Stichtelijke overdenking.
»En de Heere sloot achter hem toe.« Genesis 7 vers 16b.
VOLKOMEN VEILIG.
Het is toch zulk een eenvoudige waarheid. Een kind kan het vatten. Noach wordt door den Heere behouden. Hij zou in zijne onwelendlieid wellicht de deur verkeerd hebben aangebracht, niet aan de buitenzijde sluiten, doch van binnen.
Neen, zegt de Heere, van de buitenzijde moet ze worden toegedaan.
Ziet, daarin schuilt nu de volkomene veiligheid van ieder, die voor Gods Woord buigt, die voor Zijne oordeelen beeft, die tot de Arke de toevlucht mag nemen.
De Heere sluit zijn werk af. Hij beveiligt hen volkomen. Wat hen gedurende hunne werkzaamheden niet altijd even duidelijk voorkwam, blijkt van achteren noodzakelijk' geweest te zijn voor hun behoud. Het is met elke zaak vaak zoo gelegen ; het begin enhet einde zijn het allermoeilijkste.
Zou dat niet in de hoogste mate het geval zijn bij het behoud van zondaren? Wie zou hun het leven moeten geven? .Wie zou aan dien mensch, die alles kwijt raakte, de eerste werkzaamheden in de ziel moeten inplanten ? Ge zegt : de Levensvorst Zelf. Zie, daar hebt ge het. Wanneer ge mij vraagt „Waarom een Noach wel, en heel de wereld schier buiten hem niet van den Heere wilde weten", dan is hierop slechts één antwoord: dat heeft God gedaan.
Hij schonk hem het geloof. Hij begiftigde hem met het leven. En wat nu van Gods hand wordt medegedeeld, wordt door Gods hand ook in het leven behouden. Hij laat het nooit meer varen.
Daar zijn geen machtigen op deze wereld die een kind Gods iets kunnen ontnemen ; wat zeg ik, al stellen ook al de geweldigers die satan heeft aangesteld tot zijn trawanten, zich met Hem in verbintenis, hun heil staat vast.
De Heere sloot achter hem toe. We zullen goed doen, hier even stil te houden.
Het is u toch niet ontgaan, lezer, dat ook aan deze waarheid zich twee zijden bevinden ?
De Heere sloot achter Noach toe en achter de zijnen, die in gehoorzaamheid zich gevoegd hadden in de wegen des Heeren.
Achter hen ; maar nu kan het toch niet onopgemerkt blijven, dat dit, toesluiten een afsluiten in heeft voor heel de wereld daarbuiten.
Is hier geen waarschuwing in opgesloten ? Noach heeft langen tijd gepredikt ; zeer lang, maar eindelijk was zijn tijd gekomen dat hij moest ingaan, en nu sloot niet hij de mogelijkheid af om nog te ontkomen, maar de Heere.
Lezer, het Woord des Heeren is hier wel zeer gemakkelijk te vatten. Als onzerzijds geen gehoor wordt gegeven, zoo kan het niet uitblijven of de deur' wordt niet achter ons toegedaan, maar vóór onze oogen gesloten.
Verstaat ge dit wel, zorgeloozen ? Gods liefdeblijken houden eenmaal op. Zijne bemoeienissen worden één keer beëindigd. Dan blijft er geen genade meer over. Dan is het enkel recht, als de deur wordt toegedaan. Hebt ge het wel geheel' overdacht, uw lijdelijk verzet, even zoo goed als uw weloverwogen plannen ' om Gods goedertierenheid nog meer te beproeven, houdt eenmaal op. En wat dan ?
Of we dan al zoo gelukkig zijn geweest hier vele goederen te hebben gehad ; tot de rijksten en de voornaamsten te hebben behoord ; geëerd en geprezen te zijn door velen, ais ge niet binnen zijt gegaan achter den Prediker der gerechtigheid, zoo is toch ook uw einde : buitengesloten.
Wanneer Noach zelf de deur had toegedaan, zoo zou het verwijt tot hem gericht kunnen zijn : ge zijt eigenmachtig te werk gegaan ; ge hebt de deur te vroeg gesloten, maar nu den Heere zelf te ontmoeten, zie, dat legt een slot op den mond. Of, zoo de mond geopend zal worden, zoo baant zich de belijdenis een uitweg : Gij zijt rechtvaardig, Heere.
We zouden van dit punt kunnen afstappen ; we zullen dit ook doen, onder dit beding, dat we elkander toch voortdurend zullen toefluisteren: „die in» de Arke waren bleven alleen behouden, doch die er buiten werden gevonden, kwamen om."
De prediking te hooren is op zichzelf niet voldoende. De oordeelen en de gerichten gade te slaan, zal ons niet baten. We moeten er door tot God gebracht worden ; tot Christus de toevlucht nemen. De Ark moet ons opnemen.
Zou de Heere ons ooit een beletsel in den weg leggen ? Is het niet noodiging op noodiging ? En wanneer er zich iets anders voordoet, heeft het precies dezelfde bedoeling. Elke tegenslag, iedere beproeving, elk oordeel dat over ons heen gaat, ieder strafgericht is nog van den Heere gegeven, opdat we onze voeten zullen richten naar die deur in het midden. Het zal voor velen onzer iets te zeggen zijn, , ^bij al de prediking steeds harder, steeds ongevoeliger te zijn geworden.
Hebt ge het niet begrepen ; uit de teekenen der tijden kan niet anders worden afgeleid dan dit : de Heere komt ; Zijn liefdemaat is straks volgemeten ; Zijn genade is voorbij.
Zoudt ge uw onwil niet gaarne willen opgeven ?
Ge zegt ja, maar ge «doet nog neen. Hier geldt : ge zult tot Christus moeten vluchten. En zou dit nu wel anders kunnen geschieden dan in den nood, dan voortgedreven uit angst uwer ziele ?
Och, dat de Heere u daartoe de oogen mocht geven om te zien en voeten om te loopen en handen om aan te nemen.
Hebt ge wel opgemerkt, dat het sluiten door den Heere nog eene noodiging inheeft ? Immers, wie zou gezonden kunnen worden zóó liefdevol, zóó ruim in de noodiging als Hij ? Hij staat niet alleen bij den ingang, wanneer de deur gesloten wordt, maar altijd door. Vandaar dat de kleinen nog eene noodiging krijgen te beluisteren : Gij moogt komen zooals gij zijt, ge behoeft niets mede té nemen. Ingaan, ziedaar het wachtwoord.
Valt het u nog moeilijk tot een besliste keuze te komen ?
Mag ik het u eens voorhouden ? In welke hand zou zich de parel van groote waarde bevinden; in de hand van den liefdevollen Borg en Middelaar, Die nooit iets anders liet hooren dan waarschuwing op waarschuwing, belofte op belofte, toezegging op toezegging en Die het deed ; óf de wereld, die u telkens aanzette tot nieuwen arbeid, tot nieuwe inspanning, tot altijd m%ar nieuwe geneugten, doch die in de uitkomst bleken te zijn luchtspiegelingen zonder vervulling."
Ge zegt : O, ik ben het er zoo van harte mee eens, dat geen grooter dwaasheid kan worden gedaan dan deze, n.l. : aan de wereld te blijven vastkleven ; maar nu gaat het er maar om : den ingang te vinden, de poorten voor zich te zien open gedaan..
Wanneer de Heere nu eens tot mij zeide : Ik ben uw Behouder, dan zou ik het dadelijk wagen.
Ik was dezer dagen nog toij zulk iemand, die zeide : ik wacht nog altijd op het noemen van mijn naam.
Weet ge wat het antwoord, was : onderzoek uzelve nauw.
Als de Heere u nu eens bij name heeft genoemd in dezen vorm : gij, goddelooze zondaar, gij, die eeuwig zoudt moeten omkomen, gij, die den dood hebt verdiend. Ik wil u binnen leiden, u als een buit indragen, u uit genade vrijspreken, heelemaal uw heil afsluiten, wat dan ? Zoudt ge het dan nog durven ontkennen, dat Hij u geroepen heeft ?
Doet nu eens net als de kleine Samuel. Spreekt zoo als. hij deed : Heere, hier ben ik. Ik wil gaarne behouden worden door U.
Och, wat een zaligheid ligt hierin toch opgesloten. De Heere legt het fundament. Hij legt daarop de steenen. Hij brengt met eigen hand den sluitsteen toe.
Achter u wordt toegedaan, kinderen Gods. Het kan u nog dikwerf het harte angstig doen kloppen, als ge denkt aan mogelijke afdwaling, aan ontrouw van uwe zijde.
Het zou toch zoo vreeselijk zijn, meenen in te gaan en niet te vermogen. Ik heb wel eens gelezen van 'n gevangene, die uit den kerker was verlost en in een voorloopige schuilplaats ondergebracht, omdat de uitgang nog niet vrij was gemaakt. En 'ziet, in dien tusschenstaat werd de gevangene gelaten. Hij moest tenslotte 'tot de treurige ervariijg komen : mijne verlossing is niet af.
Zou de mogelijkheid bij u óók zoo zijn ; gij, die eenmaal de hand des Heeren aan u zaagt geopenbaard ?
Onmogelijk. Christus' arbeid is een eeuwigheidswerk, dat uitgevoerd wordt met zekere hand, met zekere middelen. De uitgang is ook reeds vrijgemaakt. Of lees ik niet : door ééne of'ferande heeft Hij volkomen verlost allen, die door Hem tot God gaan.
Legt u daarop neder. Die door Christus verlost zijn, zullen niet omkomen in der eeuwigheid ; immers Hij staat aan de deur ; Hij sluit toe.'
En al zal het ook zijn, dat aanvechtingen en bestrijdingen niet uitblijven, 't heeft geen ander doel dan dit, dat dit alles u nauwer aan Christus doet aansluiten, u vaster aan Zijn Woord verbindt, u geheel op Zijn arbeid doet leunen.
Immers het Woord des Heeren liegt niet : Hij, Die deed ingaan sluit achter u toe, om straks ook Zelf de deur weer te ontsluiten.
Dan zullen uwe voeten uittreden op een nieuw herboren wereld, om uw God en Zaligmaker eeuwig te prijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's