Feuilleton.
Van 's levenspad
Een afgedwaalde.
In een 'groote stad had Kees zijne eerste levensjaren doorgebracht, waarna zijne ouders zich in een klein dorpje vestigden, waar hij opgroeide tot .knaap en jongeling. Zijn ouders waren beiden gekenden des Heeren, die niet ophielden hem en hunne andere kin deren dag aan dag te wijzen op den eeni-.gen weg des behouds, welke alleen in Chris tus Jezus gevonden kan worden. Met blijdschap mochten zij zien dat hunne kinderen naar hunne woorden luisterden en niet, zooals menigmaal gebeurt, die woorden verachtten, jagende naar de dingen der wereld.
De groote wereldoorlog brak uit, welke velen deed vreezen dat ook ons land daarin zou betrokken worden, die zich daarom vrijwillig aanmeldden tot verdediging van het vaderland en daaronder bevond zich ook Kees.
Het soldatenleven was echter een groot verschil met dat in het stille dorpje, waardoor menigmaal zijn vasthouden aan het geloof zijner ouders aan het wankelen werd gebracht, als zijne kameraden hem andere leerstellingen wilden doen aannemen of trachtten hem over te halen geheel en al met den godsdienst te breken. Hoe vaak echter aan het wankelen gebracht, toch bleef hij staande, gaf hij aan al die listige aanslagen geen gehoor en wanneer hij met verlof naar huis ging, daar vertelde wat men hem wilde opdringen, wisten zijne ouders hem gedurig weer te overtuigen dat hun God alleen de ware is, dat Hij alleen voor tijd en eeuwigheid rust en vrede aan de ziel kan schenken.
Daardoor dan opnieuw gesterkt ging hij terug, kon hij pal staan tegenover allen, die hem wilden overhalen met hen mee te gaan en in stilte verheugden zijne ouders zich, dat hun kind getrouw bleef aan de leer waar in het opgevoed was, dat het zich niet overgaf aan een dwaalleer, welke nimmer vrede aan de ziel' kan geven.
Met vreugde zag Kees na eenige jaren het einde* van zijn diensttijd naderen, daar die hem bitter tegengevallen en geheel anders was dan hij zich voorgesteld had, om daarna, zooals hij meende, weer naar het stille dorpje terug te keeren. De officier, op wiens bureau hij geruimen tijd werkzaam was geweest, raadde hem echter aan in een of andere stad een betrekking op een kantoor te zoeken, waar hij, volgens deze, bekwaam genoeg voor was en veel betere vooruitzichten zou hebben dan in het kleine dorpje. Daar had Kees wel ooren voor en met de hulp en voorspraak van den officier had hij bij het einde van zijn diensttijd een betrekking gevonden in zijne geboorteplaats, zoodat hij na vele jaren weer terugkeerde in de stad, welke hij als kind verliet.
In het begin ging alles goed, met verscheidene bekenden zijner ouders, welken zijn vader hem aanbevolen had, knoopte hij vriendschap aan, terwijl een zoon van een hunner hem hielp om zich door studeeren verder te bekwamen voor het werk, waarin hij nu geplaatst was. Nadat hij echter een groot half jaar in de stad werkzaam was geweest, gebeurde wat in zijn diensttijd een onmogelijkheid was, wat daar menigeen vergeefs beproefde ; hij bezweek namelijk voor dè verleiding, welke hij daar steeds weerstaan had. Bijna onmerkbaar had het zaad des ongeloofs in zijn hart wortel geschoten, wat langzamerhand zichtbaar werd door zijn meer eh meer van den Heere afdwalen. Ging hij eerst trouw naar kerk en catechisatie, nu ibegon hij een enkele maal over te slaan en na enkele maanden ging hij geheel niet meer, brak hij met het geloof zijner ouders, waarin hij was opgevoed, gaf hij zich over aan den dienst der wereld. Hij, die zoolang in de verleiding was staande gebleven, welke het soldatenleven brengt, bezweek voor die der groote stad, daar liet hij het geloof zijner ouders los, om zich te verbinden aan hen, die zeggen dat er geen God is, geen Heere, Die vanuit Zijn eeuwige woning alles ziet en gadeslaat.
Welk een droefheid voor zijne ouders dat te ontdekken, dat van hun kind te moeten hooren. Nu wenschten zij dat hij naar het stille dorpje was wedergekeerd, daar weer onder hun toezicht gekomen, want daar was dat niet gebeurd, zoo dachten zij, daar zou hij niet afgedwaald zijn, zich niet aan de wereld hebben overgegeven. Maar ach nu was het te laat, nu wilde Kees ook naar hen niet meer luisteren, waren hun vermaningen niet meer in staat hem van den zondendienst af te houden. Alles beproefden zij, doch niets baatte. Kees bleef voortgaan en gaat nog voort over 's levenspad, jagende naar wat de wereld biedt. Eén middel is hun echter nog overgebleven, daar klemmen zij zich aan vast, daar is hun hoop nog op gevestigd, namelijk dat de Heere hem kan terug brengen, hem staande houden op het pad der zonde. Zij weten, hun Heere en Koning kan hun kind opzoeken, hem het kwade doen verlaten en daarom ook dragen zij hem gedurig den Heere op, klinkt dag aan dag hun smeeken voor het behoud van hun kind, dat nu voortgaat buiten den, Heere en Zijn dienst, dat daarin geen lust meer heeft. Kees bekommert zich echter niet er om dat hij zijn ouders zooveel droefheid berokkent, dat hij hun vol smart over 's levenspad doet voortgaan, hij bedenkt niet dat het eeuwig verderf hem wacht wanneer hij straks zoo moet sterven, hij bedenkt niet dat zijn smart zoo groot zal zijn wanneer de Heere" hem komt staande houden ; smart over al het verdriet zijn ouders berokkend, maar nog grooter smart bij de ontdekking dat hij den Heere heeft verlaten. Die hem nooit anders dan goed deed. Die niet ophoudt hem gezondheid en kracht, kleeding w b me D n I H en voedsel te schenken, Die niet aflaat hem toe te roepen zich te bekeeren voor het voor eeuwig te laat is.
Hebt gij misschien ook het geloof uwer ouders verlaten, waarin zij u hebben opgevoed ? Gaan ook uwe ouders wellicht vol smart over 's levenspad, omdat gij hun God, hun Heere en Zijn dienst hebt verlaten, uzelf overgegeven aan wat de wereld biedt ? Verhardt gij u tegen de waarschuwingen, welke zij, door liefde gedrongen, u van 's Heeren wege doen hooren, dat gij den zondendienst zult verlaten ? O, ga dan toch niet voort, keer weder tot Hem, Dien gij verliet, buig u voor Hem neder nu gij nog in het heden der genade zijt, want wanneer dit straks zal zijn voorbijgegaan, zult gij toch voor Hem moeten buigen.
Eenmaal zal alle knie voor Hem buigen, alle tong Zijn Naam .belijden, doch zij, die dit in dit leven niet deden, zullen voor Hem moeten buigen als voor een vertoornd Rechter, Die hen zal werpen in de buitenste duisternis, waar eindeloos de klacht weerklinkt dat Hij wordt gemist.
Buig, o, buig u dan voor Hem neder nu gij nog in het heden der genade zijt, beken, belijd Hem uwe zonden, om dan te ervaren dat, hoe ver gij zijt afgedwaald, hoe diep in zonden gezonken. Hij u nochtans in genade liefde en ontferming wil gadeslaan. Voor Hem buigende als een onwaardige, die slechts Zijn toorn verdiend hebt, zult gij den wonderen rijkdom van 't genade-Evangelie ervaren ; dan, denkende dat Hij u zal verstoeten, tot Hem opblikkende en uitroepende dat gij het verderf waardig zijt, worden uwe oogen geopend en nimmer zult gij kunnen begrijpen wat gij dan moogt zien, want dan moogt gij zien op Christus Jezus, den Borg en Middelaar, den eenigen Zoon van Hem, Dien gij verliet en Deze zal zeggen : „Ik wil niet dat deze in het verderf nederdale, want Ik heb verzoening gevonden."
Dan moogt gij zien dat Hij Zijn eeuwig Huis verliet, nederdaalde op aarde om de groote schuld voor een zondig volk te betalen, dat Hij met eigen bloed en leven aan het heilig recht Gods voldeed om daardoor zondaren van het verderf te redden.
Te veel of te groot kan uwe schuld nooit zijn, alles heeft Hij betaald en hoe onbegrijpelijk dit voor u zal zijn, wanneer gij den berg uwer zonden aanschouwt, Hij zal tot uwe ziel spreken van Zijn eeuwige liefde voor een zondig volk, die Hem bewoog om Zichzelf te geven, opdat zij weer bij Hem zouden zijn. En dan, o, dan zult gij Hem straks eindeloos mogen loven en prijzen, eindeloos Hem grootmaken, dan zal eeuwige vreugde en blijdschap uw deel zijn, dan ztilf gij u ongestoord verheugen in het aanschouwen van Hem, Die u vergunt daar te zijn.
Eindeloos bij Hem, geen grooter vreugde denkbaar dan daarin te mogen deelen, vraag slechts aan hen, die Koning Jezus reeds kennen als hun Borg en Middelaar, zij zullen u vertellen van de blijdschap, welke zij hier reeds smaken en die straks eindeloos zal duren.
Wat, o, wat zult gij dan ikiezen, wien wilt gij dienen, den Heere of de wereld ? Thans moogt gij nqg in het heden der genade verkeeren ; o, kies dan heden nog den Heere; denk niet. dat gij te ver afgedwaald zijt, want hoor. Koning Jezus zegt: „Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was."
Wilt gij dan naar Zijm roepstem hooren en eeuwige vreugde ontvangen, of wilt g'j naar Hem niet hooren ?
Weet, o, weet dan dat slechts smart, eeuwige smart u wacht!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's