Stichtelijke overdenking.
en de vrijmoedige geest ondersteune mij. Zoo zal ik den overtreders Uwe' wegen ieeren ; en de zondaars zullen zich tot U bekeeren. Psalm 51 vers 14b en 15.*) Intreerede te Kralingen, 25 Sept. 1921.
D e V r ij m o e d i g e Geest.*)
Laat het u niet bevreemden Gemeente, dat wij onzen tekst kozen uit een gebed. Psalm 51 is een klacht uit de diepte. Daar roept een mensch om genade, in de belijdenis van zijn zonde. Daar hebben wij te doen met een neergebogen ziel, in het pijnigende gevoel van eigen onwaardigheid. Hij vraagt of God hem niet verwerpen zal en zijn smeekbede rijst op uit zijn beklemd gemoed .-, , neem Uwen Heiligen Geest niet van mij." Onze tekst is dus ook een gebed. Wij zetten daardoor onze intrede in het teeken van hel gebed. Een bidstond zouden wij hel liefst deze ure willen noemen.
Het gebeurt wel dat de intreerede van een leraar wordt voorgesteld als een programma dat naar voren gebracht wordt, als een werkplan dat wordt aangegeven, zoodat de lijnen worden uitgestippeld van de prediking des Woords. In deze voorstelling ligt wel eenige waarheid, maar ik zou er toch niet den nadruk op willen leggen. Immers dan draagt het den schijn alsof elke prediker iets nieuws moet brengen, iets bijzonders, dat anderen niet brachten'.
Er is maar één Evangelie. Ik zie in dit kerkgebouw daar den naam van Van der Groe staan. Hetzelfde Evangelie, dat deze lang ontslapen leeraar dezer Gemeente eens bracht, wensch ook ik te verkondigen. Wel niet in dezelfde woorden en vormen en toepassing voor onzen tijd, maar wel in zijn eeuwigen, vasten, onwankelbaren inhoud, waarvan elke van God geroepen leeraar een aarden vat is. Hierinede heb ik de lijnen mijner prediking reeds voldoende uitgestippeld.
Ik zou deze ure veel meer een bidstond willen noemen, om Gods zegen af te smeeken over prediking en arbeid, om elkander dien weg heen te wijzen, den weg des gebeds.
Is er heden dan ook niet te danken ? Zeker ! De Heere, in Wiens hand al onze wegen zijn, heeft het zoo geleid dat ik uw leeraar werd. De strijd, dien ik hierover door maakte, heeft mij dit duidelijk doen zien. Ik zeg dit zoo sober mogelijk, omdat dit zulk een strikt persoonlijke zaak is. Maar ik weet ook, dat er bij u gebed was, dat mijn weg naar hier zou voeren. Wel, dan mag er toch veel dank zijn voor Gods bemoeienissen ? Maar met dit al blijve deze ure het karakter dragen van een bidstond. Als uw leeraar vervult mij de toekomst met veel hoop, maar ook met veel vrees en beving. „Nederknielende heeft hij met hen allen gebeden." Zoo nam eens Paulus afscheid.' Maar ik gevoel veel behoefte om dit te doen met u allen bij mijn intrede. Wat zal het immers ons baten of wij al planten en natmaken, stelt dat dit planten en natmaken zeer nauwkeurig geschiedt, als God den wasdom niet geeft. En wat dit planten en natmaken betreft, o zeker, het is van groot belang dat wij u het Evangelie der genade mogen prediken. Maar bedenkt gij dan wel, dat het hierin gaat over de eeuwige, geestelijke dingen, over de redding uwer onsterfelijke ziel, om de eer van God in de vertroosting en zaligheid van Zijn volk? En wie is tot deze dingen; bekwaam, als de Heere Zelf hem daartoe niet bekwaam maakt? Zoo is het te begrijpen, dat een bedienaar van het Evangelie zich onder deze groote taak wel eens klein en onwaardig gevoelt. Zoo kan de staf wel eens te zwaar worden, die toch altijd opgeheven moet, naar wat de Schrift zegt van Mozes in den strijd tegen Amalek. Denk er aan. Gemeente, dat mij de staf ook wel eens te zwaar kon worden, al zeg ik het u niet altijd De Heere geve den wasdom bij ons planten en natmaken. Maar het kon toch ook, wel anders zijn. Er kon wel eens veel Evangeliezaad , , bij den weg vallen." Ja, de prediking des Woords kan wel eens erger dan tevergeefsch zijn ; als n.l. de mensch er onder ver hardt en verkoelt. En inplaats van eeuwigen zegen is er dan verzwaring van het oordeel. God beware er uwe zielen voor. Maar dan is het toch genoeg verklaard, dat wij deze ure een bidstond noemen, en wij onzen tekst namen uit de smeekbede van den Sisten Psalm ?
Onze tekst handelt over :
a. den steun dien de prediker noodig heeft,
b. de taak die hem opgelegd wordt,
, c. den zegen dien hij verwachten mag.
„En de vrijmoedige geest ondersteune mij". Let er wel op dat het woord „geest" met een kleine letter „g" geschreven staat. Volgens de Staten-Vertalers is dan ook hier de menschelijke geest bedoeld, de geest van Koning David. En hij vraagt dat God dien geest vrijmoedig mag maken, opdat hij daar door steun hebben mag om te doen wat hij zich voorstelt. Nu maakt het ooik weer niet zulk een groot verschil uit of wij hier een kleine „g" of een hoofdletter lezen. Immers de psalmist (begeert een vrucht van de werking van den Heiligen Geest. Dit valt des te meer op nu wij in het voorafgaande vers van dien Heiligen Geest gesproken vinden.
Nu ook nog iets over het woord „vrijmoedig". Wij hebben hier te denken aan eene vrijmoedigheid in het uitdeelen, zoodat Calvijn er de voorkeur aan geeft om het oorspronkelijke woord door vrijgevig te vertalen. Er kan, door de werking des Heiligen Geestes, een vrijmoedigheid zijn in het aannemen. Dat is vaak zoo wonderlijk. Jaren van te voren was er dan soms een oprecht zoeken naar vrede door het geloof, zonder dat deze werd gevonden. Schuchter bleef men van verre staan als het gold de troostrijke Waarheid waarvan de Heere tot de Zijnen spreekt. De stille vrees bekruipt dan telkens de ziel zich iets toe te eigenen dat niet voor haar is. Totdat het in eens anders wordt. Tracht dit niet te verklaren, want het is iets wonderlijks. Het is van God. Uit den Geest geboren. Een overweldigende omkeering. Het licht rijst en de duisternis wijkt. „Het is alles voor mij wat Christus voor verlorenen deed". Zoo roemt de zieL in heerlijke zielevreugde. Het is een vrijmoedigheid in het aannemen.
Zoo kan er ook zijn een vrijmoedigheid in het gebed. Een verkwikkende openhartig heid, waarin wij al onze ellende en al onzen nood voor den Heere uitspreken en ons zelf geheel en al aan Zijn genade toevertrouwen. De apostel spoort vreesachtige zielen daartoe aan als hij zegt: laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade.
Hier is sprake van eene vrijmoedigheid in het uitdeelen. Daarom trok mij deze tekst zoo aan, om daaruit heden tot u te spreken. En wij dachten aan iemand die een schat draagt en daarvan aan anderen moet mededeelen. Elke prediker van het Evangelie der genade is een schatdrager. Hij wordt door God verwaardigd een drager te zijn van een heerlijk goed, kostbaarder dan het kostbaarste dezer wereld. Ook ik breng een schat mede, niet uit te tellen, niet uit te meten. En van dien schat moet ik uitdeelen, bij de bediening des Woords, aan de ziekbedden, in uw huizen, aan de jonge mienschen op de catechisatiën. Predik het Woord zegt de apostel, tijdig en ontijdig. Deel maar uit. Wees maar niet bang dat bij het uitdeelen de schat uitgeput zou raken. God geve dat ik met veel vrijmoedigheid zulk een uitdeeler in uw midden mag zijn.
Het is toch te begrijpen dat die vrijmoedigheid wel eens ontbreekt. Denk maar eens aan Koning David. Het zou geen wonder zijn als hem, terwijl hij anderen vermaande, geantwoord werd : gij zijt zelf niet beter. Een prediker is ook een mensch. Het kwaad dat hij bestraft, vindt hij in eigen hart Wanneer een prediker iemand op zijn zonde Vi^ijst die midden in de wereld leeft en om God of Zijn gebod zich niet bekommert en hij laat zich maar een weinig leiden door de gedachte : „ik ben van nature niet beter" is het gevaar zeer groot dat er vergoelijkend over de zonde gesproken wordt. Er is dan geen vrijmoedigheid. Men noemt de zonde niet zooals zij is in Gods oog. De puntjes worden wat weggelaten. De waarschuwing wordt wat verstompt. Het is dan vaak een spreken over de zonde, lang en breed. Maar het slot er van is : het is nu eenmaal zoo met den mensch gesteld !. . . . Of, daar is iemand die een zwaar kruis heeft te dragen. Het leed drukt hem neer, het leven is hem bijna ondragelijk. De prediker heeft ook zulk een mensch veel te zeggen, draagt ook voor hem een schat. Maar daar woelen de stemmen in hem op : „het moest u zelf maar eens overkomen, gij zoudt wel anders spreken ! Uwe hooge woorden zouden er wel aan gaan !" En zie, dan ontbreekt de vrijmoedigheid weer om uit den schat van Gods Woord uit te deelen wat de Heere heeft te zeggen aan zulk een kruisdrager van Zijn heilig Recht, maar ook van Zijn eeuwige Liefde. Het gemis van eigen beleving mag toch den prediker niet weerhouden om te melden wat de eeuwige sprake Gods is. Als het den prediker maar gaan mag om, de eer van Gods Waarheid zal de vrijmoedige geest hem niet ontbreken.
En zoo is het ook met de prediking van het Evangelie tot vertroosting der verslagene harten en tot opbouwing der Gemeente in het geloof. „Hebt gij dat altijd nu maar zoo voor het scheppen ? " zou wel eens gevraagd kunnen worden aan een prediker, die soms dag aan dag van de geestelijke dingen te spreken heeft. Als ik daarop let, dan zou ik zeer vaak willen zwijgen. Wie is er altijd met zijn hart bij ? Wie is altijd geestelijk, zoo vaak hij van het geestelijke getuigt ? Dat weet ge toch wel. Gemeente, dat een Leeraar soms onmiddellijk achter elkaar aan het ziekbed staat en een huwelijk heeft in te zegenen ; in het klaaghuis is en spoedig daarop in een woning van vreugde intreedt. Is zijn hart en zijn gemoedsstemming dan soms zoo rekbaar dat zijn geestelijk leven dan altijd pasklaar is, zoowel voor het een als voor het ander? ....
De meeste menschen weten het niet hoe moeilijk het predikambt is, juist omdat het zoo geestelijk is en omdat de prediker een mensch is van gelijke beweging ls als gij. Het is zoo noodig dat er voor den Leéraar gebeden wordt, maar ook dat hij zelf vraagt: geef mij toch maar de vrijmoedigheid om uit te deelen uit den schat van Uw Evangelie en te prediken tijdig en ontijdig.
Nog een oorzaak wil ik u noemen waarom ware vrijmoedigheid wel eens ontbreken kan. De onbeschaamdheid n.l., waarmede de zonde optreedt in de wereld rondom ons, de brutaliteit waarmede het kwaad naar voren komt. Wij zijn dan geneigd om ons wat achteraf te houden. Zooals wij ook wel eens zwijgen tegenover brutale menschen, alleen omdat ons de moed ontzinkt .... Of ziet gij het niet hoe de zonde in onze dagen met ongekende onbeschaamdheid zich doet gelden ? Let dan op den geest der revolutie die de huisgezinnen verwoest en de grondslagen van het maatschappelijk leven loswoelt. Let dan op de ongebondenheid der jeugd en het „laat maar varen" der ouders als het geldt hunne kinderen over hun doop „breeder te onderwijzen". Let dan op het ongeloof dat op elk terrein van het leven den boventoon schijnt te voeren. Welk een onbeschaamdheid !..... Wat beteekent daartegenover het Evangelie des kruises ? Wat schijnt er weinig invloed van uit te gaan. Is het niet om mismoedig te worden ? Ja, als wij niet hooger zien. Ja, als wij. niet bedenken dat de Heere Jezus aan alle predikers van het Evangelie heeft toegezegd : „Ik ben met ulieden".... De Heere zegt het toch in Zijn Woord dat het aldus geschieden zal, dat de zonde zich zal vermenigvuldigen, dat de afval groot zal zijn en de liefde veler zal verkoelen. Maar des te meer worde verkondigd : de Heere komt! Hoort ge niet het ruischen Zijner voetstappen ? Maranatha Er wordt van Nero vermeld dat hij, toen de stad Rome in brand stond, rustig op het dak van zijn paleis de vuurzee aanschouwde. En hij speelde ondertusschen op zijn viool. Ik geloof dat wij, predikers, en ik sluit er mij zelf niet buiten, maar al te veel op dien Nero gelijken. Wij zijn al te kalm, al te rustig in het prediken van het Woord, veel te weinig in heilige ontroering, terwijl de wereld in brand staat. Wij gelijken wel op dien vedelaar uit oude dagen ! De vrijmoedige geest ondersteune ons, ook om-te zeggen : maak u gereed, o volk des Heeren. Uw Bruidegom komt! Laat uwe lendenen omgord zijn, en uwe kaarsen brandende I" De vrijmoedige geest ondersteune ons, ook om te verkondigen : „Hij zal komen, als Rechter, op de wolken des hemels, om te oordeelen de levenden en de dooden. Zou er olie in uw lampen zijn ? "
Onze tekst spreekt ons niet slechts over den steun dien de prediker noodig heeft, maar ook over de taak hem opgelegd.
„Zoo zal ik den overtreders Uwe wegen Ieeren". Het is te begrijpen met welk een liefdedwang hij dat zou doen. David smeekt God dat Deze hem niet zou vervi'erpen. Genade was hem boven alles dierbaar. Als hij de vergeving van zijn zonde ontvangen mocht zou er vreugde in zijn ziel zijn. 'Vreug de over Gods heil. Neen, grooter goed kon hij, arme zondaar, zich niet voorstellen, dan dat God hem genade bewijzen zou. Dan zou het vuur der liefde in zijn hart branden ! Dan zou zijn ziel vervuld zijn met den lof van God en zijn mond zou overloopen van wat er in zijn hart leefde. „Dan zal ik Uwe wegen aan anderen Ieeren." Zoo is zijn heilig voornemen.
Niet waar ? Dan weten wij tegelijkertijd wat met die wegen van God bedoeld is. Het zijn de wegen van Zijn ontferming, van Zijn verzoening, van den vrede Gods, van de barmhartigheid en de genade des Heeren.
Die wegen Gods kom ik u Ieeren, Gemeente. Ik weet dat ik daarin iets groots, iets belangrijks u te zeggen heb. Het predik ambt is wel een moeilijk ambt, maar het is óók het heerlijkste. Het overtreft in zijn werkzaamheid elk ander ambt, iedere waar digheid of betrekking die gij noemen wilt. Ik mag u de wegen Gods verkondigen.
Eigenlijk is er maar één weg. Die weg is Christus. „Want", zegt Paulus, „ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en Dien gekruist." Christus, gestorven om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Van Hem verkondigen wij dat Hij genoeggedaan heeft aan Gods Recht. Hij heeft de schuld der zonde voor Zijn Gemeente volkomen betaald, tot op den laatsten penning. En waar wij tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd heb ben, heeft Christus alle geboden stiptelijk gehouden. De Wet heeft niets op Hem aan te merken. En dit deed Hij als de eenige Plaatsbekleeder. Dit is de boodschap des heils : de Heere rekent Zijn van eeuwigheid verkoren Gemeente die gerechtigheid en reinheid van Christus toe — — O rijke Christus. In Hem is een arm volk eeuwig rijk ! O onovertroffen heil ! Het is het deel van de Kerk des Heeren ! Welnu, dan is het toch een zeer belangrijke taak, mij opgelegd dat ik u van dien rijken Christus en van dat onovertroffen heil spreken mag.
Maar het is alsof ik u hoor vragen : hoe heb ik deel aan Hem ? Is Hij ook voor mij gestorven ? Voor Zijn Gemeente I Zeker — — maar ben ik een van de Zijnen ? Ben ik een schaap van Zijn kudde ?
Vraagt gij dit met oprechtheid ? Is het u, mijn hoorder, waarlijk om een antwoord te doen ? Welnu, als het over de vraag gaat: hoe kom ik tot Christus ? Hoe vind ik een verzoend God ? dan moeten wij spreken over vele wegen. De wegen Gods. Zoovele kinderen Gods als er zijn, zoovele zijn ook Gods wegen. En toch komen die vele wegen Gods hierin overeen, dat zij door de diepte naar de hoogte gaan. Alleen door verootmoediging wordt Gods volk groot. Door afbreking komt het tot den geestelijken opbouw. De wegen Gods zijn de wegen van zelfverloochening. Wat is zelfverloochening? Wij lezen dat Petrus den Heiland verloochende, zeggende : „ik ken dien mensch niet." Zelfverloochening is dat gij den vinger op uzelf richt met een : ik ken dien mensch niet. Dat is de weg van God. Dan gaat al onze ingebeelde deugdzaamheid er aan. En er is niets van ons dat waarde heeft in het stuk der rechtvaardigmaking. Op al ons eigen werk staat de dood geschreven. Wij houden op onszelf te handhaven, *en iets meer te willen zijn dan een arm zondaar. Dat is de weg van God. Dat zijn de wegen die Hij met de Zijnen bewandelt. Daar is dan een beven voor Gods heiligheid. Eene innerlijke siddering voor het Recht Gods dat Hij heeft op ons leven, op onze gedachten, op onze begeerten. En — daar staat gij dan, o zondaar, met niet het minste dat aan dat Recht beantwoordt, hulpeloos, ellendig in uzelf, aan den dood en den satan toegevallen. Het zijn de wegen Gods. Zóó komt gij tot Jezus ! Zóó strekt gij de handen uit naar hulp, naar genade ! Zóó pleit gij op 's Heeren beloften : „och, dat er ook voor mij nog plaats mocht zijn in Uwe ontferming." Het zijn de wegen Gods. Immers zóó voert de Heere u tot kennis van Zijn genade, om in vrijmoedigheid de hand te leggen op het offer van Golgotha.
Dan zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, Van 's Heeren wegen Want groot is 's Heeren heerlijkheid. Zijn majesteit Tén top gestegen ; Hij slaat toch, schoon oneindig hoog. Op hen het oog, Die needrig knielen ; Maar ziet van ver met gramschap aan Den ijd'len waan Der trotsche zielen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's