Stichtelijke overdenking.
Mattheus 25 vers 1—13.
DE WIJZE EN DWAZE MAAGDEN.
De gelijkenissen dienen om te spreken over het Koninkrijk Gods ; hoe het in Gods koninkrijk toegaat ; hoe de menschen tegenover dat Koninkrijk Gods gezind zijn.
Denk maar aan 't mosterdzaad. Het kleine wordt groot ; de Heere zal Zijn Koninkrijk doen komen töt aan de uiterste einden-der aarde, ook waar de wildste volkeren wonen.
Denk maar aan den schat in den akker, aan de parel van groote waarde. Zóó zal het moeten gaan : alles schade en schande achten, alles loslaten en verkoopen, om de zaligheid te beërven die daar is in Jezus Christus. Dan zal men geen schade loopen. Denk maar aan de gelijkenis van den zaaier. Wat zullen er velen in aanraking gebracht worden met het Koninkrijk Gods, maar het verwerpen en vertreden en verwaadoozen. Zalig degenen, die er geestelijk kennis aan mogen krijgen, ze zullen blijdschap en vrede en zaligheid oogsten, dertig-en zestig-en honderdvoudig, om den Heere groot te maken en zelf binnen te gaan in des Konings paleis.
Hier in Mattheus 25 is het voortzetting van de redenen uit de vorige hoofdstukken en het gaat weer over ihet Koninkrijk Gods, waarbij het openbaar werd, dat sommigen geloofden, maar velen bedrogen zouden uitkomen, daar ze zichzelf met de Farizeërs vleiden en zichzelf gerechtigheid toeschreven en zich niet leerden bekeeren tot God, om hard en onbekeerlijk van hart zich wel een gewaad van godsdienst en vroomheid om te hangen, maar intusschen verre te blijven van het Koninkrijk Gods, dat een geestelijk Koninkrijk is, waarin alleen kunnen en zullen ingaan, die uit den Geest geboren als geestelijke kinderen den Heere in oprechtheid zullen vreezen, al hun gerechtigheid vindend in Jezus Christus, Slons Borg en Middelaar.
Neen, het gaat met het Koninkrijk Gods niet zooals de mensch dat wel wil regelen en vaststellen. Het gaat met het Koninkrijk Gods altijd zooals we lezen in Rom. 9 vers 23 ; »Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en eene rots der ergernis ; en een 'egelijk die in Hem gelooft, , zal niet beschaamd worden.«
De tijden zullen dat openbaar maken. Hoe meer het einde komt hoe duidelijker dat het worden zal. En de eeuwigheid zal het op 't allerduidelijkst openbaren : niet in onze eigen wegen en niet met de vruchten van eigen gerechtigheid zullen we het Koninkrijk Gods beërven. Die in dat Koninkrijk zullen ingaan zullen daar voor God verschijnen en eeuwige zaligheid erven, omdat er aan hun ziele wat gebeurd is en zij mogen leven uit de gerechtigheid van Christus, Hem ingeplant in den weg van wedergeboörte, bekeering en geloof.
De gelijkenis die we hier voor ons hebben is de gelijkenis van den komenden bruidegom. Dat heeft de Heiland gezegd, dat geschieden zal : Hij komt weder op de wolken, in het eind der dagen om dan Zijn Gemeente tot Zich te nemen als Zijn bruid, en haar versierd met statiekleederen in te leiden in des Heeren paleis, om eeuwig aan te zitten aan het bruifloftsmaal des Lams. Nu wordt wel deze en gene opgenomen en toegebracht tot het aanschouwen des heils. Maar dan zal het de groote ontmoeting zijn, dat héél Sion, dat al Gods kinderen zullen verheerlijkt worden, om altijd te genieten van Christus' kruis-en zoenverdiensten en altijd bij God te zijn.
Die wederkomst dès Heeren op.de wolken zal dan tweeërlei openbaren. Allen die Hem hebben veracht en Hem niet hebben leeren omhelzen in den geloove zullen dan beschaamd staan met hun eigen weg en werk en ze zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis.
'Daarover spreekt de Heiland telkens. En dan zóó, dat Hij zegt geen lust te hebben in den dood des zondaars, maar hierin, dat de goddelooze zich bekeere en leve. Aldus getuigt Hij dan ook van Zijn wederkomst, zeggende : bekeert u en wordt.behouden. En Hij toeft en Hij blijft uit, opdat de onbekeerden, opdat de volkeren, tijd en gelegenheid zouden hebben, om hunne schadelijke wegen, die tot den dood leiden, te verlaten en zich tot God te wenden in den nood.
Vertroostend spreekt Hij daarom over Zijn'wederkomst tot Zijn Gemeente, die hier op aarde dikwijls zooveel te lijden en te strijden heeft. Dan zegt Hij, dat Hij niet henengegaan is, om hen te vergeten, maar om plaats voor hen te bereiden. En vertroostend, bemoedigend, voegt Hij er bij : Ik kom straks, als Ik plaats bereid heb, weder om u allen tot Mij te nemen, opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben, in des Vaders heerlijkheid !
.Maar waarschuwend spreekt 'Hij tot de onbekeerden, opdat ze hun bekeering toch niet zullen uitstellen en opdat ze niet met de booze wereld dwaselijk zullen zeggen : dood is dood. Neen, dood is niet dood. Het gaat om die groote eeuwigheid. Het gaat om die ure en dien dag, om allen voor Christus gesteld te worden, en voor Gods aangezicht te worden-geoordeeld. En daarom roept de Heiland telkens waarschuwend: bekeert u, want Hij komt. Hij komt gewis, die de aarde zal richten in gerechtigheid.
Ook om te stellen tot nauw onderzoek spreekt de Heiland van Zijn wederkomst. Hij komt. Hij komt gewis. En dan zal ieders werk in het gericht komen. De boeken zullen worden geopend. • Alles zal door vjiur worden beproefd. Zal het goud zijn, dat de proef kan doorstaan ? Zullen het stoppelen zijn, zal het hooi of stroo wezen dat met vuur zal worden verbrand ?
Tot nauw onderzoek. Waarbij de Heere toeft te komen, opdat we ons tot dat onderzoek zullen stellen. Opdat we getroost en bemoedigd en gesterkt zullen worden, als we de sporen van het geestelijk werk Gods mogen zien bij ons. Opdat we ons hart daar op zetten zullen bij vernieuwing en daarbij zullen hopen op Zijn komst en zullen uitzien naar Zijne heerlijkheid en de verlossing van gansch Sion.
Maar opdat we ook tot ontdekking zullen komen van valsche gronden. Van hetgeen wél een schijn heeft, maar geen wezen ; 't geen wel vorm is, maar allen inhoud mist ; hetgeen wel vleeschelijk, maar niet geestelijk is ; hetgeen wel uit den mensch is, maar niet uit God En dan toeft de Heere te komen, opdat we nog tijd zullen hebben, om ons te bekeeren en ons heen te spoeden tot Hem, die gezegd heeft : komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven ; Ik zal u geenszins uitwerpen.
Daarom toeft Hij nog. En daarom spreekt Hij telkens over Zijn wederkomst : tot waar schuwing, tot vertroosting — ook opdat de schijnvrome tot ontdekking zal komen van hetgeen hij mist en wat hij toch noodzakelijk kennen en bezitten moet, zal hij straks met de bruid tot den Bruidegom gaan en worden binnengeleid in des Konings paleis.
Het is duidelijk dat in onze gelijkenis, die gewoonlijk , de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden genoemd wordt, de nadruk valt op het noodzakelijke om zichzelf nauw te onderzoeken, of wel gekend wordt, wat straks in de eeuwigheid voor God bestaan kan en voor altijd vreugde en-blijdschap zal geven in de tegenwoordigheid van Jezus Christus.
Want die tien maagden lijken in zooveel op elkander. Ze spreken saam over den Bruidegom. Ze weten dat Hij komende is. Ze-, kleeden zich in feestgewaad. Ze trekken uit Hem tegemoet. Ze dragen allen een lamp In die lamp is ook olie, bij de een en bij de ander. Maar het slot van de geschiedenis maakt ons duidelijk, dat er toch zoo groot onderscheid ligt tusschen de wijzen en de dwazen. De wijzen hebben lampen met olie en de dwazen hebben lampen zonder olie. Bij alle schijnbare overeenstemming is er een diepgaand verschil. De wijzen hebben waar 't op aankomt ; de dwazen missen waar 't op aankomt ; de wijzen hebben 't wezen der zaak, de dwazen alleen den vorm.
Waar het op aankomt. Dat moeten we hebben ; en als we dat hebben, hebben we alles ; terwijl we alles missen, als dat niet ons deel geworden is door Gods genade. De wortel, het wezen der zaak moet ons deel geworden zijn, want anders zullen alle vormen en uitwendigheden ons tenslotte toch ledig laten.
Die dwaze maagden hadden wel vele voor rechten. Want hoe wordt het niet openbaar bij hen, dat ze niet doen zooals duizenden, die, als het over den Heere Jezus gaat en over Zijn wederkomst eenvoudig de schouders ophalen, den neus optrekken, wat lachen en spottend over de zaak spreken I Neen, dat doen ze gelukkig niet. Ook doen ze niet zooals zoovelen, die zeggen, dat ze wel in een God gelooven en zeggen te belijden, dat dood volstrekt niet dood is — maar intusschen nooit naar de kerk gaan, nooit in den Bijbel lezen, nauwelijks nog bidden en danken voor en na het eten.
Dan hebben die dwaze maagden veel vóór. Zij zijn godsdienstig, zij zijn ijverig, zij mengen zich onder de vromen ; zij scharen zich onder het Woord, zij verachten de Sacramenten niet — zie ze maar met de brandende lampen met de wijze maagden uittrekken ; want de Bruidegom komt!
Dat weten ze, dat voelen ze, daar spreken ze over — doch waar het op aankomt, dat missen ze.
Dat valt maar niet dadelijk op. Dat is zoo maar niet ineens te zien. Neen, dat zit verborgen, dat zit inwendig dat gemis. En dat moet op den duur uitkomen. Dat wordt openbaar, omdat de Bruidegom toeft en het werk bij de dwaze maagden alzoo op de proef wordt gesteld.
't Gaat evenals met die twee menschen die ieder een huis gingen bouwen, zooals de Heiland ons op 't eind van de Bergrede schildert. Beiden doen een goed werk, een verstandig werk. Maar waar 't op aankomt voelt de een heelemaal niet, en de ander mag het verstaan. Dat komt niet dadelijk uit als die twee huizen er staan. Maar dat komt uit op den duur ; als 't werk beproefd wordt ; als de wind opsteekt, de piasregens tegen het huis aanslaan, de orkaan loeit. Dan wordt openbaar, dat onder het eene huis losse zandgrond ligt en dat het andere huis op een rots gebouwd is.
't Gaat als met Kaïn en Abel, die beiden uitgaan naar het veld en ieder een altaar bouwen en ieder een offer branden.
Maar wat de een kennen mag, mist de ander ; want Abel was Godvreezend en Kaïn was boos.
De dwaze maagden missen waar 't op aankomt.
En dat wordt openbaar, doordat de Bruidegom toeft te komen.
Dat toeven van den Bruidegom'heeft natuurlijk bedoeling. Daardoor worden èn de wijze èn de dwaze maagden beproefd. En ze vleien zich neer langs den weg ; ze slapen in ; waarbij de lampen kwijnen gaan, het licht verdonkert; ze gaan uit.
Geen verheffend beeld van Christus' Kerk! Het tegenovergestelde van kinderen des lichts te zijn ; van 'getrouwe getuigen van Jezus Christus te wezen ; van te leven uit den Heiland, met een teeder zielsbegeeren biddend : „Kom, Heere Jezus, ja, kom haastelijk !"
Geen verheffend beeld van Gods Kerk in de laatste tijden ; in critieke tijden ; in tijden waarin zulke groote dingen op 't spel staan. Slapen ; sluimeren — en de lampen in 't ongereede ; de pit walmend uitgaande.
Geen begeerlijke zieletoestand.
Maar daar klimt het geroep : de Bruidegom komt. En het hart is als de kompasnaald : nauwelijks opgewekt strekt zich het begeeren uit, om Hem tegemoet te gaan. En de pit van de lamp wordt opgetrokken, de vlam flikkert weer met nieuwen glans. De liefde is hard als de dood en overwint alles. En ja, daar komt de Bruidegom en de blijdschap bereikt haar hoogtepunt ; 't geluk en de zaligheid is Hem te mogen zien, te mogen Volgen en altijd bij Hem te mogen zijn-
Maar daar staan de andere vijf. Het andere deel, dat zoo dwaas was, dat het mee gelöopen had, zonder recht te weten waar 't om ging. Het had alles nagedaan, alles aangetrokken, alles meegenomen. Wat men zoo al bij de anderen had gezien. Het ging ter bruiloft ! Maar waar 't op aankwam dat miste men.
Dat wil de gelijkenis scherp doen uitkomen. Dat vreeselijke, dat er ja, ook spotters en loochenaars en ruwe Godsverachters zijn die straks bedrogen zullen Uitkomen. Maar — dat er ook hypocrieten, geveinsden zijn, die zich zelf bedriegen en anderen bedriegen, meer of minder bewust en die voor tijd en eeuwigheid meenen dat het in orde is, omdat ze alles maar oppervlakkig nemen, doch die er niet op rekenen, dat de Heere een keursteen draagt, waarmee alles wordt getoetst en waardoor het ledige van het volle, het valsche van het ware, het onechte van het wezenlijke, het kaf van het koren gescheiden wordt.
Vreeselijk ! Kaf en koren groenen en groei en saam zoo nauw vereenigd welig op den vruchtbaren akker. Zoo hecht vereenigd, zoo wonderlijk dooreengemengd. En het kaf groeit om straks verbrand te worden en hef koren wordt binnengehaald in de schuren.
Om te waarschuwen. Om te zetten tot nauw onderzoek. Om in het midden der gemeente ernstig te zeggen : er is schijn en er is wezen, er is vorm en er is inhoud, er is waar geloof en er is ledig geloof.
De Heere wil ons op de proef stellen. Telkens weer. Ook nu.
En de proef is ?
Of er een brandende, met olie gedrenkte liefde des harten tot Christus is. Een inslaan van de wortelen des geloofs in den volzaligen Borg en Middelaar. Waarbij verflauwing wel kan intreden, wat Gods kind nooit tot eere strekt, wat voor den naaste nooit bevorderlijk is en wat Gods Naam nooit eere aandoet — maar verflauwing, die weer over gaat, als.de ziele wakker geschud wordt, op welke wijze dan ook, om bij vernieuwing in liefde op te waken en uit te zien naar Jezus.
Neen, onze goede werken kunnen ons niet helpen. ... ».
De wereld munt misschien wel uit boven Gods kinderen in hetgeen door den naaste geprezen wordt.
Maar het als een arm zondaar in Christus, als den waren levensboom, te worden ingeënt, is de overzetting uit den dood in het leven, uit de rampzaligheid in de vreugde des heils.
Het verliezen van z'n leven, om 't in Christus te vinden, dat is het criterium, de beslissende en kenmerkende zaak. De wortel, het wezen van die zaak te mogen kennen en te mogen bezitten, dat is het „binnen" zijn, terwijl allen die dat missen „buiten" zijn.
En nu wordt er ook door degenen, die godsdienstig en kerkelijk meeleven zoo wéinig naar gestaan, om toch te mogen weten of men in Christus gestorven is en in Christus is opgestaan ; of de ziele hiervan verzekerd mag zijn, de zonden in Christus te zijn kwijtgeraakt en de gerechtigheid uit Christus ontvangen te hebben.
Men leeft bij allerlei vormen, met allerlei woorden ; men volgt allerlei gewoonten ; men jaagt allerlei kenmerken na, om ze toch maar te mogen bezitten ; men vertrouwt op menschen ; men buigt zich zus en men wringt zich zóo — maar zich als een arm zondaar te mogen verliezen in Christus' borggerechtigheid, daar komt het niet toe.
En als nu de Bruidegom eens komt ? .
Als Hij eens spoedig komt?
En als Hij ons dan eens vond in rustigen slaap ? En als we dan eens 'zijn ingeslapen bij een lamp, die brandt, om te ontwaken bij een lamp die uitgegaan is, die geen olie heeft, die ons in duisternis hult, die ons den Bruidegom doet missen, die ons buiten de bruiloftszaal eeuwig doet omkomen ? •
Wij meenden, dat we rijk waren ; en we blijken arm te zijn. Wij meenden, dat we overkleed waren, en we blijken naakt te zijn
Zijn we nog dood, terwijl we den schijn hebben te leven ?
Zijn we nog duisternis, terwijl we een lampdrager zijn ?
De Heiland toeft.
Waarom ?
Omdat Hij nog geen lust heeft in onzen dood, maar hierin, dat we in den tijd dat Hij nog toeft ons zullen zetten tot nauw onderzoek, om, zoo we nog missen waar 't op aankomt, dit te leeren zoeken bij Hem, 'die alles geven wil om niet aan degenen, die waarlijk arm en ellendig tot Hem leeren vluchten.
Neen, straks kan het niet meer.
Dan kunnen we óok niet bij menschen nog geholpen worden. We kunnen niet leenen dan bij Gods kinderen, wat we voor den Heere noodig hebben, om Hem te ontmoeten en in te gaan tot de rusten die er over blijft voor Gods volk. Dat is niet te leen. Dat is niet over te nemen. We kunnen niet met andermans genade door de poort binnen dringen. We kunnen ook geen plaats dan krijgen met tranen of met roepen. Dan is 't te laat.
Maar is 't niet te leenen van Gods kinderen ; is 't niet te koopen van anderen ; is 't.niet te verkrijgen met zuchten, met tranen noch met iets anders — Hij, bij Wien de wateren des levens zijn, betuigt het nog in 't heden der genade : kom tot Mij en Ik zal u geenszins uitwerpen.
Dat is die zelfde Heiland, die straks anders spreken zal.
Die straks zal zeggen, tot allen die hun harte hebben gesloten gehouden en hun ziele hebben verstoken voor Hem en hun zonden niet hebben beleden, en Zijri gerechtigheid niet hebben verkregen om niet : ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend, gij die de ongerechtigheid liefheb.
Loopen er niet veel met lampen, die straks zullen uitgaan.
Loopen er niet veel die dwaas zijn, omdat ze onbekeerlijk van harte, niet leeren zoeken wat tot hun eeuwigen vrede dient ?
En dat te mogen kennen en te mogen bezitten ; daarbij te mogen leven en te mogen sterven, is en blijft toch het hoogste goed.
Dat is de wijsheid, te mogen zoeken en vinden, wat in Christus voor een boos en verdwaasd volk is geopenbaard.
Dat is 't wat ook de lampe doet lichten. En verflauwt het bij tijden dan, in Christus is eeuwige zaligheid over de ziele gekomen, Zoodat als de ziele opwaakt, de blijdschap wederkeert, het geloof wordt ver nieuwd en de liefde opwaakt.
Zóó heerlijik is het goed, dat Gods kinderen ten deel viel.
Het zal niet ondergaan. Het zal niet verstikken. Het zal niet walmend eindigen in stikdonkeren nacht.
Ook het kleinste .vlammetje zal de Heere aanblazen.
De olie des Geestes doet de lamp lichten.
En hoe dichter de Bruidegom nadert, hoe meer de ziele opwaakt. Dan is 't: op Uwe zaligheid wacht ik o Heere I Dan is 't: o blij vooruitzicht dat mij streelt ! Dan is 't^ kom Heere Jezus, ja, kom haastelijk ! Dan is 't een hunkeren met heilig heimwee naar de Godsstad, die boven is.
Dat een ieder, die den wortel, 'het wezen der zaak dan nog mist, den tijd der genade nog moge leeren uitkoopen, om tot Christus als Borg te vluchten vóór Hij als Rechter verschijnt.
Dat de kleinen en de schuchteren zich wenden tot Hem, die met de olie Zijns Gees tes de rookende vlaswiek wil doen opvlammen, om licht en vreugd en vrede te geven aan allen die Hem zoeken.
Dat Gods kinderen, die mogen weten wat het is, om uit de duisternis te zijn overgezet in Gods wonderbaar licht, in dat licht mogen wandelen. Dat zij niet slapen en ledig bevonden worden in deze laatste dagen. Dat zij mogen waken, bidden, strijden. Dat hun lamp lichte door goddelijke genade om als kinderen des lichts te wandelen, verkondigende de deugden Desgenen die hen geroepen en geheiligd heeft. En dat ze als vreemdelingen hier mogen wandelen met Christus in het hart, de aarde onder hun voet en Jeruzalem voor oogen. Dan is 't hier altijd maar ten deele, maar straks verandert het gelooven in aanschouwen, in de stad des lichts, waar geen donkerheid is, daar Jezus de lamp is die alles omstraalt met hemelsche heerlijkheid, waarbij de kleinen met de grooten van heerlijkheid mogen spreken en in heerlijkheid mogen zijn in de nabijheid van den hemelschen volzaligen Bruidegom, Die al de Zijnen kocht niet met goud en zilver, maar met Zijn dierbaar bloed dat reinigt van alle zonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's