De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton

7 minuten leestijd

Van 's levenspad

door COR.

Eigen schuld.

Vanuit 'n coupe van een voortrollenden trein zat Johan te kijken naar de donkere wolken, welke zich meer en meer in het luchtruim samenpakten, wat voor hem een beeld was van wat hij op 's levenspad ontmoette, wijl hij daarop voortging door tegenspoed terneergedrukt. Zooals 't luchtruim met zwarte wolken was bedekt, werd ook. zijn pad overschaduwd met donkere wolken, die hem deden voortgaan, nergens een lichtstraal van hoop kunnende ontdekken.

Gelijk iedere jongeman, had hij idealen, naar welks vervulling hij reikhalzend uitzag, om echter keer op keer teleurgesteld te worden. Lang reeds zocht hij naar een andere betrekking, daar die, waarin hij geplaatst was, hem geheel geen vooruitzichten bood, maar alle moeite welke hij daarvoor deed, was vergeefsch. Thans had hij bericht ontvangen van iemand bij wien een betrekking vacant was en daarheen was hij nu op reis.

„Zou-ik nu een andere 'betrekking krijgen, vroeg hij zichzelf af, zou nu de tegenspoed verdwijnen, zouden de donkere wolken welke mijn levenspad, evenals thans in de natuur, verduisteren, gaan wijken ? En in zijn hart steeg de bede omhoog : „Ach, Heere, schenk mij een teeken van Uw gunst, laat even de zon door die donkere wolken breken als een bewijs dat ook op mijn pad het licht van den voorspoed door het duister van den tegenspoed za breken."

Met spanning blikte hij naar de zwarte lucht, in afwachting of zijn bede verhoord zou worden, totdat hij opeens een opening in de wolken ontdekte, waar de zon heel even zichtbaar werd, wat hem met hoop en verwachting vervulde dat ook op zijn pad het licht door de duisternis zou breken. Daarop hopende, verliet hij den trein en begaf zich langs de vele grachten, welke in het stadje waren, naar het opgegeven adres, dat spoedig gevonden was. Binnentredende, vroeg hij den patroon te spreken en weldra bevond hij zich met dezen op diens kantoortje, om echter opnieuw teleurgesteld te worden. De betrekking toch, welke vacant was, moest vervuld worden door iemand, die de geheeie administratie op zich kon nemen en daartoe was hij niet in staat. Hij stelde nog voor direct te gaan studeeren voor het werk, dat van hem geeischt werd, doch ook dat was vergeefs, daar de patroon iemand wilde hebben, die direct alles op zich kon nemen.

Weer was al zijn hoop verdwenen als hij zich naar het station begaf om de terugreis te aanvaarden en droevig nam hij plaats in den trein, welke hem naar zijn woonplaats zou terugbrengen. Naar buiten ziende, werd zijn oog getroffen door wat hij daar aanschouwde, de donkere wolken waren alle verdwenen en de ondergaande zon wierp haar stralen over de velden, wat hem nog droeviger deed worden. Hij had gehoopt, dat ook op zijn pad het licht door de duisternis zou breken, dat daar, evenals nu in de natuur, de donkere wolken verdwenen zouden zijn op de terugreis, maar nog was dat met zwarte wolken bedekt, nog was daar alles als voorheen.

„Zou dan de Heere niet meer Dezelfde zijn ; zou Hij niet weten hoe ik voortga, zou Hij mij dan geen weg door het leven kunnen banen ? " vroeg hij zichzélf af, en even kwam de twijfel in zijn hart, dat de Heere niet meer hoorde naar wie tot Hem riep. Maar neen, aan dien twijfel wilde hij zich niet overgeven ; de Heere was nog immer Dezelfde ; Hij was nog niet veranderd, dat bleek immers duidelijk aan de zon, die haar stralen weer over de aarde wierp. Neen, de Heere was niet veranderd, dat kon hij van ganscher harte weer toestemmen, maar hij was 's Heeren gunst onwaardig, hij verdiende niet meer dat de Heere hem over 's levenspad deed voortgaan zooals hij dat wenschte en hij bedacht weer, dat alles slechts zijn eigen schuld was. Hij zag weer terug op het leven dat achter hem lag, de lange jaren in den dienst der wereld doorgebracht, den tijd waarin hij niet wilde luisteren als hem voorgehouden werd, dat hij later met smart zou terugzien op het in de zonden doorgebrachte leven. Toen wilde hij niet naar raad hooren, ging hij voort zijn leven, zijn toekomst verwoestende en nu moest'hij daarvan de wrange vruchten plukken, nu ging hij voort over 's levenspad niet alleen ervarende tegen den Heere gezondigd en Hem verlaten te hebben, maar ook gedurig ontdekkende, dat zijn leven was verwoest. Nog was de Heere Dezelfde, dat kon hij weer erkennen, maar hij, hij was niets meer waardig, hij verdiende niets meer dan dèn ganschen tijd zijn^ levens te gaan over 's levenspad, terwijl aat immer door donkere wolken van tegenspoed en druk bedekt werd.

„Alles, alles is mijn eigen schuld, alles is slechts het gevolg van mijn zondig leven, doorgebracht in het kwade", met die klacht betrad hij zijn woonplaats weer, begaf hij zich huiswaarts, om dan weldra ter ruste te gaan en in de stilte van den nacht schreide hij opnieuw bittere tranen van berouw over het zondig leven, waar hij eertijds behagen in vond. Thans moest hij de vruchten plukken van wat hij zelf zaaide en die waren zoo wrang, zoo bitter, die deden hem wenschen zich nooit aan de zonden te hebben overgegeven, maar zijn berouw was te laat, hij had gezaaid en moest nu ook de vruchten oogsten.

Wrang en bitter de vruchten der zonde, dat moest Johan ondervinden. O, jongeling of jongedochter, laat dit voorbeeld u weerhouden van het dienen der zonden. Wellicht leeft gij thans ook voort, niet willende luisteren naar de waarschuwende stem van uw ouders, welke tot u komt, u toeroept, dat gij den dienst der wereld zult verlaten ; doch bedenk dan dat de gevolgen der zonde straks uw geheeie verdere leven zullen verwoesten, dat gij dan dag aan dag zult wenschen te hebben geluisterd naar de vermaningen uwer ouders. Thans smart gij hen keer op keer, wanneer gij hun liefdevol vermaan verachtende, de wereld ingaat en daar uw vermaak zoekt, wijl gij straks met droef held daarop zult terugzien. Bedenk echter ook dat gij steeds verder van den Heere afdwaalt, dat gij meer en meer van Hem afwijkt en dat Hij, om u weder terug te voeren, zulke donkere, bange wegen kan gebruiken, daar Hij dit menigmaal doet langs paden vol droefheid en smart. O, geef uw jonge leven dan toch niet aan de wereld, aan den dienst der zonde, besteed dat toch niet in dienst van den satan, want hij is zulk een harde meester.

„Zoek eerst het Koninkrijk Gods", wordt u toegeroepen. O, ken dan geen vrede of rust voor gij dit hebt gevonden. Door de zonden is het toegesloten, maar Christus Jezus heeft het weder geopend ; door Hem moogt gij den weg daarheen weder betreden, door Hem moogt gij daar weer ingaan en wanneer gij in Christus Jezus dat Koninkrijk hebt gevonden, dan zullen alle andere dingen u toegeworpen worden, dan zal de Koning van dat Koninkrijk betoonen dat Hij voor Zijn onderdanen zorgt, dat Hij hen nooit begeeft of verlaat. Laat dat dan vroeg, in uw jonge leven, uw lust en begeerte zijn, want dat bewaart u voor zooveel droefheid en smart. Johan gaat nog voort over 's levenspad en immer knaagt het berouw, wenscht hij nimmer de zonden gediend te hebben ; wie hem kent, weet dat hij alles zou willen geven om zijn vroeger leven ongedaan te maken. O, laat dit u toch tot een voorbeeld strekken, laat dit u tot leering zijn, opdat gij straks niet, evenals hij, over 's levenspad moet gaan, niets dan tegenspoed en druk ontmoetende, om dan, daaronder gebogen, steeds te moeten erkennen, dat alles eigen schuld is. Maar mocht het u bovenal tot leering strekken om u te doen vragen naar den Heere en Zijnen dienst, om daarin uw lust en begeerte te vinden, opd^t gij straks niet eindeloos buiten het Koninkrijk Gods en den Koning daarvan moet verkeeren, verworpen in de buitenste duisternis, waar eindeloos het berouw en de wroeging aan uwe ziel zullen knagen, wijl gij daar onophoudelijk zult moeten erkennen dat alles eigen schuld is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's