De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

13 minuten leestijd

Een verstandig advies bedorven.

We hebben altijd gezegd, dat ds. Deetman, die vroeger in Noord-Holland stond en nu dominé is in Oudshoorn, een verstan­ dig man is. Vooral na zijn intelligente en fijne verklaring van het z.g.n. Paaschwonder, indertijd door hem gepubliceerd, hebben we gevoeld, dat hij een man is waar wat in zit en naar wiens woord men goed zal doen te luisteren. We twijfelen er ook niet aan, of ds. Deetman, vroeger orthodox maar nu vrijzinnig, zal het nog eens vér brengen in de wereld.

Ook het heengaan van de modernen in Den Briel is voor zijn aandacht heengegaan. En aldus schrijft hij nu in „De Hoek-steen": »Ik kan 't me heel goed begrijpen, 't Is in de Ned. Herv. Kerk, met haar rechtzinnige overheersching, voor ons, vrijzinnigen, nu eenmaal geen prettig wonen. Stelt u voor de groote steden van ons land, (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, enz.) — waar de orthodoxie den scepter zwaait en de minderheid wordt onderdrukt. Plichten hebben we er, maar géén rechten ! En ik denk ook wel eens : hadden we maar een eigen Vrijzinnig Kerkgenootschop ('t zij naast of verbonden met Protestantenbond of Remonstrantsche Broederschap) ! De wegen van rechts en links loopen te zeer uiteen, dan dat ze ooit broederlijk zouden kunnen samengaan. 't Verschil is te groot !«

.Dat is, dunkt ons, verstandige taal. Ja — 't verschil tusschen orthodox en modern is te groot. Dat kan niet samengaan. Die dat niet voelt, die voelt niets. Hoe kan nu iemand die Jezus belijdt te zijn als Gods Zoon, „gestorven om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking" samen wonen in één Kerkverband met iemand, die leert, dat, als Jezus ooit bestaan heeft, hij gestorven is en in het graf gebleven. Dat zoo iets niet kan, voelt men toch ! En ja, dat moest ook maar meer worden uitgesproken. Wat niet kan, kan niet. Wat niet mag, mag niet.

En dus — de modernen moeten maar heengaan. Ze hooren bij ons niet. Maar naar den Protestantenbond. Of naar de Remonstranten.

En wij, orthodoxen, moeten dan maar van een paar menschen afzien.

Ook maar wat geld minder ontvangen, als 't moet.

Ook maar — wat meer in 't geloof doen !

En dus : gaan de modernen heen ? En gaat ds. Deetman ook heen ? En krijgt Oudshoorn dan weer op den kansel wat daar rechtens thuis hoort : het Evangelie van Jezus Christus en dien gekruisigd ?

Jammer, dat ds. Deetman blijft steken bij z'n goede voornemens en dat hij een verstandig advies gaat bederven.

Want, nadat hij eerst heel verstandig geschreven heeft wat we hier boven hebben aangehaald, zet hij 't hoofd er weer tegen en schrijft : »En toch — neen, ik zou willen voorstellen, den loop der gebeurtenissen af te wachten. Onze Kerk verkeert in een crisis —. er móét iets gebeuren, anders gaat de heele Kerk te niet. Er moet met de rechten der minderheden op den duur rekening worden gehouden ; en daarom — gaat nog niet heen — maar blijft ! Laten we, als Vrijzinnig Hervormden, één lijn trekken en niet door afbrokkeling onze kracht doen verminderen. Gaan we heen, dan geven we alles uit handen ! Daarom : blijft ! en wacht af I Als 't niet anders kan, gaan we heen — maar dan gezamenlijk ; doch liefst blijven we en zien we in onze oude Volkskerk onze rechten erkend !«

Dat een verstandig man nu zóó weer tot dwaasheid vallen kan I t Is ons een raadsel. Voelt ds. Deetman niet dat die tijd, waarop hij hoopt, voorbij, onherroepelijk voorbij is ? En daarom zouden we zeggen : laat men het eerste deel van het advies van ds. Deetman opvolgen. En laten de modernen heengaan, dat is voor hen èn yoor óns, 't beste.

De Voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

1. Al is men waarlijk een Christen, al staat men met God waarlijk in het verbond, al is men het geloof deelachtig geworden, zoo is het nochtans zeker, dat we z o n d i g z ij n e n b, 1 ij v e n, zoolang we hier op aarde zijn. Al heeft men zich nóg zoo hartelijk aan God en Zijnen dienst verbonden, daar komen weder honderd dingen tusschenbeide. Het hart is als een looden gewicht, dat steeds naar de aarde zakt en noodig heeft gedurig naar boven getrokken te worden. Hierdoor komt ook niet zelden eene verwijdering tusschen God en de ziel.

Zal men nu weder nauwer gemeenschap met God oefenen door het bondszegel des Avondmaals, wat is er dan noodiger, daar we met een heilig God te doen hebben, dan eens bedaard te gaan nederzitten en te onderzoeken, in welke daden we gezondigd hebben, hoe ver we van God zijn afgeweken en die afwijkingen te b e 1 ij d e n opdat die geen oorzaak zijn, dat de Heere Zich zou verbergen.

* 2. Is er tot verrichting van alle voorname godsdienstplichten een voorbereiding en schikking des harten noodig, V o o r n a m e 1 ij k wordt dat geëischt bij het naderen van de viering des H. Avond­maals. Want in het Avondmaal komt God als de God des Verbonds, die Zich op 't nauwst met de ziel wil vereenigen. Hier komt de Heere Jezus met al de schatten van Zijn algenoegzaamheid Zich aanbieden, willende als de Bruidegom der ziele Zich opnieuw met Zijne bruid ondertrouwen en gaat Zijne schatten mededeelen.

Zal de ziele nu toenaderen, dan moet zij ook aan hare zijde ten minste zich bewust zijn, dat zij gewillig en genegen, is om zich opnieuw aan den Heere in het verbond over te geven en hoe zal ze daarvan bewust zijn dan door een godvruchtig en bezadigd onderzoek en beproeving van het hart voor den Heere ?

3. Zou het niet noodzakelijk zijn het harte wél v o o r t e b e r e i d e n bij de nadering van de Avondmaalsviering ? Is het de Heere Jezus Christus zelf niet, die als de groote Gastheer aan Zijne tafel komt om met Zijn alwetend oog, dat harten en nieren beproeft. Zijn aanzittende gasten te overzien, of zij met het ware bruiloftsk1eed voorzien zijn, of zij in zulk eene gestalte genaderd zijn als het hun past ? O ! zou die indruk van Jezus' tegenwoordigheid de ziel niet opwekken om te staan naar zulk een gestalte, die Hem aangenaam is en waardoor ze een welgevallen van Hem kan trekken ?

* 4. Het bereiden en schikken van het hart is een plicht, waarop in Gods Woord d i k-w ij l s wordt aangedrongen.

Job 11 : 13 : „indien gij uw hart bereid hebt, zoo breid uwe handen tot 'Hem uit". Zefanja 2:1: doorzoekt uzelven nauw, ja doorzoekt nauw".

En de apostel Paulus roept den Corinthiërs toe, 2 Cor. 13:5: doorzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven !"

En dat wil hij vooral, dat plaats zal hebben ten aanzien van het gebruik van het Avondmaal;  1Cor. 11:28: de mensch beproeve zich zelven en ete alzoo van het brood en drinke van den drinkbeker".

**

5. Het godvruchtig schikken van het hart is doorgaans zeer gezegend en nuttig voor de ziel. Hoevele van Gods kinderen hebben het niet wel ondervonden, wanneer hun harte in de voorbereiding hartelijk werkzaam was, hoe gezegend zij het aan de tafel vonden. Hoe de Heere hen wel tegemoet is gekomen in Zijn liefde ! Ja, wanneer zij in hunne eenzaamheid zich opnieuw aan Hem in het verbond hadden opgedragen en betuigd : „ik zal des H e e r e n z ij n" — hoe de Heere aan de genadetafel hen wederom ontmoette en toeriep : I.k zal uw G o d z ij n ! en daarvan geef Ik u het zegel zelf in handen. En integendeel, als zij onbereid en slordig toenaderden, dat zij dan moesten klagen dat hun harte dor en doodig was.

6. De voorbereidingen tot het Avondmaal zijn al van oude tijden onder de Christenen in gebruik geweest; en die .waren er zéér op gesteld. 't Is waar, — in de tijden der apostelen was het niet noodig. Toen was de ijver en ernst zoo groot en de wandel zoo teeder en nauwgezet, dat zij altijd in staat waren om het Avondmaal te houden, waarom het ook alle week gehouden werd. Maar zoodra verslapte de ijver niet in de Kerk, of men had voorbereidingen, die vooral in eene belijdenis van zonden bestonden. Hierom was het dat Luther, ofschoon de pijnbank wegnemende, de belijdenis van zonden (in de Roomsche Kerk bekend onder den naam van biecht) nog liet overblijven; en de Lutheranen hebben nóg de gewoonte, wanneer zij in hunne voorbereldingspredikatiën de zonden belijden, dat het gansche volk met amen toestemt. Daarvandaan zijn bij óns ook de voorbereidingspredikatiën, om den menschen te leeren hoe zij hun hart voor God moeten schikken om Hem te ontmoeten.   Petrus Immens „De Godsdienstige Avondmaalganger."

De Kerk en het Sociale vraagstuk.

We leven in een tijd, dat er veel beschuldigingen tegen de Kerk geuit worden. Men zegt, dat de Kerk in veel nalatig is, door niet te doen wat toch haar taak en roeping is. We hebben deze dingen wel onder de oogen te zien. Niet, dat alle critiek eerlijk en oprecht bedoeld is en dat voor alle beschuldigingen eerlijke oorzaak is. Want veel wordt gezegd om de Kerk een trap te geven en daarin den godsdienst eigenlijk met hoon te overladen. Helaas ! er is zooveel haat tegen de Kerk en tegen den godsdienst; omdat men vijandig staat tegenover God en Zijn dienst. Maar dat neemt niet weg, dat we toch goed zullen doen om de critiek die op de Kerk uitgebracht wordt zoo ernstig mogelijk te onderzoeken, om, waar er werkelijk bij de Kerk nalatigheid is, te trachten tot verbetering te komen.

Nog eens, er zijn er velen die van de Kerk niets moeten hebben. Die verlangen er ook niet naar, dat de Kerk zoogenaamd beter haar roeping zal gaan vervullen in het mid­den van het volle leven. Laat, zoo zegt men, de Kerk haar handen maar thuis houden! Laat de Kerk maar verdwijnen, zoo oordeelt men, want al dat gedoe van die Kerk en van dien godsdienst beteekent toch niet. Het werkt maar hinderlijk in het midden van de maatschappij en daarom hoe eer dat gedoe ophoudt, hoe liever dat men het heeft. Het zou, zoo leest men, een heele opluchting zijn voor velen, als dat juk van Kerk en godsdienst, waaronder nu toch nog zooveel menschen gebukt gaan, eens verbroken kon worden en weggedaan.

Hoe trotsch was Viviani, de bekende Fransche minister, niet, toen hij uitriep in de Kamer : Wij hebben door onze theorieën daarboven in den hemel de lichten uitgedoofd en daar is niemand in staat, die weer aan te steken !

En hoe blij en opgewekt zingen niet velen, met een variant op het bekende : „'t oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet" : het hart naar beneden, hier beneden is het wèl.

Voor dezulken moet de Kerk het zwijgen opgelegd worden. Zij moet verdwijnen. De godsdienst mag niet meer meetellen voor het volle, breede leven der menschheid, voor het maatschappelijk-politiek-sociaal geheel van doen en laten.

Maar — er zijn gelukkig ook nog anderen die er anders en beter over denken en die het betreuren, dat er juist van de Kerk voor het maatschappelijk leven zoo weinig kracht uitgaat ; dat de Kerk niet schijnt te voelen, dat zij een taak en roeping heeft ten opzichte van de sociale beweging van onzen tijd.

We zijn blij, dat er nog menschen zijn, veel menschen .gelukkig ! die het voelen, dat ze niet zonder God en zonder Zijn Woord door 't leven kunnen gaan. Dat ze voor hun ziel, ook voor hun gezin, ook voor hun arbeid, ja voor alles en alles God noodig hebben en niet buiten Zijn Woord kunnen. En die betreuren het, dat er helaas ! in het leven, in eigen leven en in het gemeenschapsleven, zoo weinig rekening wordt gehouden met God. Dat het zoo weinig gaat om Gods Woord en waarheid. Dat het zoo weinig geestelijk toegaat. Dat zoo weinig uitkomt, dat het voornaamste bij alles is Gods zegen te mogen genieten, in Gods gunst te mogen deelen en zoo met vrede in Gods wegen te wandelen.

Wat gaat alles dikwijls stoffelijk toe. 't Is maar geld, geld en nog eens geld. 't Gaat om 't lichaam, lichamelijke behoeften en lichamelijke oefening en lichamelijke verzorging. Zondag en door de week draait alles om den mensch, om het geld, om de aardsche dingen. En het wordt gelukkig nog door velen gevoeld, dat we zoo met ons leven naar den afgrond gaan. Schijnbaar gaan we vooruit, maar in werkelijkheid gaan we achteruit. Schijnbaar worden we rijker, maar inwendig verarmen we. En bij duizenden en duizenden wordt het openbaar dat de honger naar de dingen die beneden zijn toeneemt, terwijl de ziel uitdroogt, verdort, versterft, afstompt.

Dat wordt gelukkig nog gevoeld. En men ziet uit naar geestelijke leiding en voorlichting. Men ziet op de Kerk en men vraagt: hebt gij ons niets te zeggen? Men overlegt: zou de Kerk niet meer de leidsvrouwe in het midden van ons volk moeten zijn ?

En dan voelt de ziele van zoo menigeen pijn, want de Kerk is zoo verdeeld, zoo verbrokkeld. Dan wordt het gevoeld, hoe ellendig het is, dat het lichaam van Christus verscheurd ligt in het midden van ons volk. De Christenen die bij elkaar hoorden te leven, leven gescheiden van elkaar. Die in liefde één moesten wezen, openbaren niet zelden haat, afgunst.

En zoo gaat er zoo weinig kracht van de Kerk uit.

Ook is zij zelve dikwijls in eigen kring nog gelijk aan een koninkrijk, dat tegen zich zelf verdeeld is.

Neem de Herv. Kerk. Wat de een opbouwt breekt de ander weer af. Wat waardeert de een Gods Woord heel, héél anders dan de ander. Wat is de geestelijke leiding der Herv. Kerk zwak !

En van die verdeeldheid in en buiten de Herv, Kerk ; en van die ongelukkige, ondeugdelijke toestanden in de Herv. Kerk lijdt het politieke leven. Men gaat uit elkaar, waar men bij elkaar hoorde. Lijnen worden getrokken, die door anderen worden veroordeeld. En zoo versnipperen we onze krachten waarbij de tegenstanders garen spinnen. ,

Zoo ook in het maatschappelijk leven. Zoo bij de vakorganisaties. Zoo op het terrein van het breede sociale leven. En men vraagt veelszins niet meer naar de Kerk, omdat de Kerk zoo verscheurd ligt, omdat de Kerk soms ja en neen tegelijk zegt, omdat de Kerk zelf niet wil en niet kan voorgaan en leiden ; wat door duizenden en duizenden met smart wordt gevoeld. _

Met smart, juist omdat men weet en voelt dat de Kerk en het sociale leven op elkaar zijn aangelegd en elkander dus noodig hebben en dat zij beide er ernstig schade van ondervinden, indien zij elkander verwaarloozen.

De Kerk zal haar taak niet kunnen volvoeren, indien zij niet ernstig let op de sociale beweging onzer dagen. En deze beweging zal telkens scheef gaan en den noodigen toevoer van geestelijke krachten missen indien zij niet ervaart wat de Kerk voor haar zijn kan en moet.

En in die dagen leven we, dat de Kerk niet doet wat zij behoorde te doen en dus in het vervullen van haar taak en roeping te kort schiet, wat haar zelf grootelijks tot schade en schande is.

Terwijl de sociale beweging scheef loopt, omdat zij niet ontvangt van de Kerk, waarop zij recht heeft en waaraan zij behoefte heeft. Dat zullen we wel onder de oogen hebben te zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's