De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

14 minuten leestijd

»Houdende het geloof en een goed geweten, hetwelk 'Sommigen verstooten hebbende van het geloof schipbreuk geleden hebben.* 1 Timotheus 1 vers 19.

HET SCHIP DES BEHOUDS.

In de Schrift wordt ons het leven van den Christen gedurig voorgesteld onder 't beeld van een reis. De Christen is een pelgrim, ' die uit zijn vaderstad, de stad verderf, is weggetrokken met het doel en met de hoop eenmaal in het hemelsch Jeruzalem aan te komen en daar in te gaan in de eeuwige rust. We weten allen, welk een schoon en heerlijk gebruik de bekende Bunjan van dit beeld heeft gemaakt in zijn onnavolgbare „Christenreize".

In ons tekstwoord ziet de apostel het leven van den Christen ook als een reis naar de stad der eeuwigheid maar met dit onderscheid, dat thans een zeereis hem moet dienen voor de uitbeelding zijner gedachten. Het schip, waarmee de Christen uit de stad verderf vertrekt en waarmee hij eenmaal de stad Gods en de veilige haven aldaar hoopt te bereiken, heet geloof. Den meesten lezers zal het bekend zijn, dat een passagiersschip, dat over zee gaat, meestal ballast inneemt; wanneer men niet genoeg vrachtgoed mee kan nemen, laadt men andere zware voorwerpen in, dikwijls zakken met zand gevuld, enkel met het doel om het schip op die wijze vaster op het water te doen liggen. Een schip, dat niet geladen is, ligt te ondiep. Vooral op zee, als de golven hoog gaan, schuilt daar gevaar in van om te slaan, terwijl bovendien een ongeladen schip, dat niet vast op het water ligt (we moeten niet vergeten, dat men oud tijds alleen zeilschepen had), veel spoediger door den wind, vooral door rukwinden, uit den koers wordt geslagen.

Tot den ballast in , het schip „geloof" rekent nu de apostel een goed geweten. Want een goed geweten doet des Christens scheepke op de levenszee vast liggen. Daardoor wordt hij niet van allerlei winden van vreeze en schrik, bekommernis en aanvechting heen en weer gerukt en geslingerd, maar kan rustig voorwaarts zeilen.

Evenwel het zal menigeen wel eens opgevallen zijn, dat een ongeladen schip, als 't tenminste den wind mee heeft en met geen bizondere moeilijkheden heeft te kampen, sneller vaart dan een schip met grooten diep gang. In des apostels dagen hadden sommige Christenen dat ook opgemerkt en daar door zijn ze verleid geworden om dien ballast van. een goed geweten maar overboord te werpen.-Zonder dien ballast ging de vaart gemakkelijker en voor het vleesch aangenamer, maar ook veiliger ? Zie ze vooruitschieten, die Christenscheepkes, die het goede geweten over boord hebben geworpen ! Hoe gemakkelijk en licht varen ze daarheen ! maar och arme ! als ze de veilige haven nabij komen, beginnen de stormwinden uit te schieten en de scheepkes zonder ballast blijken niet in staat tegen den storm op te worstelen. Ze kunnen den ingang van de haven niet te pakken krijgen ; ze worden ter zijde afgedreven en lijden daar in het gezicht van de veilige haven op de vele rotsen en klippen schipbreuk. Wat baat het hun nu, dat ze zoo gemakkelijk daar heen voeren, toen de zee effen en kalm was ? Ten slotte is heel de reis mislukt en alles is verloren.

In deze waarheid ligt een treffende leering en ernstige waarschuwing voor allen, die meenen het.ware geloof deelachtig te kunnen zijn zonder een goed geweten. Ze bedriegen zich met een ijdele hoop en schoon ze de hope des eeuwigen levens in hun hart koesteren, zullen ze nochtans in de diepte des verderfs wegzinken.

Onder het geloof verstaat de apostel in ons tekstwoord de geloovige erkenning en belijdenis der Waarheid. Dat blijkt uit het volgend woord, volgens hetwelk Alexander en Hymeneus, na het goed geweten verstooten te hebben, ook van de Waarheid zijn afgeweken en hun goede belijdenis hebben verloren.

Op grond van de geloovige erkenning en belijdenis der Waarheid werd men oudtijds in de Gemeente opgenomen en voor een Christen gehouden. Als de kamerling belijdt, dat Jezus Christus de Zoon van God is en zegt, dat hij dit v a n h a r t e gelooft, is dat voor Filippus genoeg om hem door den Doop in de Christelijke Gemeente op te nemen. Zulk een erkenning en belijdenis der Waarheid spruit echter niet altijd op uit een levend geloof; ze kan ook door een historisch of tijdgeloof worden voortgebracht. Maar al kent de Schrift wel degelijk het onderscheid tusschen beide, van een scheiding, zoo'als we die bij tal van ethischen vinden, en ook bij sommigen, die den naam Gereformeerd wenschen te dragen, waardoor de kennis der Waarheid in minachting komt, is in de Schrift geen sprake. Hierom niet, wijl het voorwerp van het levende geloof en van het historisch geloof volkomen hetzelfde is.

Als de Catechismus ons het voorwerp van het levende, zaligmakende geloof omschrijft, spreekt hij van een voor waarachtig houden van alles, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft en even verder van al, wat ons in het Evangelie beloofd wordt. (Zondag 7). Dit is ook het voorwerp van een historisch geloof. Het onderscheid tusschen beide moet dus niet in het voorwerp gezocht worden, maar in het wezen. Doch het eigenlijk wezen van het ware geloof is een zaak des harten ; het onttrekt zich aan alle waarneming, wijl het wortelt in het binnenst der ziel ; daarom wordt het van God alleen gekend. Dit is oorzaak, waarom van oude tijden af tot nu toe velen zijn en worden opgenomen in den kring van Gods kinderen, die later toch hypocrieten blijken te zijn. Ze hebben de Waarheid Gods zeer schoon beleden, maar niet beleefd. Ze hebben het schip „geloof" mee zeilklaar gemaakt, zijn mee uitgevaren, doch hebben schipbreuk geleden voordat ze de veilige haven hadden bereikt.

De vrouw van Loth, wèl uit Sodom uitgegaan, en nochtans omgekomen, is het klassieke voorbeeld van deze jammerlijke Christenen. En een gansche reeks kan daaraan worden toegevoegd, als koning Saul, Judas Iskarioth, Annanias en Saffira, Simon de toovenaar, Demas en anderen.

Welke schoone verwachtingen werden er van deze menschen gekoesterd toen ze zich inscheepten in het schip „geloof" en van den dienst der wereld afscheid namen ; een voorspoedige vaart scheen hun deel te zijn, maar de uitkomst heeft alles gelogenstraft. Ze hebben schipbreuk geleden, bij wijlen zelfs in het gezicht van' de behouden haven en alle moeite, die ze hadden getrotseerd, is tevergeefsch geweest.

Daarom zal het goed zijn, mijn lezers, om het schip „geloof", waarmee gij de reis denkt te doen, eerst eens deugdelijk te onderzoeken en na te gaan of het wel gansch en al zeeklaar is. Want als het u vergaat als de bovengenoemde voorbeelden, ware het u beter nooit uitgevaren te zijn.

Met nadruk zegt Petrus : „het ware hun beter, dat ze den weg der gerechtigheid niet gekend hadden dan dat ze, dien gekend hebbende, zich weer afkeeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven is." Deze laatste woorden maken de woorden van onzen tekst zeer duidelijk ; het geloof, dat niet vergezeld is van een goed geweten, deugt niet. Menigeen waagt hét daarmee, vooral als zulk een geloof tal van gevoelige aandoeningen en bevindingen met zich brengt, maar de uitkomst stelt immer diep teleur.

Wat is een goed geweten ?

Het geweten is dat orgaan in den mensch, waardoor God en Zijn heilige wet hem hun oordeel over hem bekend maken, waardoor ze hem hun vrijspraak of veroordeeling laten verkondigen. Heel dikwijls echter is dit orgaan werkeloos en zwijgt. Zelfs kan dit zwijgen zóóver gaan, dat het door de treffendste gebeurtenissen niet meer tot spreken gedrongen wordt. De Schrift spreekt dan van een geweten, dat als met een brand ijzer is toegeschroeid. We hebben wel toe te zien, dat we een zwijgend geweten, tot welke hoogte dat zwijgen ook geklommen zij, niet met een goed geweten vereenzelvigen. Een zwijgend geweten is juist het bewijs van den ontzettenden doodstaat, waarin de mensch door de zonde gevallen is.

Een goed geweten is in de Schrift de zuivere tegenstelling van een kwaad geweten en onder dat laatste wordt immer een beschuldigend geweten verstaan, een geweten, dat den mensch beschuldigt tegen God gezondigd te hebben. Gelukkig in zekeren zin, dat nog tal van menschen zulk een beschuldigend geweten bezitten ; helaas, dat zoovelen in gansch verkeerden weg trachten daarvan verlost te worden. Men meent het beschuldigend geweten tot zwijgen te kunnen brengen door zich toe te leggen op godsdienstige plichtsbetrachtingen, hetzij 't ijveren voor een zuivere leer of het jagen naar een streng leven of andere werken en uitingen van godsdienstzin. Maar dit alles is ten opzichte van het kwaad geweten niet anders als de witte pleister, waarmee de graven eertijds gepleisterd werden ; van buiten waren ze schoon, maar van.binnen vol verrotting en verderf. Deze dingen bedekken het kwaad geweten een weinig, maar ze nemen het niet weg. En op dat laatste komt het aan. Och al zijn we nog zoo godsdienstig, al hebben we ons een naam van vroomheid verworven, maar diep in het binnenst is het kwaad geweten blijven steken, onze genezing is volstrekt niet beter dan die van den tuberculose-lijder, wiens uitwendige wonden met allerlei zalven zijn dichtgemaakt, maar wiens inwendige Organen nu des te sterker door de kwaal worden aangetast en gesloopt.

De aanklacht der goddelijke wet in ons geweten döoven baat niet. Die aanklacht moet weggenomen worden in een weg van recht. Het kwaad geweten moet voor een goed geweten verwisseld worden en anders zullen we nooit in den dag des oordeels voor God kunnen bestaan.

In de Hebreënbrief spreekt de apostel van de wegneming van het kwaad geweten. „Dewijl wij een grooter priester hebben over het huis Gods, zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten". Daaruit wordt duidelijk, dat we van het kwaad geweten niet kunnen worden verlost dan door den arbeid van onzen grooten Hoogepriester, die zichzelf onder de wet heeft gesteld, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou. Alleen de besprenging met het bloed van Christus kan ons van het kwaad geweten reinigen en verlossen, want daarin is verzoening der zonde en waar de zonde verzoend is, is geen plaats meer voor de aanklacht der wet. In de eigen vierschaar Gods des Rechtvaardigen wordt zulk een vrij gesproken en de uitspraak van den Rechter zelf, door welken hij rechtvaardig gesproken wordt, wordt in het geweten afgekondigd. Een goed geweten is alzoo het geweten van den Christen, die door een oprecht geloof in Christus Jezus de getuigenis van zijn vrijspraak in zijn binnenst ontvangen heeft. Zooals Johannes zégt : „die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelf". En waar te voren het beschuldigend geweten immer van den vrijmoedigen toegang tot God beroofde, daar doet het goed geweten vrijmoedig en ootmoedig het hoofd opheffen tot God in Christus Jezus „door welken, wij hebben den toegang met vertrouwen, door het geloof in Hem."

Dit goede geweten evenwel kan alleen bewaard blijven in een weg van oprechte en liefdevolle toewijding aan 's Heeren dienst. Het is de vrucht van de geloovige verbinding met Christus en wordt daarom alleen bestendigd als 's Heeren woord wordt vervuld : „blijft in mij en Ik in u". En dat dit blijven in Christus alleen gepaard gaat met een wandelen in Gods inzettingen leert Christus telkens opnieuw. „Indien gij mijn geboden bewaart, zult ge in mijne liefde blijven." En Johannes zegt diensovereenkomstig : „die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet zelf ook alzoo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft". Elke zonde in het leven van den Christen beteekent een schending van zijn goed geweten. Wie daarom zondigen kan en toch zijn goed geweten behoudt, heeft nog nooit verstaan, wat volgens de Schrift een goed geweten is.

Maar is het dan voor den Christen wel mogelijk het geloof en een goed geweten te houden, daar hij gedurig struikelt ? Ja gewis wel, zoo hij zich ook gedurig weer verootmoedigen mag en telkens weer opnieuw de toevlucht neemt tot de geopende fontein van Jezus' bloed. Alleen de dagelijksche oefening des geloofs en de dagelijksche bekeering kunnen hem het goed geweten doen behouden. Want een goed geweten is niet zulk een geweten, dat getuigt, dat hij niet gezondigd heeft, maar het is een geweten, dat getuigt, dat hij met oprechten afkeer zich van de zonde heeft afgekeerd en met een hartelijk geloof zich verlaat op Christus' zoen-en kruisverdiensten. Maar men begrijpt, dat achter deze weinige woorden een leven ligt vol van strijd en moeite en worsteling. De gedurige verootmoediging en het leven van genade alleen bergt in zich een ontzettenden strijd tusschen vleesch en geest Het is juist om der wille van dezen strijd, die in allerlei vormen zich. openbaren kan, dat menig belijder den rechten weg verlaat om gemakkelijker weg te zoeken. Toen Judas zag, dat de discipelen van Jezus gevaar liepen alles in de wereld te verliezen, verliet hij den dienst van zijn Meester, ofschoon hij nog een tijd getrouwheid veinsde. Demas en vele anderen zijn hem gelijk. Zij zoeken op­ nieuw wat ze eens verlaten hebben, den dienst der zonde en der wereld. Ja, velen, zooals een Annanias en Saffira, meenen hun discipelschap te kunnen blijven handhaven, schoon ze het.goed geweten gansch verstooten hebben. Het goed geweten verstooten wil daarom volstrekt niet altijd zeggen, dat men openlijk terugkeert tot de wereld, zooals Alexander en Hymeneus, die zelfs hun vroegere belijdenis openlijk gingen loochenen. Ook wie in het verborgene de zonde koestert en met de ongerechtigheid een verbond sluit, verliest zijn goed geweten Men kan zich hier niet verontschuldigen met een beroep op de zwakheid des vleesches. Du Cloux zegt reeds in zijn vraagboekje voor kinderen : „een waar Christen kan wel in de zonde vallen, maar er niet in leven." Op den val van 'n waar Christen volgt nood zakelijk een hartelijk berouw en een herstel van het goed geweten door reiniging in Christus' bloed, maar wie in gezelschap van deze of gene zonde den weg naar den hemel meent te kunnen voortzetten, bedriegt zich zelf.

Het geloof, dat niet ondersteund wordt door een goed geweten, brengt niet in behouden haven, maar lijdt schipbreuk. Het zal ook niet baten of men zich hier beroept op zijn aandeel, dat men eenmaal aan Christus verkregen heeft, waardoor men toch niet meer verloren kan gaan. Wie het goed geweten over boord heeft geworpen, levert daarmee zelf het bewijs, dat zijn geloof niet een levend en echt geloof is geweest. Hij stelt Christus tot een dienstknecht inplaats van tot een Verlosser der zonde. Neen, waarde lezer of lezeres, een geloof, dat u vrijheid geeft de zonde aan te houden, zal u nooit in behouden haven brengen. Wanneer de dag der oordeelen Gods komt, zullen ze uw scheepke wegstormen en op de rotsen van vloek en rechtvaardige vergelding zal het schipbreuk lijden.

Een goed geweten aan boord doet het levensschip van den Christen vast liggen op het water. Al breken hevige stormen van moeite en druk en aanvechting los, het geloof, dat door een goed geweten ondersteund wordt, wordt niet verbroken. Zelfs al onttrekt God het licht Zijns aangezichts gansch om de ziel aan" verlating prijs te geven, zal dit geloof den Christen met Job nog doen roepen : „zoo Hij mij doodde, zou ik niet hopen". Een Saul evenwel, die het goed geweten verstooten heeft, verliest in de ure der verlating het geloofsbetrouwen op God en vlucht tot de toovenares te Endor Het is wel een bewijs van 's menschen ontzettende verblinding, dat hij van nature meent God te kunnen bedriegen, dat hij denkt Gods gunst deelachtig te kunnen zijn, schoon diep in zijn binnenst een kwaad geweten schuilt. Uit allerlei uiterlijke godsdienstige verrichtingen en innerlijke godsdienstige ervaringen weeft hij het kleed van een Christen ; dat hij nooit in algeheele oprechtheid den dienst der zonde vaarwel heeft gezegd, ziet hij over het hoofd. Maar God zal het niet over het hoofd zien, want Hij heeft lust aan waarheid in het binnenste. Geliefde Christenen, het gaat er niet om u hier een naam te verwerven, want de naam, die niet door God Zelf gegeven is, blijkt gedurig in tegenspraak met het innerlijk wezen. Het gaat er om steeds recht te mogen staan voor God, die teere planting van genade in uw hart met hartelijke liefde en trouwe toewijding te verzorgen, het geloof te bewaren in een rein geweten. Zulk een leven bergt een schat van troost en innerlijken vrede in zich en heeft de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens.

» U mag men zalig heeten, Dien 's Heeren vrees bekoort ; ' Die met een goed geweten Steeds wandelt naar Zijn Woord.«

Dezen zullen, na meer of minder moeitevolle vaart, eenmaal het anker laten vallen in de haven van het Nieuwe Jerusalem, en ze zullen ingaan in de rust, die overblijft voor het volk van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's