Uit het kerkelijk leven.
De Bijbel, zijnde Gods Woord voor oils.
III.
De Bijbel bevat het Oude en het Nieuwe Testament.
Deze benaming is aan de Schrift zelve ontleend. Want Paulus toch zegt in 2 Cor. 3 vers 14 van de Joden in zijne dagen: „Maar hunne zinnen zijn verhard gewocden. Want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk-door Christus teniet gedaan wordt"
Daar worden dus de geschriften des Ouden Testaments als één geheel genomen, en in het volgende vers genoemd „Mozes." Want daar staat : „Maar tot den huldigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart." (vs. 15)
Wanneer wij dus spreken van „het Oude Testament" en daarmee 'bedoelen de verzameling van de Oud-Testamentische geschriften, is dit geheel in de lijn van onzen Bijbel ; en in onderscheiding van „het Oude Testament" spreken we nu ook van „het Nieuwe Testament." Ook dat is in de lijn van de .Schrift. Immers lezen we toch in Hebr. 9 vers 15 : „En daarom is hij de Middelaar des nieuwen Testaments, opdat, de dood daartusschen gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen, die onder het roepen zijn de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden."
Het woord „testament" is de Latijnsche vertaling van het Grieksche d 1 a t h è k è, 't Hebreeuwsche berith, dat verbond beteekent. De geschriften nu die spreken van het Verbond, dat de Heere met Israël heeft opgericht, worden genoemd „het Oude Testament" en de geschriften die verhalen van het nieuwe Verbond, dat God daarna zou oprichten (Jeremia 31 vers 31—34) worden genoemd „het Nieuwe Testament". (Hebr. 1 vers 1).
Toen de Heiland op aarde was, bestond er natuurlijk nog maar één deel van de H. Schrift en wel het Oude Testament, of „Mozes en de profeten" ; ook wel „de Schriften" (Matth. 21 vers 42) of „de heilige Schriften" (Rom. 1 vers 2) of „de woorden Gods" (Rom. 3 vers 2 — zie ook Luc. 24 vers 44 ; Luc. 16 vers 31 ; 2 Tim. 3 vers 15 enz.) genoemd.
Die boeken des Ouden Testaments, waarin dus beschreven wordt hoe de Heere een verbond met Israël heeft opgericht vóór de komste van den Heere Jezus in het vleesch, waren door de Oud Testamentische Kerk tot één geheel verzameld ; en wel sinds de dagen van Ezra en Neheniia ; waarvoor we o.a. bewijs vinden in 2 Maccabeën 2 vers 13 waar staat : „En deze zelfde dingen worden verhaald in die schriften en in de aanteekeningen van Nehemia ; en hoe hij een bibliotheek aanleggende bijeen heeft vergaderd de (schriften) van de Koningen en profeten, en de (schriften) van David en de brieven der Koningen aangaande de heilige geschenken.' Algemeen wordt dan ook aangenomen, dat de K a n o n van het Oude Testament, waaronder we verstaan de lijst der algemeen aangenomen boeken des Ouden Testaments, ongeveer in 432 vóór Christus en dus in de dagen der na-exilische profeten Ezra en Nehemia, is vastgesteld en afgesloten. Wat ons te meer waarschijnlijk voorkomt, daar we weten, dat Ezra een afstammeling van den hoogepriester Hilkia, uit den tijd van Koning Josia, zijnde, henhaaldelijk met nadruk „de Schriftgeleerde" genoemd wondt en hij 't ook geweest is, die de Joodsche gemeente, na de ballingschap, heeft georganiseerd en haar opnieuw heeft onderworpen aan de wet van Mozes, met terugdringing van het heidendom. Nehemia werd door den Heere aan Ezra als een helper toegevoegd (in 445) en deze beide mannen hebben de gemeente des Ouden Verbonds weer opnieuw in kennis gesteld met de woorden van den God Israels. De vaststelling van den Kanon is waarschijnlijk geschiedt vóór dat 'Nehemia weer naar het hof van Koning Arthasastha of Artaxerxes (464—425) terug keerde en dat was, na een twaalfjarig verblijf te' Jeruzalem, in het "jaar 432 vóór Christus.
Zóó hebben we dus sinds 432 vóór Christus de boeken des Ouden Testaments, zooals. we ze nóg hebben. Sinds dien tijd is er niets af en niets toegedaan.
Wel waren er bij de vaststelling van den OudTestamentischen Kanon bezwaren tegen het boek „de Prediker", omdat het te twijfelzuchtig was, naar sommiger oordeel ; tegen „het Hooglied", omdat het te realistisch en te weinig godsdienstig was ; tegen het boek Esther, omdat de naam God er niet in voorkomt ; maar onder de bizondere leiding des Heiligen Geestes zijn de 'boeken des Ouden Testaments tenslotte aangenomen, vastigesteld en afgesloten, zooals wij ze nu hebben, 39 in getal, aan de Kerk van alle eeuwen en plaatsen daarin gevend het Woord des iHeeren, zooals het tot het volk van Israël onder de Oude Bedeeling gekomen is, sprekende van hetgeen de Heere Zich voorgenomen had te 'doen met Israël en de volkeren vóór de komste van Jezus Christus op aarde.
Vrijheid, geen bandeloosheid.
De Hervorming heeft de Kerk, heeft den christen weer vrijgemaakt van den priester, van den paus. Van onder dat vleeschelijke juk heeft de Heere Zijn Kerk in de 16de Zwinglii, Calvijn en anderen. De Calvinistische predikers, uit Geneve tot ons gekomen, hebben hier weer de ware, de echte vrijheia van den christen-mensch gebracht. Geen priesterheerschappij ; • geen mensch noch Kerk tusschen ons en God. Ook geen juk der diensitbaarheid in den weg van de wet. Neen, de leer-der vrije genade, sprekend van een vrijmachtig God, kwam de ware vrijheid der kinderen-Gods weer in het licht stellen en Christus kwam in al Zijn volheid van gerechtigheid als middelpunt staan voor Zijn volk.
Maar de 'Hervorming die het vleeschelijk juk kwam verbreken en vrijheid'bracht, deed dat zonder de goddelijke instellingen te verwoesten, zonder de autoriteit van Gods Woord te schenken. Het Protestantisme heeft het gansche Christendom niet willen doen rusten hetzij op vrij onderzoek, hetzij op het subjectieve geloof of eigen zielservaring. Steeds is de band gelegd aan Gods Woord, welke voor het ware Protestantisme ook een onlosmakelijke is.
Wordt dus de vrijheid des menschen voor gestaan en de persoonlijkheid des christens een krans om het hoofd gevlochten — gelijk er menschen zijn, vooral onder de Ethischen, die dat woord „persoonlijkheid" om de 5 ininuten gebruiken — dan is dat niet in den geest van het ware Protestantisme als het individualisme zonder grens en de persoonlijke vrijheid zonder band wordt voor gestaan en in dien geest wordt geleeraard. Het gezonde Protestantisme heeft de persoonlijke waarde vanden christen-mensch geleerd, 'maar imet de daarbij passende saamhoorigheid der leden onder elkander en het gezamenlijk gebonden zijn aan Gods Woord en het geloof in Christus.
Chris to d u c e, Verbo luce, d. i. Christus ten Leidsman en Gods Woord ten licht op ons pad !
Zoo is de Protestantsche leuze, wat dus niets met bandeloosheid te maken heeft.
En daarom diegenen die onder de Protestanten zich bandeloos keeren waar men verkiest, zonder den band aan Gods Woord tè bewaren ; die zelfs smalend spreken van „we moeten den eenen paus niet verwerpen om ons dan onder het juk van den anderen paus te gaan stellen (n.l. den Bijbel, die men dan wel de „papieren paus" belieft te noemen) — die verstaan toch in der waarheid niet wat het beginsel is van het ware Christendom, van het gezonde, Nederlandsche Protestantisme. Wat zij voorstaan is geen vrucht van de evangelische vrijheid en het genadeleven, maar een ontaarding daar van, waarbij elke geestelijke gemeenschap met het echt Protestantisme is verloren gegaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's