De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Siichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Siichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

»Gij komt tot mij met een zwaard en met een spies en met een schild, maar ik kom tot u in den Naam des Heeren der heirscharen, des Gods der slagorden Israels, dien gij gehoond hebt."1 Samuel 17 vers 45.

DAVID EN GOLIATH.

Men zegt, dat de hedendaagsche reiziger Palestina in de vallei van Elah nog overblijfselen vindt van reusachtig groote terpetijnbomen, in de nabijheid van het Eikendal, waar eenmaal Israël legerde tegenover de Filistijnen. En men vraagt zich dan vaak af : zou de Heere een monument opgericht hebben in die geweldige boomen met hun telkens afvallend blad ?

Jesaja's uitspraak komt daarbij voor de aandacht, die eenmaal profeteerde : „gij zuil zijn als de terabinten welker bladeren afvallen", en onwillekeurig denkt men aan het feit, dat David in datzelfde Eikendal eens geveld heeft den reus Goliath, wiens kruin verbrijzeld is door de sterkte zijns Gods en wiens bladeren, d.i. al zijn sierlijkheid, met haar afgevallen zijn.

...Dan. , is .er. .„.een Goliathshand". .opgericht, geweest de eeuwen door, een monument van Gods zegenrijke overwinning.

Hoe het zij, dit is in ieder geval zeker, de geschiedenis bevestigt der profeten uitspraak.

Zooals Goliath viel zijn er al heel velen gevallen in den loop der tijden. Als hooge eiken zijn ze geveld door Gods machtige hand, als doode stammen liggen ze neder en hun blad valt af. Vruchten dragen ze niet meer, hun .kracht en sierlijkheid is vergaan. Alleen zijn ze nog nuttig voor het vuur, ter verbranding en ter algeheele vertering.

Doch ook uit een ander opzicht is Davids strijd in het Eikendal der overweging waard, n.l. hoe in, eiken geestelijken strijd het geloof overwint, dat God geeft aan Zijn kinderen.

De Psalmist zingt er van, als hij zegt : „het is in den Naam des Heeren dat ik ze vcrhouwen heb." In Zijn Naam, dat is ook in Zijn kracht, door Zijn gunst en onder Zijn zegen. Zoo wordt het altijd een overwinning door het geloof en zoo ontvangt de Heere er ook alleen van de eer en de lof en de dankzegging.

Het strijdtooneel, ons in dit hoofdstuk van Samuels eerste boek geteekend, doet ons drie personen op den voorgrond treden : Goliath, Saul en David.

Welke contrasten zijn die drie mannen ! Goliath, dat Enakskind van Gath, op zich zelf al een reliquie uit Josua's dagen, met een lengte van tien voet en een harnas geweldig zwaar, een spies als een weversboom, in bewustheid van bovenmenschelijke kracht, en met een stem, die pochte en uitdaagde en zich verhief boven alle menschelijke stem.

Saul, ook zoo'n groote figuur, van zijn schouder opwaarts hooger dan elke mannelijke gestalte, doch inwendig zwak en geknakt, een gebroken menschenkind, in vreeze en beven, zijn hoop stellend op de ijdelheid der menschen.

David, een jongeling, „teeder en gering", klein en roodachtig, met een slinger en, een tasch, staande in Gods kracht, machtig door het. verbond met .den Heere, zeker yan zijn overwinning.

Een drievoudig beeld, dat kleine tafereel in het Eikendal, van het groote gebeuren, dat we zien in den gedurigen kamp op het strijdtooneel in de groote wereld.

Daar hoort gij de lastertaal van den pochenden Goliath, daarbij de morrende stem van het ongenoegen opstijgend uit het benauwde Sauls-hart, en daartegenover ' de kloeke taal van den manhaftigen David, die het met zijn God alleen doen wil.

Wat een dagelijksche conflicten tusschen die drie ! Wat een gedurige strijd onder de verschillende partijen, maar ook wat een contrast bij het beschouwen der figuren, die op dit tooneel aan ons oog zich vertoonen !

Gelukkig die als David dan 'staat in de kracht Gods en spreekt de woorden Gods en strijdt den strijd Gods en roemt in de gunst Gods !. Zijn taal is geloofstaal, die ons zegt hoe zijn geloof in het Eikendal is beproefd, doch heerlijk gekroond en roemvol geprezen.

Van beproevingen wordt hier gewag gemaakt, want Davids ontmoeting met Eliab was verre van aangenaam. Dat zijn de speldenprikken, die de kinderen Gods van de wereld ontvangen, .als zij belangeloos hun dienst presenteeren, en zonder toedoeling vragen naar toestand en welvaren. Die fijnere steken, die harten wonden en tranen doen schreien in de eenzaamheid voor God.

Maar hoe werd hij daarna bedroefd en teleurgesteld in 't leger van zijn volk Israel ! Wat deed die angst en die vreeze hem pijnlijk aan ! Was dat Gods volk, dat uittrok in de mogendheid des Heeren ? Wel een heel bittere teleurstelling die kennismaking met de slagorden Israels, die lagen in de valleien van angst en vreeze. Nochtans laat hij zich niet ontmoedigen. Het liefdevuur voor de zaak des Heeren ontvlamt in zijn hart. Door ergernis gesterkt gordt hij zich aan ten strijde.

Maar het wordt nog erger ! Straks staat hij voor den koning zelf, want de koning zal het heerlijk vinden, zoo meent hij, als een zich aanmeldt voor den strijd met Goliath. Moede van het schelden van den vijand, zal dat zijn hoop doen opleven.

En ach, weer een teleurstelling wacht hem : , , maar, mijn jongen, zoudt gij dat kunnen ? !"

Saul is zijn God kwijt en denkt, dat het met David ook zoo gesteld is. Gij ? gij alleen ? een jongeling, en geen krijgsman ?

Wonderlijk, ook dit neemt Davids moed niet weg. Hij heeft den leeuw en den beer verslagen, zoude hij het met God dan niet wagen tegen den lasteraar van God en Zijn volk ?

Saul laat zich overhalen. „Gij moet het zelf dan maar weten." Schouderophalend wendt hij zich af. Voor Saul is het een vraagstuk.

Denkt gij dat David er nu is ?

Een vierde beproeving wacht hem. Saul komt met de wapenrusting. „Trek die dan tenminste nog aan. Dan hebt ge nog wat !" Zooals schijngeloof zich wapent met dé uitrusting uit het tuighuis der wereld om den geestelijken kamp te wagen.

Echter, , ook dit is de laatste beproeving niet. Zoo waagt hij het niet om ten aanschouwe der duizenden vooruit te treden of de scheldwoorden breken als een stroom los en de lastertaal wordt uitgebraakt uit mond en hart van den Godonteerenden geweldenaar der Filistijnen. Als donderslagen vielen zij neer op Davids vroom en teeder gemoed, een losbarsting als van een onweder op den held, die dreigde te bezwijken, zooals de gebeukte kust het onder de aanrollende golven moet opgeven.

En toch, David mocht ze in de kracht des Heeren weerstaan. Wel beproefd, doch niet bezweken. Nog staat 'hij in volle kracht, omdat hij stond in het volle geloof, dus in het volle licht, en hij wist : de Heere zal het maken, die toerust ten strijde, en die Zijn volk de overwinning geeft ten dage hunner benauwdheid.

David waagt het met dien God alleen. Zoo kan hij en zal hij overwinnen.

Wat een oogenblik is dat geweest; waarin de jonge man, de eenige uit Israels slagorde, zich opmaakte om den reus in het Eikendal te bevechten ! Hoe is aller oog op hem geslagen, hoe beeft aller hart bij de gedachte, dat hij straks zal worden verpletterd onder geweldige slagen.

Maar geen nood ! Ongeloof heeft een groot woord vóór den strijd, maar trekt zich terug als het beslissende uur daar is, maar het geloof breekt door in het bangst gevaar en slaat neer wat zich tegen den Heere verheft.

Welk een taal klinkt daar voor aller oor ! Niet de smaadtaal van Eliab, niet de bange woorden van den bezwaarden Saul, niet de lange deliberaties van het wikkend en wegende volk in de slagorde, niet de lastertaal van den geweldenaar, maar die taal, die David doet hooren, uit volle borst, met krachtige stem, is de geloofstaal van den man, die weet dat de Heere de Overwinnaar Israels is, die steunt op de kracht zijns Gods

„Ik kom tot u in den Naam van Israels God, dien gij gehoond hebt."

En die Naam is meer dan een klank, is een openbaring aan zijn ziel, die innerlijke kracht geeft en die aangordt, die doet doortasten en doet rekenen op volkomen overwinning.

Gods Naam is Davids levenskracht en zaligheid.

Zou hij niet haten dien God haatte ?

En zou de Heere den snoever niet verdelgen voor Zijn oogen ?

Zou God het dulden, dat Zijn Naam en eer werd aangetast en gehoond ?

Als niemand het voor den Heere opneemt dan zal de Heere Zelf wreken Zijn schandelijk onteerden Heiligen Naam.

Merkt ge, zoo staat hij in Gods kracht.

Zoo strijdt hij om de eere Zijns Naams. Maar zoo is zijn voortgang ook in Zijn gunst, en in de wetenschap dat de Heere het maken zal.

Ik zie hem gaan en staan en slingeren. Met overleg heeft hij vijf gladde steenen uit de beek meegenomen. Met gebed in zijn ziel treedt hij voorwaarts : „Heere, zegen den worp 1" Met inspanning van alle krachten valt hij aan op den ijdelen snoever, en in de wetenschap, die slingering zal treffen, zwaait hij het wapentuig door de lucht. Hij slingert, slingert-, slingert, en daar zoemt de steen door het luchtruim, totdat hij treft en ter aarde doet slaan den geweldigsten der vijanden. •

Een reuzenoverwinnmg in eigenlijken zin, in figuurlijken en in geestelijken zin.

En zoo moeten vallen al Uwe vijanden, o Heere ! Zoo vallen zij ook op Gods tijd en in 's Heeren kracht.

David blijkt de sterkste, en die van den Heere werd toegerust zal met den Heere niet beschaamd uitkomen.

Was die steen die trof niet de sterke God, die den reus Goliath velde ? En kon gansch Israël toen niet zingen van de mogendheid des Heeren, die overwinning bracht.

Wat is hij machtig, die in den geestelijken strijd den Almachtigen God aan zijn zijde heeft, en wat wordt de aanval èn licht èn zeker, als de Heere de 'hand 'bestuurt, die uitgestoken wordt tot den vijand, die de eere Gods aanrandde !

Zoo ergens, dan heeft hier het geloof de overwinning behaald. Dat geloof, wel beproefd, werd toch gekroond, en in de zegepraal gaf de Heere den zegen op Davids geloof dat zich vastklemde aan den onzienlijken Bondsgod.

Een geloof dat beproefd, dat gekroond, maar dat ook geprezen werd.

Mijn lezers zijn mij bij de overdenking al vooruit gesneld. Van het Eikendal zijn uwe gedachten gevloden naar het kruis van Golgotha. In uw hart denkt gij aan Een, die grooter overwinning behaalde dan David op Goliath.

Wie is Hij, die daar voorttrekt in Zijn groote kracht ? Was Jezus' leven niet éen strijd. Zijn sterven en opstanding niet één overwinning op de Godonteerende machten der duisternis ?

En heeft Hij niet getriumpheerd met een volkomen overwinning over allen, die Hem belasterden en tegenstonden ?

Davids overwinning is voorwaar een zwak schaduwbeeld van Christus' overwinning.

Maar — en hierom is het ons enkel in deze meditatie te doen — welke is de vrucht daarvan voor al Zijne kinderen ? Dat zij in zoo menigen strijd des levens niet omkomen, maar in Zijn kracht overwinnen.

Als die Held opstaat, dan gaat de christen ten strijde. Dan valt de valsche gerustheid weg en de vonden van de menschen blijken waardeloos, gelijk menschelijke middelen zonder baat, en dan wordt het gewaagd in de kracht des Heeren alleen.

O, wat staat zoo'n ziel dan sterk in haar God, wat gaat dat voorspoedig in de sterkte Zijner macht!

Hoeveel er ook te verduren is van de zijde der wereld of der vromen of der godslasteraars, het is slechts een geloofsbeproeving, waardoor de Heere doorhelpt, omdat Hij, die „bij ons is meer is, dan die bij hen zijn."

Buitengewone sterkte ligt er dan in de hulpe des Heeren en bekere wetenschap voor de overwinning bij gedurige geestesvertroostihg, " innerlijk aan het hart bevestigd.

Neen, de Heere begeeft en verlaat Zijn volk niet in de beslissende ure van 's levens strijd en 's levens smart. Hij, die getrouw is, zal het maken.

Goliath moet vallen en de Heere zal overwinnen.

En dan valt hij nog wel door zijn eigen zwaard, want als de slingersteen hem heeft getroffen, maakt David hem af met zijn eigen wapen.

Hoe vaak hebben wij dat gezien, dat de vijand gevallen is door den strik, zelf gespannen voor anderen, in of door het zwaard, zelf gewet voor den naaste !

Maar de Raad Gods is niet anders. En daarom zal het zoo geschieden.

Eenmaal valt de snoevende Satan zelf ook, met zijn taal der lastering, als zijn da­gen geteld zullen zijn, en de poel des vuurs zal geopend worden.

Eenmaal valt de snoevende wereld ook met al de hemeltergende lasteringen, waarmee zij den Heere en Zijn volk, Zijn werk en Zijn genade hebben gelasterd.

Eenmaal valt ook dat snoevende hart, dat dreigde blazing en moord tegen de zaak en den Naam des Heeren, indien het zich niet laat bekeeren van de terging waarmede het den Heere getergd heeft.

Daarom is deze geschiedenis zoo leerrijk tot onderzoek onzer eigene ziel.

Goliath woont van nature binnen in ons eigen hart.

Gelukkig de mensch, die er aan ontdekt wordt en zich verootmoedigt voor den Heere.

Dat vallen voor en onder God is altijd ten zegen. Zoo worden reuzen onder de menschen arme zondaren voor God, die roemen in Zijn eeuwige liefde.

Toen de Geweldigste dood was, vluchtten de Filistijnen, maar Israël juichte. Wat waren zij blijde !

Waarom ? Waarover ? Omdat het onheil afgewend was of omdat de Heere zioh betoond had als de Machtige ? Omdat Davids geloof bekroond was en hij, de kleine onder het volk, verhoogd was dpor den Heere ?

De vrouwen hebben er van gezongen.

Was hun lied een hartelied, een lofzegging voor haren God ? Dat het zoo geweest ware bij menige ziel, gelijk het was in Davids hart dat God de eere gaf.

Zalig als we leerden meeleven en meebidden met het strijdende volk van God, dan ook leerden we meedanken en jubelen.

Gelukkig die het zeggen kan : „Gij zaagt uw strijd bekronen", en van die krone den zegen mag wegdragen.

Saul was verbaasd en verstomd. Type van de onbekeerde vroomheid, die het aanziet, maar er geen zegen uit wegidraagt.

Om zijn figuur te redden, geeft hij David een woord van dank en een geschenk.

Maar zijn ziel deelt niet in de vreugde van Gods overwinning.

Helaas, zoo zal het velen gaan. Maar de buit valt in de hand diergenen, dien het bereid is.

Onderzoeke dan een ieder zichzelf of zijn gang is een gang des geloofs, en zijn strijd een strijd des geloofs.

Overwinning Gods zal eenmaal zekerlijk uw deel zijn, tot beschaming van de vijanden, tot vreugde van allen, die in waarheid den Naam des Heeren aanroepen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Siichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's