Uit het kerkelijk leven.
Christus-verwerpers.
Dan worden ze boos, de Vrijzinnig Hervormden, als men hun verwijt doet, dat zij den Christus , verwerpen.
Maar als hun dat gezegd wordt, wordt nooit door ons bedoeld dat zij den Jezusnaam of den Christus-naam niet in den mond hebben en daarover niet spreken. Want dat doen ze wèl.
Maar in onze Herv. Kerk - gaat het om den Christus dér Schriften. Daar wordt gevraagd : wat dunkt u van den Christus ? En daar moet dan een getuigenis vart Hem gegeven worden, zooals de Schriften van Hem getuigen. Dat wil Jezus Zelf, dat we Hem zóó zien en zóó belijden zullen ; zóó in Hem gelooven. De Schriften gebruikte Hij Zelf om het rechte licht te doen vallen op Zijn persoon. Zijn Woord en Zijn werk ; Zijn lijden en Zijn sterven en Zijn opstanding. Denk aan de Emmaüsgangers.
Juist (Omdat er valsche Christussen zijn geweest en nog zijn, die zich aandienen als heiland der menschheid, terwijl ze niet helpen kunnen; 'en om reden, dat de ware Christus zoo dikwijls misvormd is naar eigen idee, daarom is het in de Hervormde Kerk niet genoeg, dat men den Jezus-naam of den Christus-naam in den mond heeft, maar het gaat om de belijdenis van den Christus der Schriften. Zóó vraagt onze Belijdenis, zóó vraagt het Sacrament van den Heiligen Doop, zóó vraagt het Sacrament van het Heilig Avondmaal, dat wij Hem belijden zullen.
En zóó belijden de Vrijzinnig-Hervormden den Christus niet. .Die prediken een anderen Christus ; een anderen Christus dan de Christus Zelf zich heeft bekend gemaakt en een anderen Christus dan de apostelen Hem hebben gepredikt; een anderen Christus dan het Gereformeerd-protestantisme Hem heeft beleden te zijn ; een anderen Christus dan onze Heidelbergsche Catechismus Hem voorstelt; een anderen Christus dan onze aloude Hervormde Kerk Hem heeft gepredikt tot op den huldigen dag.
En omdat men dien Christus verwerpt, doen we het verwijt aan de Vrijzinnig Hervormden, dat zij in onze Hervormde Kerk niet thuis hooren, daar zij een anderen Christus, een niet-echten Christus, niet den Christus der Schriften prediken en alzoo een ander Evangelie prediken, dan het Evangelie van Jezus Christus, waarvan onze Hervormde Kerk naar luid van Schrift en Belijdenis als hoofdinhoud noemt: Die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
De Vrijzinnig Hervormden moeten, als ze eerlijk zijn, toch ook billijken, dat we dat aan hun adres zeggen. Ze moeten zelf toestemmen dat het waarheid is wat wij beweren.
Wat zegt b.v. de heer W. H. van Loon pas nog weer in »De Hoeksteen* (Vrijz. Weekblad voor Zuid-.Holland) ?
Hij zegt, dat hij veriangt naar predikanten in de groote steden, die de orthodoxe Christologie verwerpen. Dat is dus, die vierkant in strijd zouden leeren met hetgeen de belijdenis onzer Kerk leert, waarvan toch een ieder die tot onze Kerk toetreedt gevraagd wordt, of hij met die belijdenis instemt wat het wezen en de hoofdzaak betreft.
Wat fataal, om te beloven het karakter, het wezen, de hoofdzaak van de Hervormde belijdenis te aanvaarden en te onderschrijven en dan tegelijk alles te doen om in de Hervormde Kerk de hoofdzaak der b e 1 ij d e n i s te loochenen en te verwerpen! »
Maar erger maakt de heer Van Loon het, als hij onomwonden zegt, dat hij met verlangen uitziet naar predikanten in de groote steden, die de orthodoxe Christologie verwerpen en d ï e niet instemmen met de orthodoxe leeringen omtrent den Christus, zooals die ons door Paulus wordt geteekend.
Zoo komt hef van het een tot het ander. Eerst de orthodoxe leer der Kerk aangaande den Christus weg. Dan ook de orthodoxe leeringen van Paulus omtrent den Christus weg. Dus de Christus der Schriften weg! En zoo krijgen we dan toch gelijk. De Vrijzinnig Hervormden verwerpen den Christus. Den Christus dien ook de orthodoxe Paulus eerde ; in Wien hij geloofde, Wien hij predikte ; in Wien Paulus zijn eenigen troost kende, beide voor leven en sterven.
De Christus van Paulus is de Christus der orthodox-Hervormden ; de Christus der Schriften.
Dien Christus verwerpen de Vrijzinnig Hervormden. En dat in de Hervormde Kerk, die geen anderen Christus ooit gekend heeft!
Ook ds. Deetman, die hierover weer schrijft in »De Hoeksteen*, zit met deze dingen klem.
Want hij doet nu wel 'heel luchthartig en neemt den schijn aan van zeer gemakkelijk zich hier te kunnen uitredden.
„Wij prediken ook dat Jezus is gekruisigd ; dat domheid en bekrompenheid en farizeeuwsche eigengerechtigheid, dat formalisme hem aan het kruis hebben genageld roept hij triomfantelijk uit.
Maar is dat nuhetEvangelie des Kruises? Het Evangelie des Kruises, zooals de Sc'h rif ten het ons brengen? Zooals onze Belijdenis 'het omschrijft; zooals bij onze Protestantsche Avondmaalsviering moet uitkomen ?
Gaat het daar alleen om de domheid en de bekrompenheid van de mannen van de letter der wet ?
Kom, kom — men moet toch wel zéér oppervlakkig zijn in het behandelen van ernstige aangelegenheden als deze, als men zóó de dingen gaat stellen en zoo zich van de dingen wil afmaken.
Als twee hetzelfde woord gebruiken, is het daarom hetzelfde ? In dit geval h e t Kruis-evangelie?
Kom, kom — ernstige menschen moeten de ernstige dingen wat ernstiger behandelen
En dan zeggen we : hier ligt een zóó groot verschil, hier is een zoo diepe en breede scheiding, tusschen het Evangelie des Kruises van den een en het Evangelie des Kruises van den ander, dat zoowel de een als de ander als eerlijke menschen moeten zeggen : dat hoort niet bij elkaar; hier is een beschouwing, een prediking, een levenspractijk die onvereenigbaar is.
Neen — orthodoxen en vrijzinnigen behooren niet in één Kerkgemeenschap.
En de vrijzinnigen hooren niet thuis in de Hervormde Kerk, die in woord en daad, in prediking en Sacramentsbediening, de orthodoxe belijdenis van Paulus, de orthodoxe belijdenis van het Gereformeerd protestantisme , de orthodoxe belijdenis onzer Vaderen in igeest en hoofdzaak onderschrijft ; en haar karakter wil omschreven zien door de hoofdzaken van'de gereformeerde confessie.
Kunnen we dat nu niet eens ei n d e 1 ij k gaan vaststellen ? En' zouden we e i n d e-1 ij k niet eens ophouden met onze Hervormde KerK verder te voeren naar aen rand van den ondergang ?
't Zou toch onverantwoordelijk zijn, als de modernen met de onmenschelijkheid van die eene moeder, die voor Salomo stond, zeiden : maak de Kerk liever kapot dan dat zij kome aan hen, die er recht en aanspraak op hebben krachtens belijdenis en historie.
Wanneer zal het betere element bij de vrijzinnigen zegevieren over het minder goede ?
We vragen dit óók, ja, voornamelijk om de wille van ons volk, dat op deze wijze hoe langs hoe meer van de Hervormde Kerk vervreemdt, terwijl de Vrijz. Hervormde gemeenten wegsterven, krachteloos zijnde om zich zelf op te houden en machteloos zijnde, om de schare des volks te voeden. Mee door de vrijzinnigen verhongeren er velen. En men heeft geen medelijden blijkbaar.
Mogen we hier nog wat bijvoegen ? Laat het dit zijn.
Het zou ons spijten, als ds. Deetman c.s. gingen denken : de orthodoxen zouden ons wel graag kwijt zijn, maar dat genoegen zullen we hun iniet doen en ze zullen nog lang plezier van ons hebben !
't Zou menschelijk zijn, als zooiets werd gedacht en gezegd.
Maar 't zou jammer 'zijn als men zoo redeneerde ; 't zou ook dom wezen.
Want het staat voor ons vast, dat het modernisme het in onze Hervormde Kerk verloren heeft. En hoe langer men het proces laat voortduren op de wijze zoo als men het n u doet, hoe meer het. voor de orthodoxen tot voordeel en voor de modernen tot nadeel zal zijn.
De tijd voor het modernisme in de Hervormde Kerk is v o o r b ij !
Deze week hoorden we de moderne predikanten van Stolwijk, van Zwartewaal en van. Rocanje op de vergadering door den Raad van Beheer te Rotterdam belegd, nog getuigenis geven van hun eigen gemeente, van kerkeraad en kerkvoogden en notabelen. En hun getuigenis was, dat hun gemeenten doode gemeenten waren. In Stolwijk was er op een vergadering van gemeenteleden niet één, zegge niet één, die er iets voor voelde en er iets voor over had, om ook maar op 't geringst wat tot verbetering van het predikantstractement bij te dragen.
Van achter de bestuurstafel werd dan ook opgemerkt, dat zooiets wel het treurigst was wat men hebben kon !
Wij zijn er dan ook van overtuigd, dat als de vrijzinnigen het proces willen laten voort duren zooals het nu afgespeeld wordt in onze Hervormde Kerk, de orthodoxen zullen toenemen en de modernen zullen afnemen.
Maar is het wel aan te bevelen voor menige gemeente om haar zoo te laten dood bloeden en is het wel verstandig te prijzen, om zoo de verwarring in onze Hervormde Kerk te bestendigen en te verergeren nog misschien, als het gaat om een strijd op leven of dood ?
En daarom vinden we de tactiek van ds. Deetman c.s., zoo betreurenswaardig en zoo dom.
Waarom stuurt men niet aan op het eenige middel tot oplossing: niet vereenigd houden wat niet bij elkaar hoort ?
Tusschen vrijzinnigen en orthodoxen ligt een te groote klove in 'belijdenis, in levensen wereldbeschouwing, dan dat het kerkelijk leven zou kunnen bloeien als zij met elkander vechtende in één huis samenwonen.
De wijsheid gerechtvaardigd.
Er staat in de Schrift : „Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen." Dat staat in Mattheus 11 vers 19b en Lukas 7 vers 35. Wat beteekent dat ?
Prof. van Leeuwen vertaalt in „Tekst en Uitleg ; Het Ev. van Mattheus", bedoelde plaats (11 vers 19b) „En de wijsheid is gerechtvaardigd uit hare werken."
Prof. de Zwaan vertaalt Lukas 7 vers 35 : „En de wijsheid werd gerechtvaardigd van al hare kinderen."
Beide plaatsen komen voor in hetzelfde verband. Er zijn kinderen der wereld en er zijn kinderen der wijsheid. Dat blijkt wel voornamelijk bij het optreden van Johannes den Dooper en bij de omwandeling op aarde van den Heere Jezus. De kinderen der wereld begrijpen van die komst en van die prediking van den Dooper en van den Heiland niets. Zij zouden alles ook anders willen hebben, 't Een is te streng en 't ander is te slap. En beiden verwerpen ze, zoowel den boetgezant Johannes als den Heiland Jezus. Zooals zij zijn, zoo doen zij. Dwaas zijnde, doen zij dwaas. En dwaas zijnde verstaan ze niets van de wijsheid Gods, die uitblinkt èn in Johannes èn in Jezus.
Als kinderen der wereld zijn ze kinderen der dwaasheid en de wijsheid Gods 'begrijpen ze niet, prijzen ze ook niet, rechtvaardigen en eeren zij niet — zij stooten zich aan hetgeen de Heere doet. Zij wilden als dwaze, wispelturige kinderen de wijsheid Gods omzetten naar hun dwaze, wispelturige grillen. God zou Zich hebben moeten voegen naar hèn, en als God dat niet wil, verwerpen zij Hem èn in Johannes èn in Jezus.
Zoo wordt de dwaasheid openbaar in haar kinderen en hare werken rechtvaardigen de wijsheid niet.
Maar anders is het met de kinderen der wijsheid. Die verstaan iets van de wijsheid Gods. Dat hebben ze geleerd. Ze zijn als kinderen der wijsheid gebaard door de werken des Heiligen Geestes en als nieuw geboren kinderen Gods prijzen ze de wijsheid, daarin ziende Gods goedheid en .grootheid en majesteit.
Soort zoekt soort.
De kinderen der wereld, de kinderen der dwaasheid, stooten zich aan de wijsheid en hebben de dwaasheid lief.
De kinderen Gods, de kinderen des lichts zijn met wijsheid begiftigd en verstaan iets van de wondere en wijze wegen Gods en prijzen ze.
Zoo zal God alleen geprezen worden door Zijn kinderen.
Zoo zullen Gods wegen alleen eenigérmate worden verstaan door de kinderen des lichts.
En om de wijsheid Gods te verstaan, te rechtvaardigen en te prijzen, moet men kind der wijsheid zijn ; dat gemaakt zijnde door de wederbarende kracht van Gods Geest. Want Gods wijsheid wordt alleen door Gods kinderen verstaan en die prijzen haar gestadig en roemen haar gedurig.
Want Gods weg is volmaakt. Gods doen is vol majesteit. Zijn Raad is wijs en goed en al Zijne werken prijzen Hem.
Maar Zijn kinderen verstaan er alleen iets van.
Anderen ergeren zich. Anderen stooten zich er aan. Anderen bedillen en veroordeelen.
Maar Gods kinderen zien alles gekroond met wijsheid. Al Zijn doen is majesteit en aanbiddelijke heerlijkheid. Wat Gods kinderen niet altijd zoo zien en niet altijd dadelijk zoo voelen en niet altijd zoo zeggen — maar tenslotte prijzen ze Hem saam, dat Zijne gedachten, laten ze dan anders geweest-zijn dan de hunne, de hunne verre overtreffen. Ze prijzen Hem, daar Zijne wegen verre uitgaan boven hunne wiegen en goddelijk wijs zijn van het begin tot 't eind. De wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen.
Laat ons nog een voorbeeld nemen. Hoe goed was het, dat 's Heeren gedachten hooger waren dan de gedachten van Elimelech en Naomi. Want ja, het was voor Naomi en Ruth zeker smartelijk, toen hun man gestorven was, eerst van de moeder en toen ook van de dochter. Zij leefden kennelijk zoo gelukkig met elkaar. Maar toch wat wijsheid Gods in dien diepen weg van rouw en droefheid !
Naömi mocht met haar nageslacht niet blijven in Moab, om daar haar zaad te zien vervallen tot afgoderij. Maar juist omgekeerd, Ruth moest uit het heidendom gebracht worden tot Israël, opdat zij in haar huwelijk met Boaz in verre geslachten nog mede het .beloofde vrouwenzaad zou voortbrengen ; zelve een blijde profetie zijnde. dat in Jezus Christus geen besnijdenis eenige kracht heeft en dat in Hem geen Jood, noch Griek, noch barbaar is.
Die de wijsheid Gods ziet, prijst haar. En Gods kinderen leeren haar dikwijls prijzen na een gang door de diepte.
Maar de wereld hoont Gods wegen als dwaasheid, Zijn doen als onrecht.
Zoo de boom is, is de vrucht. Zoo de boom is, is de vrucht. Zoo het hart is, spreekt de mond.
De dwaas brengt dwaze dingen voort. De wijze verstaat de wijsheid en prijst haar, rechtvaardigt haar, roemt haar als goddelijk groot en wonder heerlijk I
De Bijbei; zijnde Gods Woord voor ons.
God recht te kennen is voor den mensch het hoogste goed voor dit leven en voor de eeuwigheid. Asaf zegt in Psalm 73 : „Wien heb ik nevens U in den hemel ? nevens U lust mij ook niets op aarde. Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid."
Die rechte kennis van God had de mensch oorspronkelijk, daar de mensch door God goed en naar Zijn beeld geschapen is, dat is in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid.-
Maar deze ware en zuivere kennis van God, die voor toeneming vatbaar was in den weg der gehoorzaamheid, heeft de mensch verloren in den weg der ongehoorzaamheid.
Nu heeft de gevallen mensch nog overgehouden eenige kennis van God en eenige betrachting tot de deugd (Leerr. van Dordt hoofdstuk 3, art. 4). Daar wordt de mensch mee .geboren, wijl zij hem ingeschapen is ; en zoo is er geen volk ter wereld zonder een zekeren vorm van godsdienst en zonder een zeker betrachten van deugd, al is 't nóg zoo verbasterd.
Om evenwel God recht te dienen en van harte lief te hebben en eenmaal zalig te sterven is meer noodig dan die aangeboren of ingeschapen Godskennis, daar deze, aan zichzelf overgelaten, hoe langs hoe meer in verkeerde richting voert en van God doet afdwalen onder allerlei vorm.
Deze aangeboren of ingeschapen Godskennis staat evenwel niet op zichzelf, daar de Heere in den weg der algemeene openbaring Zichzelf laat zien en hooren in de natuur, in de geschiedenis en in het geweten.
Zoo komt dus bij de aangeboren of ingeschapen Godskennis, die van binnen zit, de verkregen natuurlijke Godskennis die den mensch van buiten wordt aangebracht, waar de Heere Zich alom openbaart aan alle schepselen zonder onderscheid. „De natuur is als een schoon boek, waarin de schepselen de letters zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven" zegt onze Ned. Geloofsbelijdenis in art. 2 en Ps. 8 vers 1 zegt : o HEERE, onze Heere I hoe heerlijk is Uw naam op de gansche aarde ! Gij, die uw majesteii gesteld hebt boven hemelen." Of zooals Job 't op dichterlijke wijze zegt : „En waarlijk vraag toch de beesten en elk een van die zal het u leeren ; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen .geven. Of spreek tot de aarde en zij zal het u leeren ; ook zullen het u de visschen der zee vertellen. Wie weet niet uit alle dezen, dat de hand des HEEREN dit doet ? " Job 12 vers 7—9. (Zie ook Psalm 19 vers 2 ; Jes. 40 vers 26 ; Hand. 14 vers 15—17 ; Hand. 17 vers 25—27 ; Rom. 1 vers 20).
Deze algemeene openbaring Gods in de natuur, in de geschiedenis en in het geweten, des menschen, gevoegd bij de aangeboren of ingeschapen kennis van God welke elk menschenkind heeft, is evenwel niet genoeg tot zaligheid. Indien de Heere het hierbij gelaten had was er hier beneden, als straf op de zonde, geen rechte en zaligmakende Gods kennis geweest onder de menschen.
Om dat nu te werken tot eere Zijns Naams en tot zaligheid des menschen is God in den weg van bizondere openbaring tot ons gekomen en wel lin den weg van Zijn Woord, dat eerst in onbeschreven vorm tot den mensch kwam en later in schriftuurlijken weg.
Dien weg van Gods .bizondere openbaring, in den weg van het onbeschreven en beschreven Woprd, hebben we bizonderlijk na te gaan, wetende, dat het den Heere er om te doen is allen volke bekend te maken de onuitsprekelijke zaligheid die daar is in Jezus Christus.
In de bizondere openbaring Gods tot zaligheid zit voortgang, daar zij van stuk tot stuk tot den mensch is .gekomen, al naar de behoefte des menschen was. De Heere is hierin paedagogisch, opvoedkundig, te werk gegaan, van het mindere tot het meerdere voortschrijdend. Toen de menschheid als een kind in de eerste tijden stond heeft de Heere haar als een kind behandeld en gevoed met hetgeen des kinds was, om later in voortgaande lijn grootere dingen bekend te maken, alles uitloopende in Jezus Christus, het vleesch geworden Woord.
Hierbij is Hebr. 1 vers 1 een sprekende tekst, die aldus luidt : „God voortijds meermalen en op velerlei wijze tot de vadaren gesproken hebbende door de Profeten, heeft in de laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon."
Hier is dus opgaande lijn bij de .bizondere openbaring Gods aan de menschheid, en de Heere heeft van stuk tot stuk Zijn Woord aan Zijn Kerk geopenbaard.
Zoo krijgen we eerst gedurende 2500 jaar de bizondere Godsopenbaring in hoofdzaak door het gesproken woord, waarbij zich de Heere op bizondere en wondere wijze in gezichten, verschijningen, droomen, visioenen, enz., aan den mensch openbaart. (Gen. 17, 18, 28 vers 12 ; Ex. 3 vers 2 ; Num. 12 vers" 6—8 ; 1 Sam. 3 ; Jes. 6 vers 1 ; Hebr. 1 ver? 1).
Deze openbaring werd bewaard door mondelinge overlevering, wat toentertijd beter kon dan 't nu zou kunnen, daar het aantal menschen veel kleiner was en men gemakkelijker iets onder elkaar kon bewaren, waarbij komt, dat de menschen toen veel langer leefden en het verhaalde daardoor gemakkelijker van geslacht tot geslacht kon worden overgebracht. Adam leefde nog tegelijk met Lamech, Noach's vader ; en Noach's zoon, Sem, leefde nog 50 jaren in Izaks dagen. (Adam 930 jaar, Methusalem 969 jaar oud .geworden).
Kwam zoo de bizondere Godsopenbaring tot zaligheid in den weg van het gesproken en onbeschreven Woord tot den mensch, in Mozes' dagen kwam meermalen uitdrukkelijk het bevel des Heeren tot hem, om de Godsopenbaring op schrift te stellen ter bewaring voor Gods Kerk. Zoo lezen we Ex. 17 vers 14 : „Toen zeide de HEERE tot Mozes : schrijf dit ter gedachtenis in een boek en leg het dn de ooren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel."
Zoo komen we van het onbeschreven Woord der bizondere Godsopenbaring tot 't beschreven Woord van God, dat wij hebbein in o n z e n B ij b e l.
Heeft de mensch, die een aangeboren of ingeschapen kennis van God en deugd heeft, in de schepping, in de geschiedenis en in zijn geweten .bovendien een openbaring Gods in het algemeen, - in den Bijbel is ons een Boek gegeven, waarin de Heere Zichzelf ons nog klaarder en volkomener heeft bekend gemaakt, zooveel ons noodig is in dit leven tot Zijne eer en tot zaligheid der Zijnen (Neder!. Geloofsbelijdenis art. 2).
De Bijbel is voor ons het Woord Gods, ons als genademiddel en tevens als kenbron der waarheid gegeven ; en de Bijbelsche geschiedenis doet den gang, het verloop, de leidende gedachte der bizondere Godsopenbaring ons kennen. Zij plaatst ons midden in de historie des heils, welke het hart en de kern is van de geschiedenis der wereld en der menschheid. Zij voert ons op een hoogte, waarvan wij" 't verleden, het heden en zelfs een stuk van de toekomst kunnen overzien.
De boeken des O. en des N. Testaments leiden ons eene geestelijke, zedelijke wereld binnen, welke nergens anders aangetroffen wordt-; zij maken ons bekend met het groote werk der veriossing, dat God door Christus in deze wereld tot stand brengt en geven ons eene wereld-en levensbeschouwing, welke alleen sterkte en wijsheid aan ons leven kan geven en ons tot houvast kan strekken.
Buiten onze kringen wordt het dan ook niet zelden als een groot gemis gevoeld, dat het jonger en opkomend .geslacht niet meer in den Bijbel onderwezen wordt en van Gods getuigenis zoo goed als niets meer weet.
Hoe meer dan de Bijbel voor ons volk inderdaad het Boek der boeken mag zijn, hoe beter. En daarvoor kunnen onze Scholen met den Bijbel mee het middel zijn, om dat te bevorderen. Maar dan .moet voor onze Christelijke Scholen ook de Bijbel zijn, wat voor ons leven ons hart is. „Want daaruit zijn de uitgangen des levens."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's