Uit het kerkelijk leven.
De Kerk en de sociale beweging van onzen tijd.
II.
De-Kerk heeft veel van haar invloed op het leven des volks ingeboet, door eigen verval, door eigen verdeeldheid ook. En het zal héél wat moeite kosten om de positie weer te herwinnen welke zij heeft in te nemen in het midden van het maatschappelijk leven, gelijk zij daartoe van God geroepen is
Jammer toch, dat de Kerk zich zelf niet durft te zijn. En dat zij daardoor ook haar roeping niet vervult in het midden van het volksleven. Waarbij in de derde plaats komt dat het sociale, gemeenschapsleven der inwoneren van ons land, grootelijks schade lijdt, doordat het geen toevoer van geestelijke krachten ontvangt, zooals dat toch moet zal het gemeenschapsleven, zal de groote volkshuishouding, niet verarmen en verschrompelen, om geheel op te gaan in stoffelijke dingen en zoo geheel in verkeerde banen komen.
Neem het pojitieke leven maar. Wat arm is alles, als de geestelijke vraagstukken zelfs niet worden aangeroerd ! Wat is Nederland en wat is Indië er dan ellendig aan toe.
Neem in het midden van het sociale leven de vakorganisatie maar. Wat is het onder patroons en onder gezellen toch ellendig gesteld, wanneer al de verhoudingen van het samenleven geregeld worden alsof er geen Woord van God meer bestaat, waarin de Heere ons Zijn wil heeft geopenbaard ; wanneer alles wórdt geordend en gecontracteerd alsof er geen geestelijke, hoogere verhouding meer bestaat onder de menschen onderling en alsof én de patroon èn de gezellen niet van God hebben geleerd door Zijn Woord en Geest, dat we een goddelijke roeping saam in het leven hebben te vervullen, waarbij aan Gods zegen alles gelegen is, waarbij Gods Woord een lamp voor den voet en een licht op, ons pad behoort te wezen en waarbij den Heere eenmaal rekenschap van alles zal moeten worden gedaan.
Temidden van al deze dingen heeft nu de Kerk een roeping. De Kerk, aan welke de Heere Zijn Woord heeft toebetrouwd, om een getrouwe uitdeelster te zijn van meniger lei genade voor elk terrein des levens ; de Kerk met haar lange geschiedenis, met haar vele geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen ; de Kerk met haar prediking, met haar catechetisch onderwijs, met haar huisbezoek, met haar hulpbetoon aan armen en kranken en gebrekkigen !
En hoe staat het nu ten opzichte van deze dingen met de Kerk ?
Hoe gebruikt zij den kansel ; hoe de leerkamer ; hoe het huisbezoek ?
~ Het antwoord kan niet moedgevend zijn. En juist, omdat wij niet van meening zijn, dat de Kerk haar tijd gehad heeft, maar integendeel nog een grootsche, heerlijke taak heeft te volbrengen op aarde, zouden we zoo gaai-ne zien, dat men zich rekenschap van deze zaken gaf, om tot een betere vervulling van haar taak te komen.
Neen, wij gelooven niet, dat het christendom afgedaan heeft; dat het christendom bankroet is ; dat de Kerk geen plaats meer verdient in het midden des levens. Wij gelooven het tegendeel. Dat het christendom een grootsche taak heeft en houden zal ; maar nu moet de Kerk, die tot groote dingen geroepen is, waar de geestelijke dingen niet gemist kunnen worden, ook meer en meer zich bewust worden welke plaats zij behoort in te nemen in het midden des levens en er naar staan, om die plaats ook weer te veroveren. Juist ook, omdat er meer behoefte is aan geestelijke leiding ; meer belangstelling in geestelijke dingen ; meer vraag naar positief geestelijk leven op allerlei terrein.
Want wij zijn niet van die meening, welke wel door sommigen wordt voorgestaan, dat de Kerk zelf groote beteekenis heeft, maar met haar prediking en sacramentsbediening geheel afzonderlijk en dus afgeschei den van het volle menschenleven behoort te staan. Enkel voor de ziel ; enkel voor eigen kring in geestelijken zin heeft te zorgen, zonder meer.
Die meening wordt wel geuit door sommigen. Maar wij kunnen daar niet mee meegaan.
Want de leden van de Kerk leven toch niet alleen een geestelijk leven voor de ziel. Zij hebben toch niet alleen een leven voor den Zondag. Ze staan toch midden in het volle leven alle de dagen der week ; heel het jaar door. En een christen wil toch ook in zijn huiselijk leven met en voor elkander wandelen bij het licht van Gods Woord en gaan in het pad van Zijn waarheid. De christen heeft er toch behoefte aan om in het midden van het maatschappelijke, van het sociale, van het politieke leven te vragen naar Gods geboden, om te wandelen bij het licht van Zijn Woord. In eiken kring wordt door den christen, als 't goed is, toch gevoeld : hier heb ik God noodig. En daarom heeft de christen er behoefte aan, dat in den dienst des Woords het goddelijk licht der waarheid uitstraalt naar alle kanten ; dat de Kerk haar leden sterkt en stuurt en leidt om overal, op elk levensgebied, mee te krijgen van Gods waarheid en te arbeiden naar uitwijzen van Gods Woord.
Er bestaat dus verband tusschen het christelijk leven en het maatschappelijk leven. Dat verband moet althans bestaan, als 't goed is. Een verband van wortel en stam en tak. De kracht van het geestelijk, religieus leven moet de kracht van het maatschappelijk, sociale, politieke leven zijn. Er is hier geen scheiding mogelijk, in dien zin, dat het geestelijke, religieuse leven niets te maken zou hebben met het maatschappelijke leven.
En steeds moet het groote doel bij den christen zijn : hoe kan ik Gods eer bevorderen en deelen in 's Heeren gunst ?
En dat moet de Kerk bevorderen. Zij moet op den kansel in de bediening des Woords, doen uitkomen, dat de Heere geen Zondagsch-christenen, maar echte, levende christenen begeert ; dat de Heere in Zijn Woord zegt, dat er geen enkel terrein is, waar men mag zeggen : hier komt het niet aan op de eere Gods en hier mag de mensch doen en laten wat hij wil. Alles, alles moet doortrokken worden van de vreeze Gods. En wat de christen belijdt en gelooft, moet verwerkt worden alle de dagen des levens overal.
En niet alleen op den kansel in de bediening des Woords, bij behandeling van vrije stof en bij bespreking van den Heidelbergschen Catechismus, maar ook in de catechisatiekamer moet de Kerk dat het opkomend geslacht van der jeugd af leïden. Gelijk ook bij huisbezoek moet uitkomen, dat onze godsdienst moet zijn als een zout dat alles moet doortrekken, als een züurdeesem dat alles doorzuurt. Onze godsdienst moet zijn of worden een leven uit .God en een leven voor God. Het is niet iets uit ons, niet iets van beneden, maar van Boven, uit God. En het moet, zal 't goed zijn, tot God wederkeeren in een heiligen hartstocht om voor God te leven, voor Zijn aangezicht te wandelen in oprechtheid en overal Hem te prijzen en groot te maken.
Dat laatste begint niet pas straks, na den dood, in het hemelsch paradijs. Neen ! dat moet hier in dit leven beginnen, opdat de Heere door Zijn kinderen èn hier èn in den hemel worde groot gemaakt.
Neen, onze godsdienst is niet iets enkel en alleen voor gene zijde van het graf (niet alleen „jenseitig", voor na dit leven), maar wel degelijk ook voor déze zijde van het graf, voor dit leven, („diesseitig").
En zoo moet onze godsdienst, onze godsvrucht, onze vroomheid dit leven aanraken en doortrekken. Wat niet recht is in dit leven moet in onzen godsdienst een sterke, onvermoeide tegenpartijder vinden. Onze godsdienst moet weten te werken om onrecht weg te krijgen, te herstellen of te lenigen waar het onrecht geleden en gedragen is. Onze godsdienst moet zoeken het goede te zoeken, te doen, te steunen waar het eenigszins mogelijk is. En onze godsdienst komt er tegen op, om aldus een vraag te stellen : is de Christelijke religie er om hier op aarde te werken óf is zij er om in den hemel te komen — want als de vraag zóó gesteld wordt deugt de vraag niet. We moeten die dingen niet als een tegenstelling zien. We moeten het 'héél, héél anders zien.
En dat moet de Kerk verstaan, dat de dingen anders staan, dan men het. dikwijls voorstelt.
En de Kerk moet voorgaan, om het anders te leeren en anders te stellen; opdat meer en meer gevoeld worde dat godsdienst niet gemist kan worden nooit en nergens; en dat waarachtig zielsbezit zich moet uiten in daden altijd en overal.
Een beschouwend Christendom, dat in het hart wordt genoten verliest alle beteekenis wanneer 't in het hart blijft en naar buiten niet kenbaar wordt'; wanneer het niet werkt als een zuurdeeg, dat alle maten meels doortrekt.
Onze godsdienst, onze godsvrucht, onze vroomheid moet zijn naar de omschrijving van het Woord : God liefhebben boven alles en onzen naaste als onszelf.
Er zijn twee tafelen der wet. En aan deze twee tafelen moet onze godsdienst steeds en onafscheidelijk verbonden zijn. (Matth. 22 vers 37—40). Daadwerkelijk Christendom. En daar moet de Kerk de leidsvrouwe bij zijn in het midden des volks ; op den kansel, in de catechisatie-kamer, bij huisbezoek steeds in deze zich haar roeping bewust.
Tweeërl gedragslijn.
Er zijn menschen in onze Hervormde Kerk die 't liefst alles maar vrij laten woelen in de Kerk, om dan ook zelf van die vrijheid profijt te trekken. Van een wel omschreven belijdenis willen ze niet hooren. Ai dat objectieve, vaststaande, van buiten opgelegde — of hoe ze 't ook noemen — haten ze. Ze leven bij het subjectivisme, leder persoonlijk moet maar voor zich zelf uitmaken wat waarheid is.
Alle kerkelijke tucht wordt dan gemist en veroordeeld. Allerlei prediking des ongeloofs wordt geduld, zelfs allerlei Christus-verwerping.
Men klemt zich daarbij vast aan de groote menigte die zich in het midden van de dusgenaamde Volkskerk bevindt. Die massa wil men houden, om die massa zoo te zegenen met allerlei geestelijke zegening. En die massa zal dan nog meerderen van ons volk trekken, opdat nog grooter deel van ons volk in, de dusgenaamde Volkskerk zal worden vergaderd als binnen veilige muren.
En de vrucht? De kracht der Kerk is gebroken. De verwarring op het erf der Kerk is toegenomen. Het grootste deel van ons volk behoort niet meer tot die Kerk die volkskerk zich noemt. En de massa die meerderen zou toebrengen is de laatste vijftig jaar geen stap vooruit gegaan, wel minder geworden. De invloed op het volksleven van die Kerk wordt door niemand geroemd en men zegt, dat een Kerk die zich zelf niet durft zijn, die zichzelf tegenspreekt, die gelijk is aan een huis dat tegen zich zelf verdeeld is, door ons volk niet wordt begeerd en den ondergang nabij is.
De Gereformeerden willen daarbij iets anders. Zij zijn er op uit de autoriteit van Gods Woord naar voren te schuiven ; zij willen de Belijdenis der vaderen in eere houden ; zij staan er op dat de volle Christus der Schriften wordt gepredikt ; zij dulden niet, dat het stoffelijk element over het geestelijke zal heerschen en voor alles de gedragslijn zal gaan bepalen ; zij begeeren het ongeloovige en wereldsche element terug te dringen en het geloovige element weer op kracht te doen komen.
Men zegt, dat de Gereformeerden in deze zich bevinden in de lijn van Calvijn en van de Gereformeerde Vaderen en dat het gesteund wordt door wat de Schrift als leidend beginsel aangeeft en door wat ons omtrent de Kerken ujt den apostolischen tijd wordt geleerd.
En men zegt, dat zóó de invloed der Kerk, die een verhoogden Heer en Koning in den hemel heeft veel grooter is, dan dat men van Gods Woord aflaat, de tucht veracht, de Belijdenis verwerpt en ziet op de massa en op het geld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's