De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prins Willem van Oranje.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prins Willem van Oranje.

7 minuten leestijd

X.

Zoo was Granvelle dan wég. Ook de Landvoogdes zelve was verheugd van hem bevrijd te zijn. Oranje, benevens Egmond en Hoorne, waren nu in den Staatsraad teruggekeerd en niemand van hen dacht er aan zich tegenover Koning Filips te stellen of de Nederlanden tegen hem op te zetten ; integendeel, ze wenschten niets liever dan deze gewesten voor de Kroon te bewaren, maar daartoe moesten dan ook zulke maatregelen, die strekken konden om het volk tegen zijn vorst in het harnas te jagen, met kracht worden tegen gegaan. Zoo moest, naar het oordeel van den Prins en zijn vrien den, die hatelijke vervolging om het geloof ophouden, welke zoovele huisgezinnen in 't ongeluk stortte, zoovele rampzalige weduwen en weezen maakte, zulk een aantal ijvere en welvarende menschen dwong hun and te verlaten en in den vreemde rond te werven. (Reeds in 1563 waren er alleen naar Londen meer dan 20.000 burgers om den geloove uitgeweken).

In den Raad van State sprak de Prins daarover. Hij noemde met name het diep verval der geestelijkheid en klaagde over de onrechtvaardige rechtsbedeeling der zedelooze rechters, die elkander vijandig waren en zich voor geld lieten omkoopen. De Koning dwaalt — aldus sprak de Prins — zoo hij denkt, dat de 'besluiten der Trentsche Kerkvergadering, die zelfs door Katholieke Duitsche vorsten verworpen werden, hier te lande zullen worden aangenomen. Den Koning moet men onder het oog brengen en goed onder het oog brengen, dat hij beter zou doen met toe te geven, de gestrenge plakkaten te vernietigen, ten minste te matigen. En wat mijzelf betreft — zoo zei Oranje — ik zal in het Katholieke geloof volharden, maar ik kan niet goedkeuren, dat de vorsten over de zielen der menschen heerschen willen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen. ;

Zoo sprak de Prins niet alleen in den Raad van State, maar zoo schreef hij ook aan den Koning, Hij verzocht hem geen ge-, loof te slaan aan alles wat men hem ten laste legde, ten einde hem in een ongunstig licht te plaatsen, betuigende, dat hij als een goed en getrouw dienaar, de voetstappen zijner voorouders, tot 's Konings dienst, zou drukken. Met ziel, lijf en goed wil ik Uwe Majesteit dienen — verzekerde hij plechtig. En dat hem dat ernst was, bewees hij, toen hij met zijn vrienden, na het vertrek van Granvelle, gansche nachten arbeidde tot wel zijn van het land en 's Konings onderdanen. De Kardinaalsgezinden, als Barlaimont, Viglius en anderen, stonden den Prins tegen en de geheime raad, die de uitvoerder was van de Koninklijke bevelen, alsook de raad van finantiën waren niet op zijn hand. Maar in den Raad van State steeg zijn invloed gestadig. Natuurlijk kwam de laster los. De Prins was de man, die met Egmond zich een aanhang poogde te maken, om Nederland als een buit onder elkander te verdeelen — zoo werd rondverteld ; en zoo werden zij van niets minder dan van hoogverraad beschuldigd.

Een Koninklijke brief drong er op aan, dat de besluiten van het concilie van Trente moesten worden afgekondigd en gehandhaafd.

Loodzwaar valt dit bericht op de ziel van Oranje. Zal Nederland dan een openbaar schavot worden ? Zal dan de kaart van Nederland een doodenregister van den beul zijn ? .

Van alle kanten werd de Landvoogdes met smeekschriften bestormd, zóó, dat zij niet wist wat zij doen moest.

Op voorstel van den Prins werd toen een gezantschap naar den Koning in Spanje gezonden, om hem op de hoogte te brengen van de toestanden hier. Egmond werd daarvoor aangewezen en afgevaardigd. Na verloop van vier maanden kwam hij terug en onder den indruk van zooveel eer hem bewezen aan het hof, blijkbaar om hem van Oranje afvallig te maken, vertelde hij van de goedgezindheid des Konings, om alles te doen wat tot heil van het land kon-wezen. Hierover was Oranje allerminst verrukt, daar deze wel voelde dat Egmond om den tuin geleid was ; wat al spoedig bleek, toen de schriftelijke lastgeving des Konings kwam, waarin het tegendeel werd bevolen dan door Egmond in uitzicht was gesteld.

Hevige tooneelen volgden. Egmond moest openlijk 't verwijt van Oranje aanhooren, dat hij meer op zijn eigen dan op het algemeen belang gelet had en zich had laten bewierooken door een vorst, die gansch Nederland tot een moordhol wilde maken. Hoe kon hij toch z'n vertrouwen schenken aan een man, die voor een kruisbeeld neervallend, had uit geroepen : „Ik smeek U, God Almachtig, dat Gij mij nimmer zoo diep laat vallen, heer te zijn over menschen, die U verachten" ; en die kon schrijven : „Wat den godsdienst betreft, liever zou ik honderdduizend levens missen, dan daarin eenige verandering te gedoogen."

Ook Egmond was bitter teleurgesteld en diep getroffen. Luide klachten liet hij hooren over de trouweloosheid des Konings ; en toen den Koning door de Landvoogdes schriftelijk geantwoord werd, op raad van de bisschoppen, dat aan des Konings bevel zou worden voldaan, schreef ook Egmond een brief, waarin hij zich bitter beklaagde, dat de Koning hem tot een leugenaar gemaakt had en hem in verdenking gebracht had bij de leden van den Raad van State, aan wie hij geboodschapt had, dat milde bepalingen te wachten waren inzake de vrijheid van godsdienst. 

De Koning schreef aan Egmond terug dat hij wel over verandering gesproken had, maar daarmee bedoelde, dat de ketters meer in het geheim dan in het openbaar moesten worden ter dood gebracht. Maar nooit — zoo schreef Filips op den 17den October — was het zijn bedoeling geweest de inquisitie af te schaffen. Integendeel, de plakkaten moesten door de inquisiteurs streng geandhaafd worden. De geheime raad, de uitvoerder van de Koninklijke bevelen, ging met het schrijven uit Spanje accoord. En advies werd uitgevaardigd aan bisschoppen, abten, geestelijken, gerechtshoven, hoogecholen en stedelijke regeeringen, om de bevelen des Konings onmiddellijk te gehoorzamen en zich naar de  voorschriften des Koings te gedragen, waardoor het land nog meer in bloed èn vuur èn rookdamp zou worden gehuld.

De Prins voorzag, dat de Koning in deze onverzettelijk zou zijn en begreep, dat er niets anders op zat, dan de bevelen uit te voeren. Maar hij drong er op aan, dat des konining's bevelen den volke zouden worden bekend gemaakt. Openbaarheid van deze bevelen uit Spanje eischte hij. Maar de Spaansch-gezinden als Viglius en anderen zelden, dat openbaarmaking het volk tegen den Koning zou opzetten, wat de Prins misschien wel aangenaam zou vinden, meenden zij, maar wat zij zooveel mogelijk moesten voorkomen. Doch Viglius moest voor den welsprekenden Prins van Oranje het veld ruimen en ingevolge 's Prinsen raad de Landvoogdes het besluit aan alle stadhouders en overheden brieven af te vaardigen, waarin de aanneming en invoering van de  besluiten van het concilie van Trente en strengste handhaving der inquisitie bevolen werd.

Groote opschudding in het land was het volg van het bevelschrift. In gezelschappen, in de herbergen, op de straat, overal waren de bevelen des Konings het onderwerp der gesprekken. Schot-en schimpschriften werden in menigte aangeplakt en rondgestrooid.

Het geloofsonderzoek in de Nederlanden werd door den inquisiteur T i t e 1 m a n geleid en deze ontzag niets en niemand. Zelfs Viglius, zelf ontwerper van vervolgingsplakkaten, werd bespied en in het geheim bij den Koning beschuldigd van onrechtzinnigheid, ketterij, omgang met andersdenkenden, bevoorrechting van naastbestaanden, woekerhandel in ambten en waardigheden, diefstal van land en van kostbaarden uit den kerkschat van Sint-Bavo te Haarlem, van welke Kathedraal hij op zijn ouden dag het proostschap had weten te machtigen, ofschoon zijn zwak lichaamsstel hem niet vergunde de mis te lezen of als rechtop voor het altaar te staan. Als zelfs een man als Viglius zóó bespied aangeklaagd werd, behoeft men niet te vragen hoe men optrad tegen degenen, die zich op eenigerlei wijze voorstanders van de nieuwe leer toonden !

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Prins Willem van Oranje.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's