De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

De verhouding van Kerk en Staat.

(Vervolg en Slot.)

En dan durft de Nieuwe Gorinchemsche Courant in 1891 nog heel dierbaar te schrijven, dat het een onuitwischbarè schandvlek zou zijn, als de Staat zijn machtige en onpartijdige hulp weigerde te verleenen, om 'een ideale zaak als de religie te steunen, waarbij het hoogste belang van de ovérgroote meerderheid der bevolking betrokken is. „Ook wij plaatsen ons op het standpunt van Thorbecke, ja, al waren er geen historische rechten, al kon men slechts gewagen van toegefelijkheid, van gemoedelijke inschikkelijkheid onzer voorvaderen, dan nog zouden wij — aldus de N. Gorinchemsche Cour. — „ons als vrijwilligers laten inlijven bij het leger, dat aan den godsdienst de noodige sappen wil doen toevloeien om zijn zegenrijken invloed op de bevolking te kunnen uitoefenen."

Wat mooi klinkende woorden. Maar wat wonderlijke practijken werden en worden er op na gehouden !

Denk aan de actie tegen de Afgescheidenen ; denk aan den Schoolstrijd ; denk aan den strijd in de Hervormde Kerk.

Neen — we hebben te dicht bij Gorcum gewoond, om helaas ! niet te weten : „hoe dichter bij den Paus, hoe slechter Roomsch."

Als wij aan de Nieuwe Gorinchemsche Courant denken, denken we meer aan het afknijpen van levenssappen, dan aan het doen toevloeien van de noodige sappen

De Staat heeft dus de religie, de Kerk te eerbiedigen, te helpen, te steunen ; — maar ieder op eigen terrein.

Want over 't algemeen vindt men het nog wel aardig, dat de Kerk zoo'n beetje de dienstmaagd van de Regeering is. Daar heeft de Overheid dan ook nog wel wat geld voor over. 't Is een steun in den rug. 't Is ook uitnemend tegen revolutie, enz. De brandkast staat er ook niet onveiliger door. Daarom zijn er nog wel tal van menschen; die er niet tegen zijn, dat de godsdienst, dat de Kerk van Staatswege wordt geholpen met wat geld. Zelf moeten ze er wel niets van hebben. Maar laat de groote, domme schare zich maar vergapen aan den godsdienst, aan de Kerk, enz. 't Geeft een veiliger en rustiger gevoel voor de heele samenleving

Maar zóó willen we niét, dat de godsdienst en dat de Kerk misbruikt zal worden ; en dat alles gegoten zal worden in het model van deze of gene liberalistischgezinde of kapitalistisch-voelende groep of partij.

Neen ! de Overheid zal Gods dienaresse behooren te zijn.

Ook hierin, dat zij God diene op eigen terrein — en dat de Kerk van Christus vrij zij en vrij blijve op haar terrein.

En zoo zal er binnenslands naar gestaan moeten worden, zooals het b.v. in de Koloniën moet. De Kerk van Christus vrij op eigen terrein ; de Kerk van Christus het Woord uitdragend onder de niet-Christelijke volkeren. Daarbij hier en ginds ervarend, dat de Regeering den godsdienst en de Kerk niet Staatsgevaarlijk acht; dat de Regeering ook niet het werk, dat der Kerke is, aan de Kerk wil onttrekken; maar dat de Regeering de Kerk overal in haar eigen sfeer wil laten en haar overal, waar  het mogelijk is, wil steunen en helpen.

De Staat moet dus niet neutraal, d.i. vijandig, godsdienstloos, atheïstisch zijn.

De Staat moet overal waar 't pas geeft optreden tot bevordering van den godsdienst en moet opkomen voor de eere Gods en de heiliging van Zijn Naam. De Overheid moet zich niet schamen om voor Gods eer op te komen. Maar —daarvoor behoeft ze geen kerkje te gaan spelen.

Laat ons een paar voorbeelden noemen. In tijden van volksrampen moeten, als 't goed is, boet-en bededagen worden uitgeschreven. In de gevangenissen moet hel Evangelie worden gepredikt. Veldprediking onder de troepen te land is noodig ; ook vraagt de vloot om geestelijke verzorging.

Hier heeft de Overheid een taak en zij schame zich niet om op te komen voor Gods eere en te gaan in den weg van Zijn Woord.

Maar zij moet het zóó doen, dat de Overheid de Kerk gebruike, om te kunnen bereiken, wat zij van Godswege heeft voor te staan. De Kerk blijve hier Kerk.

En de Overheid, — die n i e t godsdienstloos mag wezen, maar geen kerkje spelen mag — kwijte zich zoo goed mogelijk, ook zoo royaal mogelijk, van haar taak, door middel van de Kerk(en).

Hier liggen o ! zooveel moeilijkheden ; waarover tal van menschen blijkbaar niet eens denken. Voor zulke menschen is di. probleem spoedig opgelost; maar men moet niet vragen hoe?

Daarom moet er naar gestaan worden, om duidelijk te zien wat de Overheid als Christelijke Overheid te doen heeft.

En dan gelooven we, dat het onderscheid tusschen de heidensche en de Christelijke wereldbeschouwing hier ligt : de heidensche (Grieksche) beschouwing was, dat de Staat alles was en dat de menschen, als individuen, van en voor den Staat waren.

Terwijl bij de Christelijke beschouwing op den voorgrond is gekomen de betrekking van den mensch tot God. De persoon des menschen — denk aan de militairen, de matrozen, de zieken in de openbare ziekenhuizen, de gevangenen, enz. enz. — krijgt zoo een waarde ver boven aardsche doeleinden verheven. En daar heeft de Overheid, die Gods dienaresse is, bij alles op haar eigen terrein rekening mee te houden.

De Staat in zijne allesomvattende pretentie moet teruggedrongen worden voor de waarheid van de Christelijke religie : dat men Gode meer te gehoorzamen heeft dan den mensch. En zoo is het Christendom dan ook onvereenigbaar met den absoluten Staat. We moeten hebben een Overheid en een Staatsleven, waarbij gevoeld en beleden wordt: dat er geen gezag is dan door Hem, die als de Almachtige in den beginne alles heeft geschapen en sinds dien tijd alle dingen bestuurt naar Zijn Raad en welbehagen.

En voelt de Overheid dat, dan heeft zij er ook naar te handelen.

Het volk, het volksleven — alsook de on­ derscheidene kringen van militairen, gevangenen, enz. enz. — komen nu onder licht van Boven. De Overheid heeft daar rekening mee te houden. En zij heeft dat te doen, door de Kerk te helpen.

Welke Kerk? Bv. in de gevangenissen. De Herv. Kerk of de Roomsche Kerk? •

We zouden zeggen : de Overheid heeft de burgers van Nederland en de Nederlandsche Kerken — tenzij ze Staatsgevaarlijk zijn, dan heeft de Overheid in te grijpen — allen op gelijken voet te behandelen. En daarom in de gevangenissen moet de Overheid voor de Hervormden, maar ook voor de Roomschen zorgen, door middel van de Kerk, dat de gevangenen, die door een Christelijke Overheid anders zullen beschouwd worden dan door een heidensche Overheid, naar behooren ook godsdienstig, geestelijk, goed verzorgd worden.

, Nu zijn er menschen, die b.v. ten opzichte van de Roomschen zeggen : dat zijn geen menschen ! En ten opzichte van het Roomsche geloof: dat is poppenkasterij !

Zulke menschen moeten natuurlijk ook consequent zijn en zeggen, dat een Christelijke Overheid dan op de vloot en in het leger en in de ziekenhuizen en in de gevangenissen ook geen pastoors enz., moet toelaten. En zeker niet financieel moet steunen wat door de Roomsche Kerk onder de militairen en in de gevangenissen gedaan wordt

Dat zou wel een-consequente en makkelijke oplossing zijn. Maar een Christelijke Overheid zal haar taak toch anders zien, naar we meenen.

Een Christelijke Overheid heeft niet uit te maken of het Roomsche geloof „poppenkasterij"" is. Een Christelijke Overheid heeft niet te zeggen : Roomschen zijn geen menschen. Een Christelijke Overheid heeft niet zelf kerkje te spelen, maar heeft zich wel te wachten, dat zij b.v. de Roomsche Kerk verbiedt te werken onder de militairen en in de gevangenissen. Zij heeft zich wel te wachten, dat burgers van Nederland in hun geestelijke verzorging benadeeld worden. En zij heeft allen geestelijken arbeid der Kerken zooveel mogelijk vrijheid te geven en zooveel het noodig is te helpen en te bevorderen.

Natuurlijk is hierbij 't mooiste, als de Kerk — 't zij de Protestantsche of de Roomsche Kerk — haar arbeid zelf bekostigt. Zij staat dan vrij èn zij staat dan hóóger, dan wanneer de Overheid-alles betaalt. O ! het is zoo heerlijk als de 'Kerk zelf voelt waar het bij al haar arbeid om gaat. En als zij het zelf betaalt, wordt er óók vee! meer voor gevoeld, voor gebeden, voor geijverd. Maar schiet de Kerk tekort in krachten — waarbij zij wel ernstig heeft te onderzoeken uit wat oorzaak dat komt! — dan heeft de Overheid hier bij te springen.

Zoo willen we geen neutralen Staat; geen anti--Christelijke Overheid ; geen atheïstische Regeering.

Integendeel ! We wenschen een Christelijke Overheid, die zich van Godswege geroepen voelt en er naar staat om het volk in Christelijke wegen te leiden. Héél de Staatsinrichting moet aan de Christelijke moraal beantwoorden : huwelijk, openbare eenbaar heid en zedelijkheid, eed, enz. Het huwelijk moet in wezen onontbindbaar worden geacht ; de dag des Heeren moet in het midden van het openbare leven worden geëerbiedigd, enz. In één woord : de Christelijke Overheid heeft er naar te staan, dat we naar Christelijke ordening een gerust en vrij leven hebben en houden. Waarbij èn de zelfstandigheid van den Staat èn de zelfstandigheid van de Kerk moet worden bewaard.

Zoo zijn wij dus geenszins voor scheiding van Staat en godsdienst.

Want wij belijden dat het eigenlijke, het wezenlijke van de roeping van de Christelijke Overheid is, om den Christelijken Staat in te richten naar de levensbeschouwing des Christelijken geloofs. De wetten des lands, de openbare instellingen, de handelingen van de Overheid en het volksleven moeten een Christelijk stempel dragen. De Christelijke levensbeschouwing moet op den aard van den Staat en op de inrichting daarvan inwerken. Heel het openbare leven moet den invloed ervaren van het Christendom ; op sociaal en politiek gebied moet een Christelijk 'stempel staan ; het familieleven. Staats en Volkerenrecht, héél de cultuur moet open baren dat het Christendom eigene eischen stelt, uaarom een Christelijke Overheid.

Maar van een Staatskerk, van een heerschende Kerk of hoe men 't noemen wil, moeten we niets hebben; Ook moet de Overheid geen kerkje gaan spelen. Staat en Kerk hebben, en moeten houden, ieder een eigen terrein. Wat God vereenigd heeft, moeten wij niet scheiden. Staat en godsdienst hooren bij elkaar. Wat de Heere scheidde, moeten wij niet vereenigen. Staat en Kerk hebben van Godswege ieder een eigen terrein.

Deugd en onsterfelijkheid.

Bij den overgang van de 18de naar de 19de eeuw was het rationalisme aan het woord. De ratio, d.i. de rede of het verstand van den mensch werd voldoende geacht als toetssteen en kenbron der Waarheid. Als de mensch zijn rede, zijn verstand, (ratio) maar goed gebruikte kon hij komen tot de kennis Gods. Een bovennnatuurlijke openbaring was overbodig. Het verstand was genoegzaam om te komen tot kennis der waarheid en alles wat met het verstand niet overeen te brengen was, werd als onwaar verworpen. De wonderen werden door het verstand op natuurlijke wijze verklaard. Jona is niet in een visch geweest ; maar is, na schipbreuk geleden te hebben, in een logement „de Walvisch" genaamd, opgenomen.

Van 't Kerstfeest bleef niet veel over. Men preekte op 25 December over het nut van stalvoedering en met Paschen werd een verhandeling gehouden over vroeg opstaan.

Sprak men over Christus dan was de zedelijke voortreffelijkheid van Jezus het onderwerp. De erfschuld werd niet aanvaard ; de leer der genoegdoening en der verzoening werd als „bloedtheologie" verworpen. Van de leer der laatste dingen bleef alleen over de onsterfelijkheid en de vergelding. Met de Godsregeering rekening te houden achtte men niet wetenschappelijk. En evenals op elk terrein de rede, het verstand des menschen, de beslissing moest hebben, zoo was het ook in den Staat, in de Maatschappij, in de Kerk en in de School. Recht, zedelijkheid enz. berustte op onderlinge afspraak ; en beviel iets niet, dan moest schoon schip worden gemaakt om tot iets nieuws te komen. Het souvereine volk moest dan maar beslissen wat er zou geschieden.

Natuurlijk werd de waarheid der Schrift als onredelijk verworpen. Wel werd in Nederland — waar men niet zoó ver ging als in Duitschland — nog vastgehouden aan de hoofdwaarheden der H. Schrift. Nog werd gehandhaafd de openbaring en op allerlei redelijke en historische gronden werd nog veel van de waarheid bewaard. Men was hier z.g.n. rationalistisch-supranaturalistisch. Boven de natuur uitgaande dingen waren er. Dat geloofde men. Maar een van God geopenbaarde waarheid mocht niet en kon niet met de rede, het verstand, strijden. Wel kan b.v. iets in den Bijbel voorkomen, dat boven de rede uitgaat, maar het kan — zoo leerde men — niet tegen de rede ingaan. Dat doet God, de hoogste rede, niet.

.Zoo werden de apostelen en ook Jezus hoogstaande menschen, die veel goeds geleerd en gedaan hebben en die God verstandiger deed zijn dan hun tijdgenootén ; daarom moeten wij ons ook aan hun gezag onderwerpen. Louter dus een verstandsredeneering !

Omdat men zelf bewezen had, dat de Bijbel waarheid bevatte en bevatten kon, wilde men zich aan den Bijbel onderwerpen. Waar bleek, op verstandsgronden, dat de Bijbelschrijvers niet betrouwbaar waren, daar was de reden om te gelooven weg. Want gelooven was een zuiver verstandelijk aannemen der waarheid.

De hoofdleeringen waren : God, deugd en onsterfelijkheid. Men moest God lief hebben, braaf en deugdzaam leven en de hoop op de eeuwige zaligheid vasthouden.

Een voorbeeld hoe oppervlakkig een man als de dichter Johan Eusebius Voet het Schriftwoord : „de Heere kent den weg der rechtvaardigen" opvatte blijkt uit zijn berijming van Ps. 1 : 4, zooals wij die nu nog hebben en zingen :

De Heer toch slaat der menschen wegen ga. En wendt alom het oog van zijn gena Op zulken, die, oprecht en rein van zeden. Met vasten gang het pad der deugd betreden.

Sterker komt dat uit in Gezang 192 : 1. Na een proef van weinig dagen Is ons eeuwig heil bereid ; Daar, daar, verandert al ons klagen. Voor eeuwig in tevredenheid : Hier oefent zich der vromen deugd. Die d' eeuwigheid bekroont met vreugd, of zooals bezongen wordt in het 11de vers, dat de eene mensch den ander behouden kan door zijn vrome raadgevingen en door zijn vriendelijke hulp : Daar roept, o mocht mij God dit geven ! Veelligt een zalig' ook tot mij ; „Wees welkom, gij hebt mij het leven, De ziele mij behouden, gij !" O God ! wat zaligheid, hoe groot ! Een ziel te redden van den dood.

Echt .uit dien tijd van „deugd en braafheid" !

Waarbij ook past, dat de dood is, niet een voor God verschijnen, maar een komen tot een hooger bestaan. Zooals dan ook de dichter van Gez. 182 zingt (1ste helft 1ste vers en middengedeelte 6de vers) :

„Hoe zal 't mij dan, o dan eens zijn ! Als ik verlost van smart en pijn,

Ontwaak tot hooger waarde." „Volmaakt in onbesmette deugd, ' En deelgenoot der hemelvreugd,

Niét meer de mensch van aarde".

Waarbij weer zoo echt past, wat staat in Gez. 187 : 7 :

Leer mij, o God ! hier streven, Naar dat recht Christelijk leven,

Dat zulk een eind verwerft. Opdat ik, na dit zwerven.

Ook eenmaal moge sterven,

Zooals de ware Christen sterf

De persoonlijke gezindheid werd alles voor den mensch. Het objectieve schoof hoe langs hoemeer van z'n vast fundament en het subjectieve kwam er voor in de plaats.

Gods openbaring daalde in waarde en de menschelijke gezindheid werd 't geen waarop alles werd gebouwd. Waarbij tegenover de verdorvenheid van 's menschen natuur gesteld werd het plichtsbesef; tegenover de verzoening door 't bloed van Christus de waardig'heid en zedelijke kracht des menschen en Gods goedheid en liefde dekte alles, tot een blij verschiet voor alle deugdzame en brave menschen, die Jezus wilden erkennen als voorbeeld en ieder 't zijne gaven.

De schuchterheid in het heilige verdween ; er kwam een vrijmoedige geest in deze. De klacht over de zonde en het smeeken om genade werd niet meer gepredikt als noodzakelijk om te kennen bij eigen zielservaring Veel meer werd gepredikt de dankbare aanbidding jegens God ; die het geluk van al Zijn schepselen bedoelt en ons „vriendelijke raadgevingen en vaderlijke voorstellingen van de middelen tot dat geluk biedt" — zooals J. van Geuns in 1797 schrijft.

Algemeen was men godsdienstig, deugdzaam en verdraagzaam. En dat het verstand eere werd toegebracht blijkt o.a. uit een vers van Betje Wolff:

O Rede ! dierbaar pand ! o Hemelwaarde gift, Door wien men 't waar van 't valsch, het goed van 't .kwade schift.

Behoed ons dat w'ons nooit aan schijngeluk vergapen.

De mensch voelde zich nog al! De rede, het verstand werd alom verheerlijkt. Men liep in den weg door Rousseau en anderen afgeteekend.

Het gevoel van menschenwaarde werd opgewekt en aangekweekt, waartoe in 1784 ook de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen werd opgericht.

Het doel van deze Maatschappij was de aankweeking van christelijke en maatschappelijke deugden, de algemeene zedelijkheid en volksverlichting. Zij stelde zich op den bodem van den natuurlijken godsdienst en dus — tegenover het positieve Christendom. Alle kerkelijke leerverschilien moesten wegvallen. De stichter, Jan Nieuwenhuyzen, Doopsgezind predikant, wordt geroemd als:

Steeds vriend van Waarheid en Verlichting Van Godsdienst, Deugd en Vaderiand.

De beginselen, waarvan het Nut uitging, waren : De Heilige Schrift is een handboek voor de moraal ; zij leert ons hoe wij de deugd moeten betrachten. Met de leer van zonde en genade werd niet gerekend. Door geschriften en door Opleidingsscholen werd de nieuwe rationalistische en naturalistische paedagogiek verbreid. Deze beginselen werden belichaamd in de Sehoolwetgeving.

In 1801 werd een Schoolwet, door Van der Palm opgesteld, geheel in den geest van de naturalistische paedagogiek, voorgesteld. Het onderwijs moest volgens haar „door ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen geschikt zijn, om hen tot redelijke wezens te vormen en wijders in hunne harten te prenten de kennis en het gevoel van dat alles, wat zij aan het Opperwezen, aan de maatschappij, aan hunne ouders en aan hunne medemenschen verschuldigd zijn."

De Schoolwet van 1806 keert schijnbaar tot betere beginselen terug, doch de geest welke daarin ademt, is ook de geest van het Nut. Art. 22 zegt: dat „de verstandelijke vermogens der kinderen moeten ontwikkeld en zij zelf opgeleid tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden." Het vormelijk Christendom, het gebed enz., werd nog gehandhaafd, maar het onderwijs in den Christelijken godsdienst werd volgens Art. 23 afgescheiden van 't schoolonderwijs en werd aan de Kerk overgelaten.

Uit al de uitingen in de litteratuur dier dagen blijkt, dat diepte van zondebesef weinig gevonden werd. Daarom was er ook geen schreiende behoefte aan vergeving van zonden, aan verlossing en verzoening. Men nam de overgeleverde leerstellingen van zonde en genade, van geloof, verlossing en verzoening in verzachten vorm aan, doch men drong niet door tot de kern der zaak. Men verlangde naar een rustig, practisch Christendom en wilde zich voorzichtig wachten voor uitersten, voor buitensporigheid en dweeperij. De dames Wolff en Deken beoogden deugd en verlichting aan te kweeken, maar lieten niet onduidelijk in hare romans : Sara Burgerhart en Willem Levend, haar afkeer merken voor de schijnheilige fijnen, vroeger o.a. door Asselijn en Van Effen gegeeseld. Haar godsdienst was de vrijzinnigheid, die deugd stelt boven het dogma.

Met den algemeenen geest, een geest van vrijzinnigheid, die deugd stelt boven dogma, stemde in het begin der 19de eeuw overeen de geest die in het onderwijs en in de opvoeding der jeugd heerschte. Deze geest wordt duidelijk aangegeven in het leesboekje: De brave Hendrik, van Nicolaas Anslijn (1777—1838).

Anslijn was sinds 1807 hoofd van een Armenschool te Haariem. In 1819 legde hij wegens gezondheidsredenen deze betrekking neer en gaf sedert privaatonderwijs. Voor schoolgebruik schreef hij twee leesboekjes „De brave Hendrik" en „De brave Maria", waarvan vooral het eerste veel opgang maakte. In 1849 werd het zelfs in het Engelsch vertaald en hier beleefde het in 1867 een vijftigsten druk ! Anslijn zelf hield zijn boekje voor een meesterstuk en de menschen waren eveneens van de hooge waarde van zijn geschrift overtuigd. Zelfs Nic. Beets, die van hem onderwijs genoot heeft in 1838 nog woorden van dankbare hulde aan Anslijn gewijd.

Voor de kenschetsing van den geest des tijds is het goed een en ander uit dit boekje over te nemen. Het begint aldus :

De brave Hendrik.

„Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijn hoed afneemt als hij voorbij gaat?

Vele menschen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt.

Hij doet nooit iemand kwaad.

Er zijn wel kinderen, die hem niet liefhebben.

Ja, maar dat zijn ook ondeugende kinderen.

Alle brave kinderen zijn gaarne bij Hendrik.

Kinderen die met Hendrik omgaan worden nog braver, want zij leeren van hem, hoe zij handelen moeten.

Als Hendrik zoo braaf is, dan zal hij ook zijne ouders wel liefhebben.

Alle brave kinderen hebben hunne oudeis lief".

En verder:

„Ik prees Hendrik om zijne gehoorzaamheid, maar hij wilde niets daarvan hooren.

Wat denk je dat hij mij antwoordde ?

Mijne ouders weten zeer wel waarom zij mij iets gebieden of verbieden.

Zij weten ook wel wat mij nuttig of schadelijk is.

Foei ! zou ik ongehoorzaam wezen ? Zou ik mijne ouders bedroeven ? "

Zoo wordt „de brave Hendrik" ten voeten uit geteekend.

Hendrik is altijd vroolijk en vergenoegd en hij krijgt toch niet alle dagen lekker eten en drinken. Heiidrik heeft geen fraaie kleeren, maar ziet er toch altoos netjes uit. Er zit nooit een vlekje in zijne kleeren. Hij is altijd gehoorzaam, nooit knorrig, ook niet als zijne ouders hem iets verbieden. Andere jongens worden door Hendrik terecht gezet als ze verkeerd gehandeld hebben. Op school ontvangt Hendrik altijd mooie prijzen, maar hij is er niet trotsch op. Hij denkt dat ieder zoo moet doen en hij is daarbij tevreden over zich zelf.

„Lieve kinderen", zoo besluit het boekje, „volgt slechts het voorbeeld van Hendrik en het zal u welgaan."

De godsdienstige zijde der opvoeding komt heel goed uit in dit versje : Een deugdzaam kind Ziet zich bemind Bij alle brave menschen ; Wie zou dat niet naar wenschen ? Maar grooter loon En eerekroon Kan hij bij God verwachten : Wie zou daar niet naar trachten ?

Zooals we reeds zeiden heeft N. Beets, leerling van Anslijn, dit boekje in 1838 gunstig beoordeeld. Hij, zei er dit van : „Wel mocht het een kleine kinderbijbel heeten! Want het leerde ons niet maar lezen ; het was een kort begrip van kinderlijke zedeleer en de plichten van gehoorzaamheid, van orde, van eerlijkheid, oprechtheid en zedigheid leerden wij daarin, tegelijk met de beteekenis eerbiedigen".

Later, toen van der Brugghen in het Nijmeegsche Schoolblad het boekje aan een geduchte kritiek had onderworpen, heeft Beets zijn gunstig oordeel teruggenomen. Hij kwam toen gelukkig tot een andere conclusie. Omdat de weg der zaligheid anders ligt, zoowel voor de grooten als voor de kleinen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's