden worden in handen gesteld van de Synodale Commissie, die ze eventueel met hare opmerkingen, aan den .Minister van Justitie kon doen toekomen. De heer Van der Grient wijst er op, dat de antwoorden niet geheel volledig zijn.
Daar de kerkvoogdij van Thamen aan den Amstel nog niet geantwoord heeft, kon hel verzoek om grenswijziging tusschen die gemeente en Mijdrecht niet behandeld worden, Het wordt in handen van de Synodale Commissie ter afdoening gesteld.
De vice-president heeft de registers van den secretaris ingekomen en uitgegeven na de opening van de Synode, nagegaan. Er zijn 61 stukken ingekomen en 425 uitgegaan
Op voorstel van den president wordt besloten het beheer over eenige fondsen, weder, naar gewoonte, aan de Synodale Commissie op te dragen.
De heer dr. Aalders wijst er op, dat de Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam een Reglement heeft gemaakt, waarbij voor het godsdienstonderwijs betaling wordt gevraagd. Hij meent, dat hierdoor ingegaan wordt tegen een beginsel, dat de Hervorming tegenover Rome geponeerd heeft.
De heer Genouy, die voor de eerste en V. d. Beke Callenfels, die voor de laatste maal de vergadering der Synode bijgewoond hebben, zeggen dank voor ondervonden vriendschap.
De president richt woorden van dank en waardeering tot de hoogleeraar-praeadviseurs, en tot den secretaris en vice-president en woorden van afscheid 'tot de leden, die hun diensttijd hebben vervuld. Hij spreeki de hoop uit, dat de arbeid, die verricht is,mhoge zijn tot verheerlijking van Gods Naam
De vice-president zegt den president dank voor zijne leiding en bidt hem de kracht toe om het geheele jaar de Kerk te vertegenwoordigen.
De heer Van Nes zegt ook den president dank voor zijne leiding. Hij spreekt mede namens den heer Aalders een woord van dank ook tot de leden der Synode voor de wijze waarop zij met de prae-adviseurs hebben omgegaan. Hij hoopt dat de arbeid der Synode moge bevorderlijk zijn aan de komst van het Koninkrijk Gods.
De president eindigt met danrkzegging aan God en verklaart de 106e zitting der Synodo voor gesloten.
Ze zijn op zoek !
In Leeuwarden zijn een paar vacatures bij de Hervormde Gemeente, o.a. door het vertrek van ds. Groot Enzerink, die naar Leiden ging.
Nu zijn in Leeuwarden de Modernen en de Evangelischen aan het woord ; die heb ben daar vèr de meerderheid. Van de kerkgangers ? Neen, dat niet. Maar dan toch van de stembusmenschen.
Dus toch de meerderheid. En dus dan heeft men het maar voor 't zeggen, welke dominé's er beroepen zullen worden.
Zoo zal er ooik weer een Confessioneel man beroepen worden, in de vacature-Groot' Enzerink. Om de wille van de gemeente.
Maar ds. Pothoven, die in het kiescollege nog al wat te zeggen heeft, een man van Evangelische richting, heeft als voorwaarde gesteld — blijkbaar tot veler genoegen en onder instemming van velen —dat er alleen een verdraagzaam man beroepen mag worden.
Waarom ? Ds. Pothoven geeft o.m. als reden op (in het Evangelisch Zondagsblad) : »Wij zijn hier in Leeuwarden het stoken, verdeeldheid zaaien, en verdachtmaken van andersdenkenden meer dan moede. Wij gunnen den Orthodoxen gaarne een man naar eigen keuze, wij hebben maar ééne uitdrukkelijke voorwaarde : een man van verdraagzamen geest.
Door onverdraagzaamiheid is de geestelijke atmosfeer in onze gemeente reeds te veel vergiftigd dan dat wij nu niet ernstig op zoek zouden gaan naar een kracht, die zuiverend kon werken, die de tegenstellingen niet op de spits drijft, maar met de andere groepen, die nog immer de groote meerder heid hebben, samen wil werken tot opbouw van onze Hervormde gemeente. En wij twijfelen geen oogenblik, of het kiescollege zal in dezen waakzaam zijn.
De eisch van verdraagzaamheid, gesteld aan een bepaalde groep, kan in dit geval niet als krenkend opgevat worden, omdat het Confessionalisme i n p r i n c i p e exclusief staat tegenover andersdenkenden aan zijn linkerzijde, hetgeen ook de practijk onomstootelijk leert in alle plaatsen, waar het Confessionalisme de lakens uitdeelt.*
Men moet dus in Leeuwarden blijkbaar iemand hebben, die uit beginsel onverdraagzaam zijn moet tegenover andersdenkenden aan zijn linkerzijde — maar die in de practijk verdraagzaam zich betoont.
Verdraagzaam volgens ds. Pothoven. En omdat zoo'n man waarschijnlijk niet makkelijk te vinden is, is aan de commissie van hoorders ook een Evangelisch man toegevoegd, die zal toezien dat men geen kat in den zak koopt.
De Confessioneele menschen in Leeuwar den zijn blijkbaar niet bekwaam om dat wondere werk er goed af te brengen. Nu, we zijn benieuwd wie de uitverkorene zijn zal die genade vindt in de oogen van ds. Pothoven, den grootmeester der verdraagzaamheid.
Als het schaap met vijf pooten gevonden is, zullen we er ook in ons blad melding van maken, dat beloven we plechtig.
De verhouding van Kerk en Staat.
Vervolg.
Van vrije Gereformeerde Kerken is in ons land dan ook in' de I7de eeuw geen sprake geweest. We! was er geen eigenlijke' Staatskerk, maar wel een heerschende Kerk. Ieder die een Staatsambt wilde bekleeden moest b.v. lid zijn van die Kerk.
Dus geen Staatskerk was er. Dat is waar! Want het begrip Staatskerk veronderstelt, dat het hoofd van den Staat ook opperbestuurder is in de Kerk, gelijk het Byzantijnsche stelsel wil. En zóó stonden de zaken hier niet, dat is waar. De Gereformeerde Kerk had een eigen regeering ; haar „forma" en organisatie, uitgestippeld in de Dordtsche Kerkorde, was haar niet van boven opgelegd ; in de Kerkregeering werd de presbyteriale lijn gevolgd — maar de Kerk, die in veel worsteling en druk tot openbaring is gekomen, zocht reeds spoedig steun bij de Overheid, die de beginselen der Hervorming was toegedaan. Onze vaderen gingen daarbij van de gedachte uit, dat de Overheid van God geroepen was om de ware religie te beschermen en de leugenleer tegen te staan en daarom, omdat de Overheid in hun oogen als voedstervrouw der Kerk de taak had de ware religie in te stellen, te steunen en reformeerend op te treden, daarom zocht men een betrekking te leggen tusschen de Overheid en de Kerk, wat in de Dordtsche Kerkorde nog duidelijk uitkomt. Zoo is het dan ook gekomen — daar de Overheid zich wel gaarne bemoeide met de Kerk en kerkelijke aangelegenheden, als voorzorgsmaatregel tot rust en vrede in den lande — dat we hier, nu ja, wel geen eigenlijke Staatskerk hebben gekregen, maar toch een erkende, bevoorrechte, heer s c h e n d e Kerk, die in dezen zin dan toch Staatskerk heeten kon, dewijl ze door de Overheid officieel erkend was en niets kon doen, zelfs geen Synode bijeenroepen, zonder goedkeuring der hooge-regeering.
Daardoor heeft de Gereformeerde Kerk van Nederland groote, geestelijke schade geleden.
En vele burgers van Holland zijn daardoor stoffelijk en geestelijk achteruitgezet ;
Lutherschen, Remonstranten enz. Omdat men de Overheid gehaald heeft — en de Overheid volgde gaarne I — op een terrein waar God de Overheid niet roept, omdat Hij haar daar geen taak gegeven heeft.
't Is dus héél anders gegaan dan Calvijn en onze Gereformeerde Vaderen zich e i-genlijk hadden voorgesteld. Het ideaal was toch, om een soort „Kerkstaat" te stichten, waarin héél het volk en al de burgers „de zuivere religie" zijn toegedaan en de kerkelijke en politieke macht als vanzelf zich in hoogere eenheid vinden zouden.
Maar — van d i e werkelijkheid is de toestand in ons Vaderland ver verwijderd geweest en het is geen overdreven pessimisme als we de vervulling van dit ideaal in déze bedeeling onmogelijk achten.
De Overheid moet blijven op eigen terrein. De Kerk ook. Dan zal dat onderscheiden terrein van ieder vragen een eigen taak. Waarbij „ontmoetingen" volstrekt niet uit gesloten zijn. Maar déze ontmoeting kan nooit er zijn, dat de Overheid en de Kerk evengroot terrein beslaan.
Want de Overheid staat over heel het volk ; en heeft van héél het volk gehoorzaamheid ie eischen aan haar wetten.
De Kerk is de vergadering der geloovigen en komt met haar belijdenis tot haar leden.
Laat de Overheid zich nu niet gaan wijsmaken, dat er maar één Kerk is bij héél dat volk, waarover zij gesteld is. Want dan bedriegt zij zich zelf en gaat zich bemoeien met iets, dat niet op haar terrein ligt.
Zij heeft geen „apostolische Zending." Zij heeft een andere roeping.
En laat de Kerk zich niet gaan inbeelden, dat de Overheid alleen voor haar is en dal „Overheid" zoo ongeveer 't zelfde is als „Kerk". Want dan valt zij zelf uit het anib: en uit de roeping, welke zij van Gods wege ontving ; om, zelf nalatende wat haar goddelijke roeping is, aan de Overheid op te dragen of van haar te eischen, wat zij als Overheid niet doen mag, omdat het haar taak niet is.
Waarom — om dit voorbeeld alleen te noemen — heeft de Overheid Kerkegoed en kerkegeld genomen om het in de schatkist te werpen en nu als „rente" uitbetalingen te doen aan die en aan die Kerk ?
Voor de Kerk vernederend, om zóó als een onmondig kind haar geld en goed door een „voogd" beheerd te zien.
En voor de Overheid een „netelige" kwestie, welke aanleiding geeft tot veel en groot onrecht, om nu zich uit te spreken over inwendige aangelegenheden der Kerk en de eene Kerk wel te geven en de andere Kerk niet te geven, ook waar de eene Kerk uit de andere Kerk is voortgekomen.
't Is dan ook heelemaal verkeerd geweest, dat de Overheid — denk aan Koning Willem 1 — zich met het bestuur en met het beheer van de Kerk heeft bemoeid en zich lang heeft blijven bemoeien en ten slotte de boel verward en bedorven achtergelaten heeft, zonder de Kerk zelve weer terug te geven haar eigen kerkelijke vergaderingen en haar eigen kerkelijk goed.
Neen ! wij zeggen niet, dat we steunen zullen en willen wat leiden kan tot scheiding van Staat en g o d s d i e n s t. Scheiding van Kerk en Staat in liberalistischen geest gaat lijnrecht tegen onze beginselen in. De Staat mag niet atheïstisch, d.i. zonder God zijn. Ook mag de Staat de Kerk niet in haar rechten verkorten. In zooverre moet de Staat zich wel degelijk op de hoogte stellen van den aard en het karakter van 's Heeren Kerk.
De Staat mag b.v. niet uitgaan van de gedachte : de godsdienst, de Kerk is in beginsel gevaarlijk voor iiet volk.
Een kroeg zou niet gevaarlijk zijn. Dertig, honderd menschen mogen er vrij samenkomen. Maar dat een bepaald aantal personen in godsdienstige vergadering samenkwamen, vond de liberalistische regeering in 1834 Staatsgevaarlijk.
In de kroeg zwetsen mocht ; ook zich min of meer als waanzinnigen aanstellen —-om vrouw en kinderen straks ongelukkig te maken.
Maar een groep „Afgescheidenen" moesten met de sabel uiteengejaagd worden, met boete en gevangenisstraf vervolgd en geplaagd.
(Slot volgt.)
Prins Willem van Oranje. I.
„Gelijk 'het eene groote goddeloosheid is den voornaamsten Werkmeester niet de eere te geven, die Hem toebehoort, alzoo is 't een groote zonde niet te erkennen het instrument, van hetwelk wij eenig goed ontvangen" — lazen we ergens als een woord van N. Bijfield.
En ja — het is een groote goddeloosheid Gode de eer niet te geven, waar Hij is de bron en oorzaak van alle goed, ook voor ons volksleven. Maar het is ook een groote zonde , het huis van Oranje te vergeten, waar dit het instrument was, waardoor wij zooveel goeds van den Heere hebben ontvangen
Over Oranje, en wel over Prins Willem 1 gaan we wat vertellen. „Ja, 't was des Eersten Willems hand, die 't ongelukkig vaderland den rang bij 's werelds volken schonk, die de afgunst, die 't Heelal, zoo hei in de oogen blonk" zoo zong Bilderdijk eens. En ieder goed Nederlander stelt daarom immers belang in het leven van den Vader des Vaderlands ? „Ja" — zoo zingt Bilderdijk verder , , Ja, voor dien (glorierijken Vorst, blaakt ieder Nederlandsche borst, en dankt aan zijn vergoten bloed zijn bloei, zijn zelf bestaan, zijn vrijheid van 't gemoed."
Wij rekenen dan ook op aller belangstelling nu.
Den 29sten Juni 1872 is bij het verwoeste kasteel Dillenburg in Nassau door Prinses Marianne der Nederlanden, zuster van Koning Willem II, de eerste steen gelegd van den W i 11 e m s t o r e n, ter gedachtenis en ter eere van Prins Willem 1, die in 1572 — en dus juist 300 jaar geleden toen — het slot Dillenburg verliet, om met een klein leger, dat hij verzameld had, op te rukken tot bevrijding onzer Nederlanden van de Spaansche heerschappij.
Sedert is hij er nooit teruggekeerd I Drie jaren is er over het monument, dat op een matig hoogen toergtop staat, gebouwd en in 1875 is het plechtig ingewijd, op den zelfden datum van de eerste steenlegging.
Die Willemstoren bedoelt te zijn — gelijik de feestredenaar bij de inwijding sprak — een gedenkteeken voor Willem van Oranje, den-grootsten Staatsman, den onwrikbaren held, den edelen volksvriend, den grondvester van de Nederlandsche vrijheid, den martelaar voor het Protestantsche geloof. En de wensch werd uitgesproken, dat God Almachtig dezen monumentalen toren onder Zijn hoede mocht nemen, opdat hij van storm en onweder geen schade zou verduren ; opdat elke bliksemstraal hem mocht verschoonen ; opdat geen beving der aarde zijn grondvesten zou doen wankeien ; opdat hij, voor alle ongevallen bewaard, de eeuwen trotseere tot in het verste nageslacht !
Die bede is aanvankelijik verhoord. En zoo staat daar aan de Dille in Nassau, temidden der spaarzame overblijfselen van een kasteel, dat eenmaal den naam vesting verdiende, het herinneringsteeken hóóg óprijzend in de ducht aan den edelen Prins van Oranje, van wien de landvoogd Don Juan van Oostenrijk eenmaal aan den Koning van Spanje schreef : „Er is in de Nederlanden slechts één man, en zijn naam is de Prins van Oranje."
N a s s a u-D i 11 e n b u r g, dat is de plaats waar de Vader des Vaderlands geboren is ; daar hebben ze het levenslicht aanschouwd die vijf broeders, die hun beste krachten aan de vrijmaking van de Nederlanden hebben gewijd en van wie er vier hun bloed ten offer brachten, opdat in dit bloed de hoeksteen van den Nederlandschen Staat als in een vast cement mocht worden gelegd. N a s s a u-D i 11 e n b u r g met z'n Willemstoren temidden van de groene bergen ; met z'n museum waarin zoo menige gedachtenis aan de lotgevallen van ons volk en vorstenhuis bewaard wordt.
N a s s a u-D i 11 e nb u r g rnet z'n lindeboom, waaronder Willem van Oranje eenmaal temidden van het ouderlijk gezin in zijn kindsche jaren gespeeld heeft en uit den mond van zijn vrome moeder, Juliana van Stolberg, en zijn kloeken, godsdienstigen vader, Willem van Nassau, zoo menige goede les heeft ontvangen.
N a s s a u-D i 11 e n b u rg — 't is voor ons Nederlanders een heilig plekske grond. Daar, daar heeft de Heere den man verwekt die Nederland tot een zeer rijken zegen worden zou. Daar iigt de oorsprong van het Oranjehuis, dat met heilige, onverbreekbare banden met onze natie verbonden is — wat we bizonderlijk in deze tijden weer zoo voelen tot in het diepste van onze ziele, met blijde dankbaarheid aan den Heere, Die ons vaderland dit voorrecht als onverdiende wel daad schenken kwam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's