Uit het kerkelijk leven.
De Bijbel, zijnde Gods Woord voor ons.
II
In den weg van bizondere openbaring heeft de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn genadig bestel een zegen wilde bereiden allen volke, Zich van de vroegste tijden afaan bizonderlijk gewend tot het volk van Israël, uit Abraham gesproten. Zet dan ook de algemeene geschiedenis Israels natie als een volk tusschen de andere volken, wij beschouwen Israël als een gansch bizonder volk, van de andere volken hierin onderscheiden, dat de Heere Israël koos als Zijn eigen volk. Zijn Bondsvolk ; daarom genoemd een heilig en afgezonderd volk.
.Met dat oude Bondsvolk voelt de Christelijke Kerk zich nauw verwant, zooals Hebr. 1 vers 1 dat aangeeft: „God voortijds veelmalen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de Profeten heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon."
Daar wordt de bizondere Godsopenbaring door de profeten des Ouden Verbonds, die tot „de Vaderen" gesproken hebben — ook ónze voorvaderen zijnde — èn de bizondere Godsopenbaring door Jezus Christus, die tot óns gekomen is in de dagen der Nieuwe Bedeeling, als een werk van eeuwen beschouwd, waarin-de Heere Zijn Raad is komen uitvoeren tot zaligheid van Israël eerst en daarna tot zaligheid aller volkeren.
Zóó vormt het Oude Testament met het Nieuwe Testament hetboek der Openbaring Gods; en het staat voor dén Christen boven alle boeken, als het Woord van God, bekleed met de hoogste autoriteit. Waarom het ook voor ons een licht op ons pad en een lamp voor onzen voet zal moeten zijn ; onze betrachting den ganschen dag ; om met dat Woord onze voeten te richten in het spoor der waarheid en der gerechtigheid en met dat Woord, van God gegeven, te wederleggen en te verbeteren alles wat met de gezonde woorden der Schrift en met de leer, die naar de Godzaligheid is, in strijd bevonden wordt. (2 Tim. 3 : 16, 17; 1 Tim. 6 : 3, 2 Tim. 1 : 13, 14).
Wij dienen onzen Bijbel dan ook te kennen, om recht in staat te zijn de heilige sprake van den hemel tot de aarde uitgegaan, om bekend te maken den weg der zaligheid en des vredes voor Israël en de volkeren, te kunnen beluisteren en ook aan anderen te kunnen vertolken. Waarbij we zelf, zal het goed zijn, in de heilige sfeer der goddelijke dingen moeten worden ingeleid door Gods Geest. Want eerst dan zullen we Gods stem kunnen belitisteren, welke uit die Heilige Schriften tot ons komt en dan ook eerst zullen we er anderen met hart en ziel van kunnen spreken.
Rechte kennis van den Bijbel, het Boek van Gods bizondere openbaring is dan noodig. Juiste kennis van het Boek der boeken kan niet gemist worden, tenzij men zichzelf en anderen schade wil berokkenen en de kracht van het onderwijs wil breken.
Oorsprong en inhoud des Bijbels, zijn zaken van beteekenis om ze te weten. Omtrent de auteurs, die „heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde" (2 Petr. 1 : 21), dienen we wat meer te weten. Van den tijd en de omstandigheden waarin en waaronder de Bijbelboeken zijn ontstaan, hebben we ons nader op de hoogte te stellen, alles, om des te klaarder te aanschouwen den wonder-wijzen en goddelijk-heerlijken weg, welken God bewandeld heeft om Zijn volk Israël vroeger en alle volkeren nu bekend te maken den weg des levens en der zaligheid, den weg van wijsheid en vrede, die daar is in Jezus Christus, naar Zijn Woord.
. Wanneer wij onzen Staten-Bijbel opslaan luidt het titelblad aldus : Biblia, dat is : de gansche Heilige Schriftuur, bevattende alle de canonieke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments, op last van de Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal - der Verenigde Nederlanden en volgens het besluit van de Synode-Nationaal gehouden te Dordrecht in de jaren MDCXVIII en MDCXIX, uit de oorspronkelijke talen in onze Nederlandsche getrouwelijk overgezet"
Deze omschrijving op het titelblad onzer Bijbels doet ons zien, dat wij, Nederlanders, een vertaling van den Bijbel gebruiken, welke in opdracht en op kosten van de Staten-Generaal der Republiek der Zeven vereenigde Nederlandsche gewesten is tot stand gekomen in 1637, nadat de Synode van Dordt, die in 1618 ter beslechting van de Remonstrantsche twisten en woelingen was bijeengekomen, onder meer andere dingen óók besloten had, dat een betere overzetting van den Bijbel uit de oorspronkelijke talen, Hebreeuwsch en Grieksch, in het Nederlandsch noodig was. In 1637 werd deze vertaling, welke wij de Staten-Vertaling noemen, bij Paulus Aertzoon v. Ravenstein te Leiden gedrukt. In 1657 volgde een verbeterde uitgaaf van dezen Bijbel bij de Wed. Paulus van Ravenstein te Amsterdam en in 1714 werd een Bijbel met kopergravures uitgegeven bij J. en P. Keur te Dordrecht en te Amsterdam.
Het woord B ij b e 1 komt van Biblia, een Grieksch meervoudig woord, dat boeken beteekent, maar in de .Middeleeuwen als een enkelvoudig Latijnsch woord werd beschouwd. Hierin ligt voor ons een aanduiding, dat de Bijbel bestaat uit een aantal boeken, door Hieronymus (einde 4de eeuw na Christus) een „Goddelijke Bibliotheek" (Bibliotheca divina) genoemd. Dit aantal boeken vormen echter, met behoud van de onderscheidingen, ook weer een organische éénheid. Want de Heilige Schrift bevat geen onsamenhangende woorden en feiten en boeken, maar is één historisch, organisch geheel, waarvan de openbaring der verlossing en zaligheid, in de vleeschwording des Woords, het middelpunt is.
De Schriften des Ouden en des Nieuwen Testaments saam worden genoemd de Heilige Schrift als één geheel ; ook worden ze wel genoemd de Heilige Schriften, als zijnde de samenstellende onderdeden van 't geheel
Die Heilige Schrift bevat ook eene leer over zich zelve. En deze kan hierin worden saamgevat, dat zij zich zelve houdt en uitgeeft voor het Woord van God, op grond van het feit, dat zij is ingegeven van den Heiligen Geest aan de Godsmannen die haar te boek gesteld hebben. (2 Petr. 1 : 21).
Zoo komt het ook, dat de Schriften des Ouden Testaments door Christus en Zijn Apostelen van Goddelijken oorsprong worden geacht en voor hen waren bekleed met Goddelijk gezag. Zij beroepen zich gedurig op 4e Oud Testamentische boeken, die zij als één geheel kennen en door hen werden genoemd met namen als „Mozes en de Profeten" (Luc. 16:29), of „de Wet van .Wozes en de Profeten en de Psalmen." (Luc. 24 : 44) Deze Schriften, zijnde Gods Woord, zijn voor hen het eind van alle tegenspraak.
En wat het Nieuwe Testament betreft, al wat Jezus getuigd heeft, geldt voor Zijn apostelen als zeker en zonder tegenspraak zijnde. Gelijk hetgeen dat zij, als gezanten van Christus, in de Evangeliën en brieven hebben neergelegd, door de Kerk van Christus door alle eeuwen als een werk des Heiligen Geestes erkend is en als zoodanig gehouden wordt.
Die krijgt voor z'n broek !
Ds. Netelenbos (nomen est omen zeiden de Romeinen, wat beteekent, dat een naam soms een wonder voorteeken kan zijn : netelen bosch...) zit er wel leelijk tusschen. Want tot voor kort hoorde hij tot de Geref. Kerken en zei Gereformeerd te zijn, hoewel tegengestaan door velen die tot de Geref. Kerken behooren. Te Rotterdam zette hij op uitnoodiging van een Christelijke Jongemannen Vereeniging uiteen-wat Gereformeerd is. En waar hij zoo beweerde, dat hij door de Geref. Kerken werd uitgeworpen, in weerwil dat hij Gereformeerd was, daar keert hij nu plotseling z'n rokje om en gaat een referaat houden voor de Ethische Vereeniging te Groningen, waarin hij zal aantoonen, dat hij niet GereXormeerd is, maar Ethisch, natuurlijk en wat het Ethische beginsel is.
Dat kan nu nog eens onhandig, ontactisch, onwaarachtig , enz. enz. genoemd worden ! En het verwondert ons volstrekt niet, dat zoo iemand telkens tusschen de distelen en de doornen zit, om schrammen en wonden op te loopen. Wel mag z'n naam dan netelen bosch zijn I
Wie hem geducht onder handen neemt, hem over de knie legt en voor z'n broek geeft ?
Niet iemand van de Gereformeerde Kerken. Ook niet iemand van den Gereformeerden Bond. Maar de heer Dorst in „Bergopwaarts", die een stukje schrijft: „Waarom niet Gereformeerd ? "
We nemen het hier over :
., Nu de bladen al hebben medegedeeld, dat ds. Netelenbos voor de Afd. Groningen der Ethische Vereeniging, dezen winter een lezing zal houden over bovengenoemd onderwerp, meen ik te 'mogen opmerken, dat daarbij m.i. twee fouten zijn gemaakt. De eerste is dat ds. N. voor die lezing is uitgenoodigd, de andere dat ds. N. die uitnoodiging heeft aangenomen. Immers nog ten vorigen jare heeft ds. N. in een lijvige brochure trachten aan te toonen, dat hij wél Gereformeerd was en dat het een verkwikking voor duizenden in de Gereformeerde Kerken wezen zou, indien de Synode hem in het ambt wilde handhaven. Tot nog toe ging hij voort te trachten ons te overtuigen dat zijn afzetting in 1920 niet te danken was aan de belangrijkheid zijner afwijkende gevoelens, maar alleen aan de bekrompenheid der Synode.
Door nu met een onderwerp als boven vermeld op te treden, zal hij zelf het vonnis van 1920 rechtvaardigen en ieder, die zonder aanzien des persoons kan oordeelen, overtuigen, dat zijn plaats niet was in de Gereformeerde Kerk en dat hij daarom, liever dan vooraf heel wat achteraf erg laf gebleken menschen een uur van twijfelachtige reputatie te bezorgen, zélf had moeten afscheid nemen, zooals wij.
Ik zou van dit feit gezwegen hebben, doch in „De Heraut" wordt het nu reeds vermeld als het duidelijk bewijs dat de Synode in 1920 niet misgetast heeft.
Dit was te voorzien.
Wij zouden kunnen zeggen, dat de zaak der Vrij-Gereformeerden dan nu wél blijkt geen toekomst meer te hebben. Niettemin ben ik overtuigd, dat ook zonder leiding of leider het proces zal doorwerken.
Er kan echter alleen dan iets van komen, als we menschen krijgen die bij den moed der overtuiging tevens het talent van het wijs beleid bezitten."
Ds. Netelenbos kan het er mee doen !
En de heer Dorst schijnt ons den spijker op den kop geslagen te hebben.
Een weinig anti-papisme mag wel.
Een Roomsche eerste Minister.
Een Roomsche Voorzitter in de Tweede Kamer.
Een Roomsche Voorzitter in de Eerste Kamer.
Een Roomsche Universiteit straks.
Een Roomsche gezant nu in Den Haag.
En ja — dat laatste, we wezen er reeds op, dat doet de deur dicht.
Wat een brutaal heer is dat !
Toch wel een bewijs, dat de Paus, die hem koos en zond, niet heelemaal onfeilbaar is.
Van alle kanten is er geprotesteerd tegen het optreden van dat brutaal heerschap in Den Haag aan 't hof van onze Koningin. En Prof. Grosheide van de Vrije Universiteit doet het in het „N.-Hollandsch Kerkblad' nog eens over op deze wijze :
„Voor anti-papisme zijn we niet te vinden. We wenschen in onze Roomsche landgenooten mede-Christenen te zien, met wie we menigmaal kunnen samengaan in den zwaren strijd tegen ongeloof en revolutie. Maar van Roomsche aanmatiging zijn we óók niet gediend. En aan zulke aanmatiging heeft zich in verregaande mate schuldig gemaakt de zaakgelastigde, dien de Paus dezer dagen naar Den Haag heeft gezonden. Dat heerschap immers heeft zich niet ontzien Hare Majesteit de Koningin bij de aanbieding zijner geloofsbrieven te krenken in haar godsdienstige overtuiging en daardooi een groot deel van het Nederlandsche volk te verbitteren. En alsof dit nog niet genoeg ware komt hij nu voor zich opeischen de eerste plaats onder de gezanten te 's Gravenhage.
Wij meenen, dat er termen aanwezig zijn voor onze Regeering om den Paus te doen verstaan, dat dergelijke zaakgelastigden hier niet aangenaam zijn."
Dat is kloeke taal.
Ja — een weinig anti-papisme mag nu wel. Men kan het er óók naar maken !
Waarom een belijdenis ?
is het wel noodig dat de Kerk, dat de christen, er een belijdenis op na houdt ? Heeft de Kerk, heeft de christen niet genoeg aan Gods Woord en aan den Bijbel alleen ?
De practijk des levens bewijst, dat de Heere altijd een antwoord wil van de ziele, waarmee Hij bemoeienissen houdt en van Zijn Kerk, welke Hij hier op aarde-heeft. Hij vraagt : wat gelooft gij ? Wat dunkt u van Christus? Wat gelooft gij aangaande Mijn Woord ? En dan komt er een antwoord langer of korter, maar een antwoord, om te vertolken, wat in hoofd en hart leeft.
Nu komt de Heere altijd in den weg Z ij n s W o o r d s tot ons en tot onze kinderen. En dan wil Hij de echo der geloofsbetuiging van ons hooren. Hij komt met Zijn Woord en dan wil Hij hooren, hoe wij op dat Woord antwoorden ; waarbij het dan alleen goed zal zijn, als wij met een oprecht harte der waarheid Gods getuigenis mogen geven.
Zoo brengt het geloofsleven mee om te belijden, om der waarheid getuigenis te geven, om den Heere antwoord te geven op Zijn Woord.
Natuurlijk zullen dan onderscheidene stuk ken zekerlijk in die belijdenis des christens voorkomen. Zooals het stuk der schepping, der zonde, der verlossing, der Kerk, der toekomende dingen, 't Welk korter of langer, eenvoudiger of breeder kan behandeld worden al naar dit noodig is.
Zoo is dus een belijdenis voor een christen, voor de Kerk, de meest natuurlijke zaak Het geloovig hart wenscht te antwoorden, wenscht te spreken, juist omdat het gelooft. En de Heere, Die het harte door wedergeboorte komt reinigen, en door Zijn Geest komt heiligen, wordt er in verheerlijkt, als Zijn kind, als Zijn Kerk der waarheid getuigenis komt geven.
Maar daar komt nog wat bij.
Is de belijdenis al noodig tegenover den Heere, die Zijn, Kerk komt overzetten uit de duisternis in Zijn wonderbaar licht en Zijn kinderen door Zijn Heiligen Geest in alle waarheid komt leiden, daar benevens doet zich nog iets anders voor, dat den christen verbiedt om te zwijgen en dwingt om met een bijbelsche belijdenis der waarheid naar buiten te komen. Immers de wereld treedt op met hare ontkenningen, lasteringen, leugens, dwaalleeringen, enz. De wereld laat God niet met rust, tast Zijn eere aan, randt Zijn Woord aan, lastert Zijn werken, loochent den weg der verlossing, ontkent de toekomende dingen voor leven en sterven. En zou dan de Kerk des Heeren, die midden tusschen die booze wereld leeft, mogen zwijgen ? Moet zij niet Gods Woord als 'n banier der waarheid opwerpen en zelve ook getuigenis geven, zooals de Heilige Geest haar dat leeren wil ?
Neen, omtrent het karakter van het Christelijk geloof mag temidden van deze tegenwoordige bedeeling geen onzekerheid of twijfel overblijven. De Kerk des Heeren heeft haar mond open te doen, haar harte uit te storten en als naklanken op Gods Woord haar Christelijke geloofsbelijdenis te doen uitgaan in de wereld. Niet in .een hoek, neen ! in het openbaar moet dat geschieden.
Dat zijn dus al twee redenen waaróm de Kerk, waarom de geloovigen, tot belijden der waarheid geroepen zijn.
Maar er is nog wel een derde reden te noemen.
Een mensch heeft voor zichzelf ook behoefte om een heldere voorstelling der dingen te hebben. Zijn geloof moet hij zich kunnen realiseeren. 't Moet een vorm aannemen. En zoo komt de geloovige er toe om voor zichzelf ook de dingen te ordenen., te omschrijven, te belijden. En waar de Kerk aan zoo'n belijdenis, met het oog op eigen leven, behoefte heeft, is het ook door alle tijden heen gezien, dat het geloofsleven vraagt om een geloofsbelijdenis.
Waarbij dan nog een vierde reden komt.
De Kerk moet dengenen die zich bij haar willen voegen, die tot haar over willen komen, 'n korte uiteenzetting kunnen voorleggen, in eigen woorden gesteld, van de goddelijke waarheid, haar van den Heere toevertrouwd. Zij zal met dezulken willen en moeten spreken in haar eigen taal met degenen, die toelating tot de Kerk vragen. En wat daarmee parallel gaat is dit : de Kerk heeft een belijdenis noodig, om haar eigen kinderen in eigen taal te onderwijzen in de waarheid, die naar de godzaligheid is.
Zonder belijdenis kunnen we niet, noch persoonlijk, noch kerkelijk.
En dan moet de belijdenis in de taal van den eigen tijd zijn, handelend over de groote, blijvende stukken der waarheid. Waarbij de Kerk één geheel is en blijft met 't geen was en zijn zal, hebbende de belofte des Heeren, dat de Heilige Geest bij haar blijven zal en haar zal leeren het pad dat zij te bewandelen heeft.
Geenszins is het karakter van de belijdenis dan om in de plaats van den Bijbel te komen, noch om boven de Heilige Schrift te staan. Neen, haar karakter is, om, in de taal van den tijd, de eeuwige waarheid van Gods Woord na te spreken en het getuigenis des Heeren nader te vertolken, om God groot te maken, om de wereld te weerstaan, om zelf gesticht te worden en het zaad der Kerk op te voeden tot 't uitdragen van Gods waarheid en het roemen van Zijne werken.
Dwaas dan ook die zegt, dat het niet gaat om de leer, maar om het leven.
Want het leven eischt belijdenis der goddelijke waarheid, die naar de godzaligheid is.
Daar kan geen christen aan ontkomen.
Daar kan de Kerk niet aan ontkomen. En die er niet aan wil, verstaat de gezonde leer der Schrift niet, welke als een dierbaar pand ons is toebetrouwd, niet om doodgezwegen, maar om beleden te worden ; om beleden te worden in het openbaar ; toe ziende, dat God aan Zijn eer komt en dat de dwaze filosofie des menschen niet de overhand krijge.
Hun plaats verbeurd.
Wc merkten op, dat de Vrijzinnig Hervormden de orthodoxie van Paulus over boord geworpen hebben. Ze hebben zich een anderen Christus gemaakt, dan de Apostelen leerden, dan Paulus predikte. Dat erkennen ze. Want de Apostelen en Paulus hebben er maar wat van gemaakt en waf de Vrijzinnig Hervormden leeren is zuiverder waarheid dan de bijbelschrijvers hebben gegeven. De Vrijzinnig Hervormden hebben het oude, echte, oorspronkelijke Evangelie en dat is : Jezus, een voorbeeldig, rijk begaafd leeraar, die de menschen het goede wilde leeren, maar door de domme, eigengerechtige Pharizeen toen is gedood — hoewel zijn geest nog voortleeft nu onder de Vrijzinnig Hervormden tot op dezen dag.
En dat noemt men dan, in strijd met de historische beteekenis van zulk een woord „het Evangelie des Kruises." Zoo gaat wat de Evangeliën melden over boord.
Wat Paulus leert gaat over boord. Maar hoe moet het dan met 't geen Jesaja leerde b.v. in het 53ste hoofdstuk van zijn Godsspraken ? Daar teekent hij, de Evangelist der Oude Bedeeling, den lijdenden Knecht des Heeren in Zijn plaatsbekleedend lijden en sterven ; daar wordt de verzoening in den weg der voldoening beschreven zóó'duidelijk, zóó onwedersprekelijk en zóó geheel in den geest en in den toon der Apostelen, ook geheel in overeenstemming met wat Paulus leert, dat, als men het een over boord werpt het ander óók noodzakelijk volgen moet. „Schoon schip" moeten de Vrijzinnig Hervormden dan ook maken. Wég met dat alles ! Hoe pijnlijk.
De Kerk van Christus heeft door alle tijden heen zoo hartelijk ingestemd met Jesaja 53. Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen ; Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld ; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden. De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de overtreding des volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft Zijne ziel tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden van Zijn volk en brengt hun de gerechtigheid aan.
Zóó schrijft, zoo predikt, zoo profeteert Jesaja.
En dat is het evangelie der apostelen, van Paulus ook.
Dat is de belijdenis der Kerk van alle eeuwen.
Dat is het evangelie van Jezus Christus, het evangelie des Kruises, dat onze Hervormde Kerk in haar kerkelijke confessies, in de Ned. Geloofsbelijdenis, in den Heidelbergschen Catechismus, in de Vijf Leerregels van Dordt, in haar Apostolische Geloofsbelijdenis, in haar Avondmaalsviering, in haar prediking, in haar lied, in héél haar optreden onderschrijft, prediken wil en ook wil laten verkondigen door al hare dienaren des Woords.
De belijdenis en de practijken der Hervormde Kerk gaan geheel in de lijn van het Oude en Nieuwe Testament: dat de mensch zich van nature bevindt onder den vloek Gods als kind des toorns, op wien buiten Christus de toorn "en de viloek Gods blijft ; terwijl uit de gevangenis der zonde en van den vloek der wet alleen bevrijding en verlossing is door den duren losprijs van het bloed van Christus Niet door eigen losprijs; ' niet door deugd of braafheid ; niet door vasten of kastijding ; maar door den losprijs Christi. Die wil èich in den dood geven, Gode gehoorzaamheid bewijzend in Zijn geboorte, in Zijn leven, in Zijn sterven. Die wil de straf dragen. En zóó betaalt Hij den losprijs in Zijn dood voor en in de plaats •van velen, die dit zelf niet konden doen en die daarom alles, alles te danken hebben aan Jezus Christus, den plaatsbekleedenden Borg en Middelaar.
Zóó spreken dè Schriften van Oud-en Nieuw Testament. Zóó spreekt onze belijdenis. En dat is mee het wezen, de hoofdzaak van de Gereformeerd-Protestantsche belijdenis. Het karakter van onze Hervormde belijdenis, van onzen Catechismus, van onze 12 Artikelen des geloofs, van onze prediking, , onze sacramenten, ons gebed, onze dankzegging, ons lied. Wat onze Hervormde Kerk dan ook veronderstelt dat al hare dienaren des Woords zullen belijden en al hare leden zullen onderschrijven.
En dat werpen de Vrijz. Hervormden maar zonder blikken of blozen over boord. Waardoor zij ophouden in de Herv. Kerk recht te hebben op een plaats op den kansel en in de gemeente.
Ter betrachting op Hervormingsdag.
Wie met Luther voelt en verstaat en belijdt, dat de drang des harten naar zondevergeving niet door iets uitwendigs, niet door iets des menschen, niet door iets van beneden opkomend, doch slechts in Gods rijke en vrije genade, in het geloof in Christus, in de verzoening der zonden door Christus' offerand troost en zaligheid vindt, die staat op den zelfden grond als Luther ; die weet zich één met Calvijn en Zwingli en de andere reformatoren der 16de eeuw.
Dat mogen we op 31 October 1921 nog wel eens bizonderlijk overdenken en bespreken en getuigen, dat de grondbeginselen der Hervorming geen andere zijn geweest dan deze : het onvoorwaardelijk gezag der Heilige Schrift en de rechtvaandigmaking des zondaars door het geloof alleen.
De keerzijde van deze reformatorische begÏnselen is : de rede te stellen boven de openbaring Gods ons in Zijn Woord gegeven en de verdienstelijkheid van den mensch tot grond voor de eeuwigheid. Wie uit deze beginselen, op de keerzijde vernield, leeft en daarmee dweept, is Roomsch en niet Hervormd. Ook al zou hij tot de Hervormde Kerk behooren en misschien zelfs anti-papist zijn.
Wie onder de Protestanten den Bijbel als het onfeilbaar Woord van God verwerpt, wie de autoriteit der Heilige Schrift in werkelijkheid op zij zet, wie de menschelijke rede principieel of practisch boven de Openbaring verheft, de noodzakelijkheid van schuldverzoening door Golgotha's kruis ontkent en tornt aan de volstrekte souvereiniteit Gods — onteert de Hervormers en smaadt het bloed der martelaren.
Die jubele niet op Hervormingsdag. Die verstaat de Hervorming niet.
En als dezulke niet zeggen wil : ik ben Roomsoh ; laat die dan in elk geval z'n mond houden op Hervormingsdag en niet zeggen : ik ben Protestant.
Door de Hervorming geen nieuwe Kerk gesticht.
De Christelijke Kerk is in de 16de eeuw H e r v o r m d geworden.
De Kerk der reformatie is de oude Kerk, die, schoon in de laatste tijden onder heerschappij van Rome schrikkelijk verbasterd, ook hier te lande eeuwen had bestaan.
Het oude, echt-christelijke, Apostolische beginsel van Christus' Kerk mocht, na lange voorbereiding, met nieuwe levenskracht doorbreken en heeft, in weerwil van Rome's bruut geweld en krachtig verzet, veel wat in strijd was met Gods Woord uitgedreven en krachteloos gemaakt. En omdat Rome's Kerk daar niet voor wilde zwichten, heeft naast en tegenover die verbasterde Kerk de aloude Kerk des Heeren haar hoofd omhoog gestoken in de Kerk der Reformatie.
De wateren oudtijds langzamerhand onder de ijskorst gekomen, zijn in de 16de eeuw weer tot stroomend water geworden, glanzend in de stralen van de Zonne des heils.
Geenszins wordt hiermee ontkend, dat de Heilige Geest in dien langen tijd, onder veel strijd, verdieping van inzicht heeft gegeven aangaande de dingen van Gods Koninkrijk en aangaande den weg des heils aan Zijn Kerk. De waarheid heeft in de worsteling en bij de brandstapels gebloesemd en nieuwe vruchten voortgebracht. Er is geschiedenis van de Kerk in dit opzicht ; van de Kerk, die de gave des Heiligen Geestes mocht bezitten.
Maar toch is het ten slotte slechts ontwikkeling, rijker ontplooiing van de kennis, die voortvloeit uit en wortelt in de eenmaal gegeven waarheid der openbaring in Gods Woord ons gegeven.
En zoo is de beweging der 16de eeuw geweest een hervorming of reformatie van de bestaande Christelijke Kerk, om haar meer terug te brengen naar het beeld in de Heilige Schrift ons van Christus' Kerk gegeven en waarvan de eerste eeuw getrouwer afschaduwing gaf dan b.v. de 14de eeuw.
Hervorming dus. Niet het oprichten, stichten, maken van een n, i e u w e Kerk. De wanbegrippen, waarvan Rome de pleitbezorgster was, werden trots vervolging en pijnbank, galg en brandstapel, door velen verloochend, verfoeid, verworpen, afgezworen.
Het behaagde den Heere nieuw licht Zijns Geestes te zenden en de toegestopte bronnen Zijner waarheid weer open te breken. En de oude , beproefde, rijke Schriftuurlijke waarheid werd in nieuw licht gezien en met blijdschap begroet en door velen van harte aangenomen. «
De Protestanten scheurden zich los van het broeinest der anti-Ohristelijke bijgeloovigheden, om terug te keeren tot 't voorvaderlijk geloof, dat steunt op het Woord des Heeren. Het voorwaarts gaan bij de Hervorming was terug keeren naar dé plaats waar men afgeweken was van Gods Woord. Het veranderen was terugnemen van hetgeen men in den loop der eeuwen dwaas en zondig losgelaten en verworpen had.
Zoo is het Papisme nieuw en het Protestantisme oud; zoo oud als Paulus is; zoo oud als Gods Woord is.
Men versta dus het woord Reformatie wél. Het is niet afbreken van het oude om iets nieuws op te bouwen ; het is niet het uitgraven der fundamenten om weer nieuwe te leggen, zóó dat al het oude voorbij gegaan is en alles nieuw is geworden ; het is niet het breken met het verleden, om na de breuk een nieuw leven aan te vangen. Maar het is het behouden van de eens gelegde grondslagen, wegnemende wat daarbij werd toegevoegd in strijd met Gods Woord en Waarheid. Het is het voortzetten van het verleden in rechte lijnen, waar men jammerlijk van den weg des Woords was afgebogen ; een voortzetten bij het schijnen van Gods licht, in de uitstraling Zijns Heiligen Geestes.
Continuïteit is van reformatie een onmisbaar, belangrijk bestanddeel.
Geenszins is dus in de 16de eeuw naast de oude Moeder-Kerk een nieuwe Kerk ont staan. De misvormde Kerk heeft zich door Gods genade hervormd, hersteld, naar den regel van Gods Woord, gelijk zij vroeger daarnaar wandelde en vrede en barmhartigheid van den Heere mocht ontvangen.
En tegenover die terugkeerende Kerk, die wederkeerde tot haar oude liefde, heeft de Roomsche Kerk zich meer nog verhard - in het doen van het kwade, haar valsche belijdenis handhavend, bizonderlijk op het Concilie van Trente (1545—'64) en alzoo feitelijk als afvallige secte zich losscheurend van de algemeene Christelijke Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's