Staat en Maatschappij.
Het passieve Vrouwenkiesrecht.
Zal de vrouw voor Staten en Raden mogen worden candidaat gesteld ?
Deze vraag houdt op dit ooigenblik de aandacht van de Anti Revolutionaire Partij bezig.
Voor zoover ons bekend is, hebben de andere partijen, althans de grootere, de vraag al reeds onder de oogen gezien en deze in bevestigenden zin beantwoord.
Zooals men zich herinneren zal, benoemde de Deputaten-vergadering van 13 Mei 1920 eene Commissie, die de houding, door de Anti Revolutionaire Partij ten opzichte van het z.g.n. passieve Vrouwenkiesrecht aan te nemen, zou onder de oogen zien.
Deze Commissie bestond uit de h.h. A. W. F. Idenburg, prof. dr. H. Bouwman, mr. P. E. Briët en ds. M. Jongebreur.
De conclusie waartoe . zij kwam, was deze : Op grond van het rapport is de Commisie van oordeel, dat God der vrouw in het algemeen een andere taak heeft aangewezen dan haar door toepassing van het politieke passieve kiesrecht zou worden toegedacht ;
dat derhalve de Anti Revolutionaire Partij zich heeft te onthouden van het candidaatstellen van vrouwen ;
dat op dezen regel alleen uitzondering toelaatbaar is, als onder de leiding des Heeren het voor de Anti Revolutionaire Partij duidelijk geworden is, dat dit door God is gewild ;
dat dit thans niet het geval is.
Naar aanleiding van deze conclusie stelt het Centraal Comité aan de Deputaten-vergadering, die op 14 October a.s. zal gehouden worden, een resolutie voor, waarin het gevoelen wordt uitgesproken :
dat bij de verkiezingen voor Staten en Raden door de bij het Centraal Comité aangesloten kiesvereenigingen geen vrouwen candidaat behooren te worden gesteld, zoolang de Anti Revolutionaire Partij niet in haar wettige vergadering van een tegenovergesteld gevoelen blijk geeft.
Het blijkt uit dit voorstel, dat het Centraal Comité zich geheel met de conclusie der Commissie heeft vereenigd.
Het Comité stelde zich met de Commissie op het principiëele standpunt: dat God man en vrouw onderscheidenlijk schiep en aan beiden naar hun aard afzonderlijke gaven schonk, daarbij overwegende, dat als God twee wezens geestelijk en lichamelijk zoo verschillend toerust, Hij ook met elk der beiden verschillende bedoelingen heeft. De roeping der vrouw is, naar de Schrift leert, in het gezin en ligt niet in het openbare leven.
Dat op dezen regel eene uitzondering toelaatbaar kan zijn, leert de Heilige Schrift ons in de geschiedenis van de Richteren. Debora. Maar deze uitzondering stelt geen regel.
Het vrouwenkiesrecht is geen vrucht van Christelijken bodem, maar sproot voort uit de emancipatiegedachte, welke de gelijkstelling wil van man en vrouw.
Het is jammer, dat er ook onder de Ant. Revolutionairen zijn, die zich als voorstander van aanvaarding van het vrouwenkiesrecht aandienen. Het zal echter op den Deputatendag blijken, dat zij slechts een kleine minderheid uitmaken.
De groote meerderheid van ons Calvinistisch volk zal zich op principieel standpunt stellende met alle kracht verzetten tegen het meegaan met den geest des tijds en onverzwakt zich uitspreken tegen elke poging om de Anti Revolutionaire Partij , te doen deelnemen aan het passieve vrouwenkiesrecht.
De Schoolbouw.
"De Minister van Onderwijs heeft een wetsontwerp ingediend, waarbij maatregelen getroffen worden om het zonder noodzakelijkheid bouwen van scholen voor Lager Onderwijs te. kunnen verhinderen.
Het ontwerp gaat van deze beginselen uit
1°. de regeling dient zooiwel voor het Openbaar als het Bijzonder Onderwijs ;
2°. de uitvoeringvan Gemeenteraadsbesluiten tot het stichten van schoollokalen of tot het toestaan van de hiervoor noodige gelden moeten worden onderworpen aan de toestemming van 't Centraal gezag, daaruit volgt dat de gemeentebesturen wel hunne bevoegdheid behouden om te besluiten, ot mede te werken tot den bouw van nieuwe scholen, maar dat het besluit eerst effect zal kunnen sorteeren, nadat de Kroon daartoe machtiging heeft verleend ;
3°. de maatregelen worden getroffen voor één jaar, te rekenen van af 1 October 1921. Na afloop van dit jaar zal beoordeeld worden of er termen bestaan voor een meer definitieve regeling ;
4°. de bouw van scholen, ook van U.L.O scholen, zal getoetst worden aan den eisch van noodzakelijkheid.
Door deze voorschriften hoopt de regeering tegen te gaan de onnoodige versplintering van het onderwijs door het oprichten van allerlei scholen. Zij is van oordeel, dat, zooals dit tot op heden het geval is, bezwaarlijk kan worden voortgegaan, willen de financiën in tal van gemeenten, die niet bij machte zijn de gelden voor den scholenbouw benoodigd, bijeen te brengen, niet geheel worden ontredderd.
Nu is de klacht, dat ten opzichte van het bouwen van scholen niet altijd doelmatig en met voorzichtigheid wordt te werk gegaan, niet geheel ongegrond. Bij de aanvragen van gelden voor schoolbouw staat niet altijd de noodzakelijkheid op den voorgrond maar dergelijke klacht, en misschien nog wel in veel sterkere mate, is te uiten ten aanzien van het openbaar onderwijs. Men kan daarvan frappante staaltjes aantreffen, b.v. in het Verslag omtrent den toestand der scholen in de provincie Overijssel van het jaar 1920.
In de gemeente Ambt-Hardenberg o.a. zijn niet minder dan 8 Openbare Scholen met een leerlingental van beneden de 50 kiii deren ; één school is er met 22 en één school zelfs met slechts 17 leerlingen ; in de gemeente Ambt-Delden zijn 3 buurtschooltjes met respectievelijk 48, 23 en 20 kinderen, de gemeente ZwoUerkerspel heeft 5 Openbare Scholen met 48, 46, 35, 32 en 28 leerlingen en ten slotte, om het hierbij te laten, onderhoudt de gemeente Kampen op het Kampereiland 2 Openbare Scholen met 29 en kinderen.
Wil men dus klagen over dure kleine schooltjes, dan moet men daarvoor eerder bij het Openbaar dan bij het Bijzonder Onderwijs zijn. In de provincie Overijssel b.v. staan tegenover 41 Openbare Scholen met minder dan 50 leerlingen slechts 4 scholen van het Bijzonder Onderwijs, waarvan het kindertal onder de 50 loopt.
Intusschen geven we toe, dat bij het bouwen van nieuwe scholen met voorzichtigheid moet worden te werk gegaan. Het is de regeering dan ook niet kwalijk te nemen, dat zij maatregelen treft om het ongemotiveerd bouwen tegen te gaan.
Toch is, wat de regeering thans voorstelt, niet van bedenking vrij te pleiten, ook al verzekert de Minister van Onderwijs, dat de bedoeling van beperking van schoolbouw, waartoe de Kroon het recht zal krijgen, alleen deze is, om de uitwassen, die zich hier en daar bij de uitvoering der Lager Onderwijswet voordoen, te keeren. Daarom zal op heel wat punten door de regeering verzekering moeten worden gegeven dat bij haar voorstel in den schoolbouw door de ontworpen maatregelen geen stagnatie zal komen en de Onderwijswet op loyale wijze zal blijven uitgevoerd.
Naar het ons wil voorkomen, zou het beter geweest zijn, dat een andere weg ware ingeslagen en wel deze, dat het minimum aantal leerlingen voor schoolopening werd verhoogd, maar dan ook aan de Openbare School een gelijke maatstaf aangelegd. Gelijke monniken, gelijke kappen. Het gaat niet aan dat liberale bladen klagen over de duurte der Schoolwet door den bouw van vele nieuwe scholen en dan de uitvoering der Schoolwet zoo toe te passen, dat het Openbaar Onderwijs zijn gang gaat, terwijl men aan de voorstanders van de Bijzondere School onthoudt, wat hun rechtmatig toekomt.
Stopzetten Scholenbouw.'
Door Minister de Visser is een wetsontwerp ingediend, waarbij maatregelen zijn genomen tot het voorkomen van het z o n-der noodzakelijkheid bouwen van scholen voor-Lager Onderwijs, zoowel wat betreft de O p e n b ar e als de B ij z o n d e r e Scholen.
We laten hier.een en ander volgen, waar op we later nog wel even zullen terugkomen :
In art. 1 wordt bepaald, dat aan besluiten van den gemeenteraad tot bouwen van schoollokalen voor Openbaar Lager Onderwijs en tot het verleenen van medewerking overeenkomstig artikel 75 der Lager Onderwijswet 1920 tot het bouwen van schoollokalen voor Bijzonder Lager Onderwijs, gedurende den tijd van één jaar, te rekenen van 1 October 1921, geen uitvoering wordt gegeven dan na daartoe door de Kroon verleende machtiging.
Artikel 2 zegt, dat ontwerpen voor den bouw van schoollokalen, opgemaakt na een raadsbesluit als in artikel 1 bedoeld, doch waaraan op de in dat artikel genoemde dagteekening nog geen uitvoering is gegeven, binnen den tijd van een jaar niet mogen worden uitgevoerd dan na daartoe door de Kroon verleende machtiging en dat de Koninklijke machtiging eveneens wordt vereischt voor het overeenkomstig artikel 205 der Lager Onderwijswet 1920 bepalen der waarde van schoollokalen voor Bijzonder Lager Onderwijs, waarvan de bouw is aangevangen na de in artikel 1 genoemde dagteekening.
Bij dit wetsontwerp dat zeer zeker een streep komt halen door de plannen van tal van Schoolbesturen is een toelichting gevoegd, waarin gezegd wordt :
Deze bepalingen beoogen de uitwassen, die zich hier en daar bij de uitvoering der L. O.-wet voordoen, te keeren. De bedoeling is dan ook slechts in die gevallen van het recht, dat hierbij aan de Kroon wordt verleend, gebruik te maken. Bovendien vertrouwt de Minister van Onderwijs enz., dat bij doorvoering dezer bepalingen de preventieve werking reeds aan de uitvoering der Lager Onderwijswet ten goede zal komen.
Voor het zoo noodig verhinderen van den bouw van nieuwe scholen, zoowel voor het Openbaar als voor het Bijzonder Lager Onderwijs zal in de eerste plaats de uitvoering van gemeenteraadsbesluiten tot het stichten, van schoollokalen, of tot het toestaan van de hiervoor noodige gelden moeten worden onderworpen aan de toestemming van het Centraal gezag. De gemeentebesturen behouden dus hunne bevoegdheid om te besluiten, of mede te werken tot den bouw van nieuwe scholen, maar het besluit zal eerst effect kunnen sorteeren nadat de Kroon daartoe machtiging heeft verleend. Hierdoor wordt gelegenheid geopend, om althans gedurende een jaar, te rekenen van 1 October 1921 af, in elk igeval afzonderlijk na te gaan en te beoordeelen, of de voorgenomen bouw inderdaad eisch van noodzakelijkheid is-Ook de stichting van al te kleine U.L.O.schooltjes kan langs dezen weg worden voorkomen, Na afloop van dit jaar zal kunnen worden beoordeeld, of er termen bestaan voor eene meer definitieve regeling.
Verder lezen we In de toelichting : in artikel 1 van het wetsontwerp is als datum van aanvang de Ie October 1921 ge steld ter voorkoming, dat in afwachting van het tot stand komen van deze beperkte bepalingen, nog uitvoering wordt gegeven aan voorgenomen bouwplannen."
Hier wordt dus de rem aangezet bij de plannen tot schoolbouw waar men bijna zöo goed als mee gereed is. Men za! niet gauw nu nog, vóór het aannemen van de Wet, door kunnen werken 1 De slagboom is gevallen !
We lezen dan ook vervolgens in de toelichting:
^„Artikel II van het wetsontwerp strekt in de eerste plaats om aan de voorgestelde bepalingen voor zooveel mogelijk terugwerkende kracht te geven ten aanzien van het bouwen van scholen, waartoe vóór het in werking treden dezer wet was besloten. Is de bouw reeds begonnen, dan zou stopzetten noodelooze geldverspilling zijn en zal het werk dus moeten doorgaan. Maar school bouw, welke nog in voorbereiding is, en waarvan de plannen nog niet tot een begin van uitvoering zijn gekomen, moet kunnen worden tegengehouden. Indien die plannen berusten op reeds vroeger genomen besluiten van het gemeentebestuur, wordt dus voor de uitvoering de Koninklijke machtiging vereischt.
Voorts zal ook moeten worden voorkomen, dat een Schoolbestuur uitvoering gaat geven aan plannen tot schoolbouw, welke veiligheidshalve, of om later meer de vrije hand te hebben, vóór 1 Januari 1921 waren ingediend bij de toenmalige Districtsschoolopzieners.
De Overheid kan het uitvoeren van zulke plannen niet direct verhinderen, omdat in deze gevallen het bouwkapitaal niet uit de publieke kassen komt. Evenwel zal de rentebetaling wel ten laste van de gemeente .komen. Deze rentebetaling wordt berekend naar de geschatte waarde van het door het Schoolbestuur met eigen middelen gesticht schoolgebouw. Door het binden van de taxatie aan de voorafgaande Koninklijke machtiging kan althans de rentebetaling gedurende zekeren tijd worden uitgesteld en aldus — zij het ook indirect — het buiten noodzaak bouwen van Bijzondere Scholen volgens reeds in 1920 ingediende plannen worden voorkomen.
Met het oog op den in art. 1 gestelden datum is bepaald, dat de wet zal in werking treden op den dag van hare afkondiging." Zooals we zeiden, we geven nu maar de voorgestelde wettelijke bepalingen en hopen er spoedig nog wel iets meer van te kunnen zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's