De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

7 minuten leestijd

Van 's levenspad

door COR. Het is voorbij.

„Het is voorbij", zeide Gerrit tegen zijn vriend Leo, nadat zij met elkander een week waren uitgeweest, in welken tijd zij een streek bezochten waar zij van het prachtige natuurschoon konden genieten. Alles te bezichtigen wat hun reisgidsen vermeldden, was niet mogelijk, slechts het voornaamste was opgezocht en nu was hun vacantietijd weer voorbij, zaten zij weer in den trein, welke hen naar 'hunne woonplaats terugbracht, waar zij hun dagelijkschen arbeid moesten hervatten. Zij bespraken met elkander dat het nu voorbij was, dat zij thans' de wondere pracht der natuur weer hadden verlaten en hun laatste woorden, als zij afscheid namen om naar eigen huis te gaan, waren : „Het is voorbij".

„Het is voorbij" zeide Karel tegen Antoon, als zij in den vroegen morgen huiswaarts keerden van een bruiloft, welke den geheelen nacht geduurd had. Eenigen tijd verheugden zij zich in het vooruitzicht daarvan, langen tijd zagen zij uit naar den dag der bruiloft en die gekomen zijnde, begroetten zij dien met blijdschap, want nu was de dag daar om feest'te vieren en vroolijk te zijn, nu konden zij naar hartelust genieten van de vreugde, welke daar geboden werd, waaraan zij zich geheel overgaven. Nu keer den zij huiswaarts, de lang verwachte bruiloft was thans voorbij, het lang in het vooruitzicht zijnde genot gesmaakt, nu was het voorbij.

„Het is voorbij", zeide een oude man, weer bijkomende, na door een benauwdheid overvallen en op straat ineen gezakt te zijn, bij het bedanken der omstanders voor hun betoonde hulp. „Het is voorbij", zeide hij voortgaande in zichzelf, zich verblijdende dat hij zijn weg kon vervolgen. Eerst was hij-slechts nu en dan door die benauwdheden overvallen, doch langzamerhand werden die steeds meer en heviger, zoodat hij gedurig vreesde dat een van die benauwdheden hem het leven zou benemen. Het steeds korter elkaar opvolgen en heviger worden, maakte die vrees niet ongegrond en daarom ook zeide hij gedurig, wanneer hij in zulk een benauwdheid niet was weggenomen, wanneer die zijn levensdraad niet had afgesneden : „Het is voorbij".

„Het is voorbij", zeide een jonge man, die dagen lang aan het sterfbed zijner vrouw had vertoefd, met wie hij slechts enkele weken gehuwd was geweest. Vol vreugde betrokken zij kort geleden hun eigen huisje, wat hun geluk ten toppunt deed stijgen, want daar zagen zij langen tijd naar uit, gedurig met elkander besprekende welk een vreugde het zou zijn, wanneer zij, door den huwelijksband verbonden, met elkander over 's levens pad zouden gaan. Eindelijk was die tijd gekomen, werden zij vereenigd, maar ach hun geluk duurde zoo kort ; enkele weken later werd de jonge vrouw op het ziekbed geworpen, wat binnen weinige dagen haar sterfbed werd. Tot het laatste uur hoopten zij op herstel, tracht ten zij elkaar te bemoedigen door te zeggen dat nog genezing mogelijk was. Al hun hoop en verwachting was echter vergeefs, de dood maaide het leven der jonge vrouw af en ziende op zijn verwoest levensgeluk, bedenkende dat thans niets meer hem vreugde in het leven kon geven, riep de jonge man, op het ontzielde lichaam zijner vrouw neervallende, vol smart en'droefheid uit : „Het is voorbij."

„Het is voorbij", juichte een op het sterf­bed uitgestrekt meisje, „het leven van moeite en druk, van kommer en zorg is voorbij ; thans ga ik naar mijn Heiland, mijn Koning, bij Wien ik mij eindeloos mag verheugen en verblijden". „Het is voorbij", juichte zij, met vreugde ziende dat de dood zijn hand naar haar uitstrekte, wetende dat die slechts haar lichaam in bezit-kon nemen, daar haar ziel de bruid was van den hemelschen Bruidegom, Die haar met Zijn bloed kocht. Moeilijk en zwaar was haar leven geweest, schier nimmer had zij daarin vreugde of blijdschap ontmoet, gedurig was zij vol droefheid en smart over 's levenspad gegaan, maar op dat moeilijke pad was Koning Jezus tot haar gekomen, haar, als zij vreesde na dit leven Hem eindeloos te moeten missen, gesproken van Zijn wondere liefde voor een zondig schepsel, haar toegeroepen dat ook zij in Zijne handpalmen was gegraveerd, dat zij eindeloos bij Hem mocht vertoeven. Nu was haar einde gekomen en wetende dat haar Koning Zijn woord gestand zou blijven zag zij met vreugde de ure naderen waarin zij met Hem vereenigd zou worden.en daarom ook klonk, gevoelende dat thans het moeilijke leven ten einde was, haar juichtoon : „Het is voorbij."

„Het-is voorbij" ; hoe menigmaal worden die woorden gebruikt, hoe menigmaal uitgesproken door deze vol droeheid, door gene vol vreugde, en gij, hoe staat gij tegenover die woorden ? Klinken die uit uw mond wanneer gij uzelven aan de genietingen der zonde hebt overgegeven, wanneer gij naar hartelust de zonden hebt kunnen dienen ! Wordt ook van, u gehoord : „Het is voorbij", wanneer gij, lang in het vooruitzicht verkeerd hebbende weer eens volop te kunnen genieten van. wat de wereld biedt, dat weer achter u ziet liggen ? O, weet dan, dat gij, zoo voortlevende en stervende, eenmaal eindeloos vol smart moet klagen : „Het is voor­ bij", wijl dan de tijd der genade voorbij gegaan is De tijd der genade, waarin gij nu nog moogt verkeeren ; waarin u wordt toegeroepen, dat eenmaal uw einde zal komen, om dan te verschijnen voor den Heere, Die u naar uwe werken zal oordeelen, maar waarin u tevens wordt toegeroepen dat Christus Jezus gekomen is om voor zondaren de schuld te betalen, de straf te dragen, welke zij waardig zijn te ontvangen. De tijd der genade, daarin moogt gij nog verkeeren, nog wordt die u gelaten ; o laat die dan niet heengaan voortgaande in uw zonden, want straks is die tijd voorbij en dan moet gij eindeloos klagen : „Het is voorbij." Gebruik den tijd der genade toch ; gij, die naar de dingen der wereld uitgaat, die gedurig uitroept : „Het is voorbij." wanneer gij opnieuw van de zonden hebt genoten, om dan weer naar een volgende gelegenheid tot najaging uwer zondige lusten uit te zien ; laat het leven der zonde varen, vlucht met uw groote schuld tot den Borg en Middelaar, Christus Jezus ; smeek Hem, die zonden in Zijn bloed uit te delgen ; Hij zal u hooren en verhooren ; Hij zal naar u luisteren en u verwaardigen bij Hem te verkeeren in die heerlijkheid, waaraan nooit een einde komt, waarvan nimmer gezegd zal worden : „Het is voorbij."

Zou, o zou dat voor mij nog mogelijk zijn, roept gij uit, die uw schuld en zonden kenende, ziende de groote scheiding welke deze tusschen den Heere en u maakt, vreest Koning Jezus nimmer als uw Borg en Midelaar te ontmoeten, die met den bangen twijfel over 's levenspad gaat, Hem straks eindeloos te moeten-missen. Ja, ook u is die vreugde bereid, ook gij moogt straks daarin deelen, want ofschoon gij denkt om te komen, Christus Jezus zal dat niet gedoogen, gij kent uw droefheid over het gemis van uwen Schepper, Hij ziet uw berouw over 't bedreven kwaad en Hij zal u verheugen, tot u komen, sprekende dat Hij ook uw Borg en Middelaar is. Nu kan het u nog zoo bang zijn, wanneer gij gedurig uw zonden voor oogen ziet, wanneer gij dag aan dag met diepe smart nog zooveel ontdekt wat voor den Heere niet kan bestaan, want dan denkt gij, dat Hij naar zulk een nimmer zal omzien, dat Hij u nimmermeer zal gedenken. Vol droefheid gaat gij over 's levenspad, dag na dag ziet gij 'henensnellen, wijl gij - bedenkt, dat straks uw leven voorbij is, dat de eeuwigheid dan zal aanbreken, welke, zooals gij u voorstelt, de plaats zal zijn waar gij eindeloos den Heere moet missen. De smart is nu reeds zoo groot wanneer uw ziele Hem mist, en wat, roept gij uit, zal het wezen als ik eindeloos buiten Hem moet verkeeren.

Maar neen, _gij, die daarvoor vreest, die dat verwachtende over 's levenspad gaat, nooit, nimmer zal dat gebeuren, want Koning Jeus kent al uw strijd en twijfel ; Hij zal komen en u, als het einde uws levens daar is, vergunnen vol blijdschap uit te roepen: Het is voorbij" ; voorbij het leven van kommer en zorg, voorbij de tijd van vrees en twijfel, voorbij de tijd, waarin ik Koning Jezus miste, eeuwig zal ik bij Hem verkeeren, Hem zal ik grootmaken, loven en prijzen, daar, waar nimmermeer gezegd wordt: Het is voorbij."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's