De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

8 minuten leestijd

Van 's levenspad

door COR.

Rijp voor de eeuwigheid.

Nauwelijks was de zon opgegaan, of Andries, een boerenzoon, stapte het huis uit en begaf zich naar den boomgaard, waar hij de rijpe appels en peren moest verzamelen, welke naar de markt gebracht zouden worden.

Voor zich aan den arbeid te begeven, wandelde hij eerst den boomgaard rond, welke hem de grootheid en macht deed zien van Hem, Die de ontelbaar vele vruchten, waarmede de boomen waren beladen, weder had laten groeien. Plotseling viel een groote peer vlak voor hem op den grond, welke hij opraapte en nauwelijks had hij die in de hand genomen of het was alsof hem gezegd werd, dat gelijk die peer rijp was en daarom van den boom gevallen, ook hij thans rijp was voor de eeuwigheid en daarom ook zijn leven afgesneden zou worden.

Ik rijp voor de eeuwigheid ; mijn leven afgesneden, maar wat zal dan voor mij de eeuwigheid zijn, vroeg hij zichzelf af en met bange vrees zag hij die voor zich als een eindelooze nacht, een plaats van eeuwig Godsgemis.

Van zijn kinderjaren af woonde de vreeze des Heeren reeds in zijn hart, kon hij geen vermaak vinden in de dingen der wereld, maar gelooven dat hij eenmaal den Heere, Hem, naar Wien zijn hart uitging, zou aanschouwen, durfde hij nooit. Als een bekommerde van hart ging hij over 's levens pad, vervuld met twijfel dat hij immer zichzelf bedroog, dat hij nimmer in waarheid naar den Heere zocht en nu hij opeens voor den dood werd geplaatst, nu het was alsof hem gezegd werd dat hij rijp was voor de eeuwigheid, durfde hij niet anders verwachten dan dat hij moest omkomen. Hij trachtte aan het werk te gaan, doch dit was hem niet mogelijk ; onophoudelijk zag hij die peer van den boom vallen, als een beeld dat hij rijp was voor de eeuwigheid. Sterven, en niet voor den Heere kunnen bestaan, die. gedachte vervulde hem met diepe smart en ging hij weer terug naar huis, waar hij zijn ouders vertelde wat gebeurd was en hun zeide dat hij moest sterven. Dezen trachtten hem dit uit het hoofd te praten, zeiden, dat dagelijks zoovele vruchten van de boomen vallen, zoodat door het afvallen van die peer niets bijzonders was gebeurd, doch zij waren niet in staat zijn vrees weg te nemen.

Hij vroeg en kreeg verlof zijn vriend, wien hij altijd alles vertelde, te gaan opzoeken en ook dezen vertelde hij het gebeurde, doch ook die was niet in staat hem de gedachte om te moeten sterven, te ontnemen.

Met steeds grooter vrees ging hij weer huiswaarts, achtervolgd door de gedachte, dat hij rijp was voor de eeuwigheid, dat hij moest sterven zonder den Heere te kunnen ontmoeten. Zwaar en bang was de strijd, welken hij moest voeren, daar satan hem kwam influisteren dat nu zou uitkomen dat hij zichzelf altijd had 'bedrogen, dat nu zou blijken dat hij nimmer in waarheid den Heere zocht, dat hij nu moest sterven en voor eeuwig omkomen.

Tegen den middag gevoelde hij zich niet wel en begaf hij zich naar bed, meer en meer beangst door de verschrikkelijke gedachte dat hij rijp was voor de eeuwigheid, dat hij moest sterven. Het was als zag hij zichzelf reeds staan voor den rechterstoel des Heeren, wijl hem toegeroepen werd het : „Ga weg van Mij" en dat deed hem bitter schreiend nederliggen. Hij kon niet anders dan belijden dat het naar recht was als de Heere hem verstootte, dat hij niet anders verdiende dan in de buitenste duisternis geworpen te worden, en toch vervulde hem dit met onpeilbare smart, want daar zou hij buiten den Heere moeten verkeeren, daar zou hij eindeloos Hem missen, naar Wien zijn hart uitging, daar zou hij eeuwig Hem moeten vloeken, Die hem nooit anders dan goed deed, Die hem dag aan dag met weldaden en zegeningen overlaadde.

De avond begon reeds te dalen en zijn vrees werd steeds gtooter, meer en meer gevoelde hij te moeten sterven en niet voor den Heere te kunnen bestaan.

Maar dan, als hij der wanhoop nabij was, als hij meende voor eeuwig in het verderf te verzinken, werd zijn zielsoog geopend om te zien het Lam dat geslacht is voor de schuld van een zondig volk. Hij zag den Christus, dien dierbaren Borg en Middelaar, beladen met de zonden van een schuldig volk, voor hen betalend, hun den toegang tot het eeuwige leven openend, hij zag Hem aan Golgotha's kruis genageld, en het was als hoorde hij Hem uitroepen : „Het is volbracht I"

Hij, den dood verdiend, slechts het eeuwig verderf waardig, maar in Christus Jezus vrijgekocht, dat wondere heilgeheim werd ook aan zijn ziele toegepast en aan dien dierbaren Christus zich vastklemmend, daalde vrede in zijn moegestreden ziel.

„Moeder", zeide hij, „neem dat kussen weg en geef mij een ander schoon kussen", aan welk verzoek zijn moeder, welke, door droefheid overmand, geen .oogenblik zijn sponde verliet, voldeed, hem vragende waar om dat moest gebeuren, waarop hij antwoordde : „Gelijk ik eerst op dat vuile kussen lag, lag ik voor den Heere ook met zonden bevlekt, doch zooals ik nu op dat schoone kussen mag nederliggen, lig ik thans voor den Heere gereinigd van mijn zonden en schuld in Christus Jezus ; Hij heeft mijn schuld betaald, Hij heeft mijn straf gedragen, in Hem ben ik thans vlekkeloos rein, in Hem kan ik voor den Heere bestaan, in Hem zal ik den Heere ontmoeten ; mijn einde is daar, ik ben rijp voor de eeuwigheid, maar eindelooze vreugde en blijdschap zal die mij brengen, omdat ik die mag betreden, leunende op Christus Jezus, mijn Borg en Middelaar, mijn Heiland en Koning. Ik ben rijp voor de eeuwigheid, doch het sterven kan mij niet meer verschrikken, want met mijn Koning zal ik voor den Heere verschijnen, in Hem vrijgesproken worden, om Hem daar voor eeuwig groot te maken !"

Het waren de laatste woorden, welke Andries sprak, nimmermeer zou zijn stem op aarde worden gehoord, want nauwelijks was het laatste woord hem over de lippen of zijn levènsdraad werd afgesneden Hij was rijp voor de eeuwigheid, maar, o eeuwig wonder, hij, die verwachtte in het verderf te verzinken, werd in de eeuwige welgelukzaligheid opgenomen ; hij, die niet anders dacht of de buitenste duisternis zou zijn deel wezen, werd verwaardigd in de eeuwige heerlijkheid in te gaan.

Eenmaal zal de ure komen, waarin gij rijp voor de eeuwigheid zijt en wat zal dan uw deel zijn ? Houdt die vraag ook u gedurig bezig, of gaat gij over 's levenspad u zelven daarover niet bekommerende ? Wat zijt gij dan toch ongelukkig, want immers gij weet niet wanneer die voor u zal komen, ook voor u kan die ure aanbreken vóór deze dag ten einde is en wat dan ? O, dan wacht u zulk een schrikkelijk lot, want uw plaats zal zijn buiten den Heere, eeuwig en altoos. Denk u toch eens even in wat dat zal zijn ; den Heere missen. Hem, Die u in dit leven dag aan dag met zegeningen overlaadt, want alles wat gij ontvangt, zijn onverdiende zegeningen, welke Hij u schenkt en dan zult gij eeuwig van Hem gescheiden zijn, dan eindeloos zonder Hem verkeeren. Die u nooit anders dan goed deed, ja, eindeloos Zijn toorn en gramschap dragen. O, hoor dan nog naar de roepstem, welke de Heere u doet toekomen : „Heden zoo gij Mijn stemme hoort, " roept Hij u toe, o luister dan toch, want morgen is het wellicht reeds te laat ; heden zijt gij wellicht rijp voor de eeuwigheid, morgen kan uw leven afgesneden worden. Nu moogt gij met uw groote zondenschuld nog tot Koning Jezus vluchten en ondervinden, dat die u in Hem, Hem alleen wordt kwijtgescholden. Nimmer laat Hij iemand vergeefs roepen, niemand zoekt Hem, zonder Hem te vinden, want 2ijn liefde voor een zondig schepsel is zoo : onuitsprekelijk groot ; wie tot Hem vlucht, neemt Hij tot Zich, wascht Hij van alle zonden en schuld en schenkt Hij de eeuwige welgelukzaligheid. Nimmer zijn uw zonden te veel, hoe zwart gij moogt zijn door de zonden. Zijn bloed reinigt m, maakt u vlekkeloos rein, zoodat gij in Hem voor den Heere kunt bestaan.

Klem u dan aan Hem vast, gij, die over 's levenspad gaat met de bange vrees, dat gij rijp voor de eeuwigheid', zijt zonder den Heere te kunnen ontmoeten, , want dan komt gij nimmer bedrogen uit. Op Hem steunend, kunt gij den Heere ontmoeten, om te ervaren dat gij in Hem zijt vrijgekocht; in Hem gewasschen en gereinigd. Klem uzelf aan hem vast en zekerlijk zult gij ervaren dat Hij u zal vergunnen met-Hem de eeuwigheid in te gaan, om daar, in Hem van zonden en schuld ontheven, bij den Heere te zijn, eeuwiglijk en altoos.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's