De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton

8 minuten leestijd

Van 's levenspad

Bemoediging in den strijd.

Met 'bange twijfelingen vervuld was Sophie op zekeren avond te'r ruste gegaan, nadat zij schreiend voor haar sponde had geknield om den Heere haar strijd en vrees bekend te maken, Hem te vertellen van den twijfel, welke gedurig in haar hart oprees, dat zij zichzelve.bedroog, dat zij straks zou ervaren dat de Heere nimmer Zijn werk in haar hart was begonnen.

Vanaf haar kinderjaren was haar hart naar den Heere uitgegaan, woonde daarin slechts het verlangen in Zijnen dienst te mo gen leven, haar leven te besteden ter eer en verheerlijking van Zijnen Naam. De wereld had haar nimmer kunnen bekoren, nooit had zij daar vermaak in kunnen vinden, wat die haar bood was zij altijd ontvloden, dat kon haar niet bevredigen, omdat hare ziel uitging naar Hem, Die haar tot Zijne eer had geschapen om ongestoord met Hem te verkeeren, doch Wien zij, nog kind zijnde, reeds miste, gevoelende dat zij Hem door de zonden was kwijtgeraakt. Haar Schepper, haar God te mogen toebehooren was haar eeniigste lust en begeerte en meermalen had zij mogen ervaren dat de Heere haar in Zijne gunst aanschouwde, dat Hij niet alleen haar hart had geopend om het naar Hem te doen uitgaan, maar dat Hij haar ook voerde op dien weg waar zij aan de voeten van Koning Jezus mocht nederzinken, Hem aanschouwend geklonken aan het kruis, waar Hij ook voor haar uitriep : , , Het is volbracht".

Koning Jezus haar Heiland, haar Borg en Middelaar, dat had zij mogen ondervinden, daar had zij van gesproken, in verwondering wegzinkend dat de Heere haar had opgezocht, dat zij verwaardigd werd de bruid van den Hemelschen Bruidegom te zijn.

Maar Satan, die niet kon zien dat zij hem ontglipt was, dat hij in de eeuwigheid niet over haar kon heerschen, kwam telkens alles wat zij had ervaren aan het wankelen brengen, door zijne influisteringen. Dan riep hij haar toe dat alles ijdel bedrog was, dat zij zijn eigendom was en nog voor eeuwig zou omkomen.

Zoo ook dien dag had hij niet opgehouden haar in te fluisteren dat de Heere nimmer Zijn werk aan haar was begonnen en daarom was zij met bangen twijfel vervuld voor haar sponde neergeknield met de klacht : „Ach Heere, niets is voor U verborgen, Gij kent de diepste schuilhoeken van mijn hart. Gij weet welk een bange strijd daarin wordt gestreden dat alles, alles slechts bedrog en schijn is ; ach indien dit dan zoo is, indien ik voortga op een weg, , j; Velke mij naar het eeuwig verderf voert, kom Gij mij dan staande houden, opdat ik niet te laat ontdekke dat ik mijzelve bedrogen heb ; maar indien Gij Uw werk in mij zijt begonnen, indien Uw hand de mijne heeft gevat om mij tot U te leiden, ach kom Gij mij dan bemoedigen en vertroosten, doe Gij mij dan zien dat het Uw werk is, opdat die bange twijfel wijke en ik moge voortgaan op U ziende, wetende dat Gij nimmer het werk Uwer handen laat varen "

Met die klacht was zij ter ruste gegaan en nederliggende keek zij door het raam naar de maan en naar de duizenden sterren, welke aan den hemel flonkerden en met de gedachte hoe vreeselijk het zou zijn eindeloos te moeten verkeeren buiten Hem, Die de ontelbare sterren uit niet ihad voortge-» bracht, Die oo; k haar tot Zijne eer had geschapen, sluimerde zij in.

In haar slaap was het echter als zag zij nog het uitspansel, als aanschouwde zij nog de maan en het sterrenheir. Opeens echter werd de hemel ibewogen, de sterren verdwenen, de maan verloor haar schoonheid en 't was of er vonken afspatten. Hevig ontroerd, sprong zij overeind, uitroepende : „O, , nti is die groote dag gekomen, waarvan geschreven staat : Hij komt als een dief in den nacht." Zij zag dat niet alleen de hemel maar ook de aarde bewogen werd, zij beefde eu rookte terwijl alles in vlammen opging-

Ontzettend gezicht.

Een namelooze angst greep haar aan, zij wilde roepen : , , Bergen valt op mij en heuvelen bedekt nfij voor het aangezicht des Heeren." Plotseling echter verscheen een licht, werd ^lles met een bovennatuurlijken glans ver-licht, die bpven de vlammen uitscheen. Zij zag omhoog, om te zien vanwaar dat licht kwam, en dat doende was het of zij ineens werd veranderd ; een onuitsprekelijke blijdschap, zooajs zij nog nimmer gekend had, verviulde haar. Nu zag zij vanwaar dat groote licht kv\^m, want op de wolken zag zij Hem, Dien zij eenmaal aan bet kruis had aanschouwd, aan Wiens voeten zij was neergezonken als een onwaardige, doch uit Wiens mond haar toen had tegengêklonken : „Mijne zuster, Mijne vrien din. Mijne duive. Mijne volmaakte !"

Hem zag zij nu weder, thans vol heerlijkheid en majesteit en Hem aanschouwende was het als kreeg zij vleugelen en met den uitroep : „Hij komt. Hij komt !" steeg zij in de hoogte. Hem tegemoet.

Dan ontwaakte zij weder en — — — het was een droom De blijdschap, welke zij had gesmaakt, vervulde echter nog hare ziel. Weer sloeg zij het oog naar buiten, waar nog steeds de maan glinsterde en de starren flonkerden, terwijl een danktoon uit hare ziel opsteeg om den Heere te erkennen voor wat Hij had gedaan, want zij geloofde : de Heere Zelf had haar dien droom gegeven tot vertroosting. Hij had haar klacht gehoord, 'haar toanigen twijfel aanschouwd en daarom door dien droom tot haar gekomen om haar te doen zien wat haar straks wachtte.

Nu was haar vrees voorbij, haar twijfel verdwenen, kon zij weer vertrouwen dat de Heere Zijn werk in haar was begonnen en dat Hij dit ook zou voleinden, haar straks verwaardigen tot Hem op te stijgen om zonder einde bij haar Schepper en God te zijn, Wien zij weder kon ontmoeten omdat Chris tus. Jezus den weg tot Hem voor haar baande.

Eenmaal zal werkelijk de ure komen, waarin hemel en aarde uit hunne plaats zullen wijken, waarin de Zoon des menschen zal komen om te oordeelen de levenden en de dooden en welk lot zal dan het uwe zijn ? Ook gij zult dien stond beleven, hetzij dat gij nog in leven zijt of dat uw lichaam reeds lang in het graf is weggelegd, want daar zullen alle schepselen zijn, het graf zal zijn doQden wedergeven, niemand zal daar gemist worden. Zult gij dan aan de rechter-of linkerhand , van den Rechter van hemel en aarde geplaatst worden ? Uw lot Zal zoo verschrikkelijk zijn wanneer Hij u aan Zijn linkerhand plaatst, want dan zal uit Zijn mond het oordeel over u worden gehoord : „Neem deze en werp hem in de buitenste duisternis." Eeuwig zult gij dan uw God moeten missen. Hem, Die u nooit anders dan goed deed. Die voor u zorgde, over u waakte, ja, Die u de roepstem van Zijn Evangelie deed hooren, dat Hij in Zijnen Zoon Christus Jezus den weg had gebaand om met Hem weder verzoend te worden. Nog klinkt thans Zijn roepstem, ook heden wordt u het aanbod gedaan van genade en ontferming, nog roept Christus Jezus u toe, dat gij in Hem het behoud uwer ziele kunt vinden ; o, hoor dan toch naar Hem, laat Hem toch niet vergeefs roepen. Gij behoeft niets mede te brengen dan een hart vol zonde en schuld dat behoeft gij Hem slechts te geven en de rijkdom, welke Hij u 'daarvoor in de plaats geeft, is onuitsprekelijk, want Hij schenkt u dan een nieuw hart, welks innigste lust en begeerte is Hem te dienen, om u straks te vergunnen Hem te aanschouwen eeuwig en altoos. Hij zal u aan Zijne rechterhand plaat sen en als Hij komt om de wereld te oordeelen, wijl gij dan moogt ingaan in de stad met paarlen poorten en gouden straten.

Daar ingaan, daar verkeeren, Hem aanschouwen, ja, dat moogt ook gij, die nu over 's levenspad gaat met de klacht : „Zou ik me zelven bedriegen !" Ook u zal Hij die vreugde en blijdschap schenken, welke gij nu vreest nimmer te zullen smaken, want de Heere doet dat niet om uwentwil, slechts om Zijnszelfs wil zal Hij ook u daartoe verwaardigen, 'Hij zal uw zonden en schuld .niet gedenken, , omdat Christus Jezus die met Zijn eigen bloécl heeft uitgedelgd, daarom, daarom alleen zult gij in de eeuwige welgelukzaligheid mogen ingaan. Nu komt Satan ii nog benauwen en verschrikken, fluistert liij u steeds weer in dat alles bedrog is, dat gij hem toebehoort, doch straks zal hij moeten wijken, want Koning Jezus, Die in uw hart een lust en begeerte lag om Hem te kennen en te dienen, zal Zijn werk niet laten varen, Hij zal Zijn werk voortzetten en voleinden, waardoor ook gij Hem zult zien als uw Borg en Middelaar, uw Heiland, Die den weg baande voor u om u met den Heere te verzoenen, den Schepper van hemel en aarde tegen Wien gij zwaar en menigmaal hebt misdreven.

Als een dief in den nacht zal de ure komen, waarin de Heere komt om te oordeelen de levenden en de dooden ; sohenke Hij dan, wanneer die dag daar is, u en mij die alles overwinnende blijdschap te smaken dat we geplaatst worden aan Zijne rechterhand, doch laten we tevens bedenken, dat die blijdschap alleen wordt geschonken als kroon op den strijd dat we in dit leven niets anders wenschen dan Hem te dienen, eeren en vreezen, dat we niets anders verlangen dan te leven tot lof, roem en prijs van Zijnen grooten Naam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's