Stichtelijke overdenking.
»De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.« Lukas 19 vers 10.
De Heere Jezus zoekt en zaligt het verlorene
Toen Christus, tijdens Zijne omwandeling op aarde, bij gelegenheid van Zijne laatste reis naar Jeruzalem, door Jericho kwam, nam Hij daar intrek bij een overste der tollenaren, Zacheüs genaamd ; en toen zij, die hiervan getuigen waren, daarover murmureerden, omdat de Heere Jezus, zooals zij het noemden, tot eenen zondigen man was ingegaan, om te herbergen, toen wees Hij er hun op, dat Hij daar juist moest zijn. Immers, de Zoon des menschen was gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Verloren ! droevige zaak ! En toch, dat zijn wij van nature allen. Wij behoeven niet veloren te gaan, wij zijn het. Geheel de wereld is, volgens de Heilige Schrift, verdoemelijk voor God. Wij hebben allen gezondigd. Er is niemand, die goed doet ; ook niet tot één toe.
Een gevolg van Adams droeven zondeval. In het Paradijs reeds is de mensch aan God ongehoorzaam geworden ; en daardoor komt het, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden, en dat wij het voorwerp zijn van Gods geduchten en billijken toorn reeds van het uur van onze ontvangenis af. De hooge God toch kan, krachtens Zijne heiligheid, de zonde niet ongestraft laten.
En de zondaar zal uit zichzelf nooit God zoeken, evenmin als het verloren schaap den herder ; ja is daartoe even zoo weinig in staat als de penning bij machte was om zich weer in het bezit te stellen van de vrouw, die hem verloren had.
Maar zie ! nu is God met den mensch niet bedrogen geworden. Van eeuwigheid af voorzag Hij diens diepen val ; waren bij Hem ook gedachten des vredes, en heeft Hij in Christus Jezus eenen weg van behoudenis uitgedacht.
Deze werd dan ook reeds in de nooit begonnen eeuwigheid Borg voor gevallene Adamskinderen, en kwam in de volheid des tijds op aarde, om zondaren zalig te maken. Hij was den Vader gehoorzaam tot in den bitteren en smadelijken dood des kruises ; en heeft door Zijn zoenlijden den levendmakenden Geest verworven, waardoor Hij zondaren ontdekt aan hunne ellende en schuld, verlegen naar Hem doet vragen, en tot hunne zielen gaat spreken van vergeving en vree.
Zoo maakt Hij hier reeds bij aanvang de ziel zalig, en doet eene vreugde smaken, waarvan het onvernieuwde hart geen begrip heeft ; eenen vrede, die alle verstand te boven gaat.
En als straks de dood komt, dan is de ziel van alle lijden en zonde verlost, terwijl na den grooten dag der opstanding deze weder met het lichaam vereenigd zal zijn. En als dan dat lichaam, dat in zwakheid en oneer werd gezaaid, in kracht en heerlijkheid is opgewekt, als dit sterfelijke onsterfelijkheid, en dit verderfelijke onverderfelijkheid heeft aangedaan, dan zal, wat vroeger diep verloren was, van alle zonde en leed door Jezus verlost, in de gemeenschap met den drieëenigen God volkomen gelukkig zijn.
Zoo zijn we dan van nature allen verloren. Wij hebben niet meer noodig, het te worden. Wij zijn het. Doch nog niet reddeloos. We kunnen nog behouden worden. Wij zijn nog in het heden der genade. Het is nog de vindenstijd. We zijn nog op de aarde, waar Jezus verloren zondaren zoekt.
Evenwel, de tijd der genade is kort. We vliegen daarheen. We zijn hier slechts een korten tijd. Bij de eeuwigheid vergeleken, is het langste leven niet meer dan een oogwenk, dan de tik van een klok. En als we bijtijds niet gered worden, dan zijn we weldra onherstelbaar verloren..
In de hel zal het niet meer wezen : Laat u redden, zondaar. Na het „ga weg van Mij" wordt nooit meer een „kom tot Mij" gehoord. Nu is het nog : „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", maar als we onbekeerd sterven zullen we boven de poort der hel geschreven zien : „Hier laat men alle hoop varen." Het ontzaglijke van het onherstelbaar verloren gaan zal niet slechts bestaan in den worm, die nooit sterft, en in het vuur, dat nooit wordt uitgebluscht, maar vooral in het overgegeven zijn aan de eeuwige wanhoop. En wat vooral de plaats der rampzaligheid zoo ontzaglijk zal maken, is-de wroeging, bijzonder voor degenen, die onder het Evangelie geleefd hebben ; het bewustzijn : ik heb de gelegenheid gehad, om behouden te worden, maar ik heb deze moedwillig laten voorbij gaan, en den liefdevollen en vriendelijk noodigenden Heiland stout versmaad. Waarlijk, wanneer wij zwart op zwart konden schrijven, dan zouden wij nog niet te donker kunnen teekenen den toestand van eene voor eeuwig verloren gegane ziel.
Maar nu is de vraag, of wij dat inzien. Ach, helaas ! van nature zijn wij daar ten eenenmale stekeblind voor.
Nahas, de koning der Ammonieten, wilde den inwoners van Jabes in Gilead het rechteroog uitsteken, maar Satan heeft van ons de beide oogen uitgestoken.
De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn.
Van nature zijn we allen geestelijke familie van Laodicea. In eigen oog rijk en verrijkt. In eigen schatting hebben we geens dings gebrek. En we weten niet, dat we zijn jammerlijk, ellendig, arm en blind en naakt.
En daarom is zoo noodig, dat bijtijds het oog voor onzen dieptreurigen toestand open gaat, opdat we straks niet blindelings in het eeuwig verderf aanlanden.
En zie ! de Heere Jezus juist opent de oogen der blinden. Hij is in het bezit van oogenzalf, waardoor wij ziende kunnen worden. ' ,
Nu denken we misschien vvel bij onszelf: Daar kan ik niets aan doen. Ik kan mijzelf tot Jezus niet brengen. En dat is waar. Zelfs veel .meer waar, dan wij het kunnen denken. Wij zijn even onmachtig als die verloren penning, wijl we van nature dood zijn door de zonden ; evenmin in staat iets waarlijk goeds te doen, als de zwarte moorman, om zijn huid te veranderen. Doch laten we niet meenen, dat dit ons verontschuldigen zal. Want we kunnen niet, dat is waar, maar het is slechts de halve waarheid. Wij willen ook niet. En dit laatste juist maakt ons strafbaar.
De Heere Jezus zegt tot de halsstarrige Joden : gij wilt tot Mij niet komen ; en eenmaal zal Hij ook tot ons, als wij onbekeerd komen te sterven, zeggen : gij hebt niet gewild ; en ons eigen geweten zal dan wel zeggen, dat die groote Rechter gelijk heeft.
Christus sprak eenmaal in Zijn nachtelijk gesprek tot Nicodemus : de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, omdat hunne werken boos waren. En dat geldt ons ook.
Een ontzaglijk woord vinden wij in den 109den Psalm. Daar heet het : Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en hij geen lust heeft gehad in den zegen, zoo zij die verre van hem. Nietwaar ? waar we de duisternis liever hebben dan het licht, wat onbillijks is er daar in, als we straks moeten hooren : Gaat weg van Mij, in die buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden. We hebben daar de duisternis immers gewild. We krijgen dan juist wat we zochten.
En dan nog iets. Mochten we onze onmacht ten goede, en onze hulpeloosheid maar recht gevoelen, en ons als een in onszelf reddelooze leeren kennen. Dan zouden wij juist het rechte voorwerp voor Jezus zijn. Hij helpt juist, wat zichzelven niet helpen kan.
Gij weet van dien drenkeling, die te water raakte in een diepe kolk. In weerwil van al zijn moeite en pogingen tot zelfbehoud, kon hij niet op het droge komen ; en niemand ook waagde het in het water te springen, om hem er uit te halen. Ook de sluiswachter niet, die reeds menigen drenkeling het leven gered had, en op wien thans aller oogen weder gericht waren. Ook hij bleef staan als een roerloos toeschouwer, en sloeg de pogingen van den drenkeling tot zelfredding bewegingloos gade. Totdat tenslotte de krachten van den drenkeling waren uitgeput en hij stil werd. Toen sprong de sluiswachter in de kolk, greep den ongelukkige, en bracht hem veilig aan wal. En toen men hem later vroeg, waarom hij niet eerder in het water gesprongen was, om te helpen, gaf hij ten antwoord : Wel, als ik dat gedaan had, toen de kracht nog niet uitgeput was, dan had hij mij mede in de diepte gesleurd' en waren wij beiden omgekomen.
Nu spreekt het vanzelf, dat bij Jezus dat gevaar niet is. Hij is, evenals de Vader, almachtig. Hij kan, wat Hij wil. Maar dat neemt toch niet weg, dat dit des. Heilands gewone wijze van doen is. Zoolang wij meenen, dat vvij zelf nog iets vermogen tot onze eigene behoudenis, zoolang blijft Hij van verre ; maar als wij. aan het eind zijn van onze krachten, en niets meer kunnen, als wij aan onszelf gaan wanhopen, dan staat die groote Redder met Zijne almachtige hulpe gereed.
Het komt er daarom voor ons op aan, dat wij onszelf als een verloren zondaar leeren kennen.
De later zoozeer bekende en uitnemende Engelsche prediker Whitefield, meende in vroegere dagen, dat hij zich door eigene goede daden geschikt moest maken, om tot Jezus te kunnen gaan, inplaats van zich als een in zichzelf gansch reddelooze aan Hem te leeren overgeven. Hij deed straks de ervaring op, dat dat niet ging. Dat hij niet beter, maar in eigen oog steeds slechter werd.
Op zekeren dag kwam hij bij eene ervarene Christin, en zeide : Ik ben verloren, ik ben verloren ! Zij antwoordde : Ik ben blijde, dat ik dat van u hoor. Hij : Blijde, dat gij van mij hoort, dat ik verloren ben ? Ja, zeide zij, want ik wist wel, dat gij verloren waart, en. God wist het nog beter, maar gij moest het ook weten, en nu ben ik blijde van u te hooren, dat gij het ook weet.
Want de Heere Jezus is juist gekomen, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Ja, dat is het. Wij zijn verloren. God weet het wel, en de Heere Jezus weet het wel, maar wij moeten het-ook weten. Dan eerst zijn wij recht geschikte voorwerpen. Dan gaan we Jezus zoeken. En een zoekende Zaligmaker en een zoekende zondaar hebben zeker wel alle kans elkander te ontmoeten.
En weten we ons door Jezus gered, hoe gelukkig zijn wij dan.
Maar laten we niet vergeten, dat we daar alles hebben te danken aan vrije genade. Want niet alleen, , dat we door Hem behouden werden, maar ook, dat we onszelven als verloren leerden kennen, was uitsluitend Zijn werk. Hij werkt het willen 'en het werken naar Zijn welbehagen. In den grond der zaak zal het altijd wezen : „Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten."
Nu is hier dé verlossing altijd nog maar ten deele. Hier blijft het voor Gods "kind steeds het land van moeite en leed. Eenerlei toch wedervaart' den rechtvaardige en den goddelooze. De bekeerde en onbekeerde, beiden hebben hier hunne teleurstellingen en zorgen. Ja, dan hebben de kinderen des Heeren hier dikwijls nog bijzondere beproevingen. Immers, dien Hij liefheeft, dien kastijdt Hij ; Hij' geeselt zelfs lederen zoon, dien Hij aanneemt. Ja, zij die door genade het eigendom van Christus mogen wezen hebben hier op aarde een strijd, dien de wereldling niet kent. Zij hebben een strijd tegen de wereld, die in , het booze ligt, aangaande welke Christus hun een testament heeft nagelaten, waarvan de inhoud is : Indien de wereld u haat, zoo weet, dat zij Mij eer gehaat heeft dan u. Tegen Satan, haren overste, die rond gaat als een brieschende leeuw, om te verslinden ; en , tegen diens booze geesten in de lucht. En dan den moeilijksten strijd tegen het eigen bedorven vleesch, de oude natuur, de inwonende zonde. Deze strijd is de zwaarste, omdat de andere vijanden buiten de vesting zijn, maar deze binnen de poort. Een kenmerk van eiken waren Christen iS dan ook, dat hij heeft leeren vechten tegen zichzelf.
Daarbij komt meermalen nog verberging van Gods vriendelijk aangezicht, waardoor de ziel wordt verschrikt.
En als nu dit alles bij elkaar komt, wat wonder dat dan zulk een wel eens met een David uitroept: Mijne ziel is zeer verschrikt en Gij Heere ! hoe lange ? Waarom verbergt Gij U ten dage der benauwdheid ?
En met den dichter elders : Mijne ziel druipt weg van treurigheid ?
Maar dat is slechts voor een korten tijd ; weldra is alle lijden voorbij, en zal God alle tranen van de oogen afwisschen. Nog eene korte wijle, en de ziel is volkomen verlost, en straks na dien doorluohtigen Jongsten Dag ook het lichaam.
Dan zal de door Jezus gezochte en verloste volkomen zalig zijn.-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's